Maandag 22/07/2019

Operatie HolbeinHoe subtiele diplomatie unieke werken bijeen kan brengen

Het Haagse Mauritshuis rekent op zo'n 150.000 bezoekers bij de komende expositie over Hans Holbein de Jonge. Het ondernemersrisico is groot. Het internationale gevecht om kostbare bruiklenen is hard en vergt hoogwaardige museale diplomatie. Lobbyen, geduld hebben, vriendendiensten en 'veel praten, netwerken, maar vooral: zélf langsgaan'.

Den Haag

Van onze medewerker

Merlijn Schoonenboom

Begin 2003 zit hoofdconservator Peter van der Ploeg in zijn werkkamer van het Mauritshuis. Hij kijkt tegen een muur vol kopietjes aan, A4-kopietjes van schilderijen van Hans Holbein de Jonge. Over het kopietje van de Engelse koning Hendrik VIII is een groot rood kruis getrokken. Op het laatste moment heeft de eigenaar, museum Thyssen-Bornemisza in Madrid, zijn bruikleen teruggetrokken. Na anderhalf jaar lobbyen.

Toch is Van der Ploeg tevreden, zeer tevreden. Vlak voor kerst 2002 gebeurde namelijk het tegenovergestelde. Frits Duparc, directeur van het Mauritshuis, telefoneerde toen met de hoofdconservator van het Louvre. Twee jaar lang had hij al onderhandeld, veertig telefoontjes waren gevoerd met diverse medewerkers van het Louvre, en vier keer was hij langsgegaan, tot bij de directeur zelf. Het was misschien overmoed geweest, maar Duparc had zijn zinnen gezet op de Erasmus (1523), een schilderij dat nooit door het Franse museum is uitgeleend. Waarom zouden ze voor het Mauritshuis een uitzondering maken? Duparcs collega's waren inmiddels sceptisch geworden, maar die week voor kerst was er, aldus Duparc, "iets in dat telefoongesprek dat optimistisch stemde".

"De vriendschappelijke toon, de gespreksonderwerpen. Niet alleen over de schilderijen, maar bijna privé. En dan weet je dat je die man ergens raakt." En inderdaad, Duparc kreeg de Erasmus. "Als mij drie jaar geleden was verteld dat we tot dit resultaat zouden komen, had ik het niet geloofd", zegt Duparc een half jaar later. Straks opent het Mauritshuis zijn tentoonstelling over Hans Holbein de Jonge (1497/8-1543). Het museum heeft daarmee de eerste tentoonstelling over deze vroeg-zestiende-eeuwse Duitse schilder in Nederland, en een tentoonstelling die zich wat kosten en ambitie betreft kan meten met die over Vermeer (1996) en Rembrandts zelfportretten (1999).

Museaal gezien bleek het een krachtproef. Holbein is een van die ijkpunten uit de kunstgeschiedenis, de kunstenaar die de "Rafaël van het Noorden" wordt genoemd, "de eerste die mensen ook echt als mensen schilderde". Hij leefde een generatie na Albrecht Dürer, in de verhitte wereld van reformatie, Thomas More en Erasmus, en werd uiteindelijk hofschilder van Hendrik VIII, de Engelse koning die zijn tweede vrouw liet onthoofden, de Anglicaanse kerk stichtte en Holbein zijn hof, zichzelf en potentiële huwelijkskandidates liet schilderen. Holbein is daardoor ook een kunstenaar wiens werk over de wereld is uitgezwermd. In diverse musea vormt hij het kroonstuk van de collectie: in Duitsland, waar hij geboren is, in Zwitserland, waar zijn carrière begon, en in Engeland, waar hij beroemd werd. Dat maakt een bruikleen des te moeilijker: een Holbein is of te kwetsbaar om te reizen, of het is een publiekstrekker die een museum niet graag kwijt wil.

"Geen enkel museum zal huilen als het zijn Holbeins niet hoeft uit te lenen", zegt Duparc. "Bovendien", zegt zakelijk directeur Rik van Koetsveld: "Het klimaat voor het sturen van topkunst over de wereld is er de laatste twee jaar niet beter op geworden. De dreiging van terrorisme, een oorlog in Irak, in Nederland werden in één jaar drie musea bestolen: buitenlandse musea werden nóg voorzichtiger om uit te lenen. Sommige krabbelden zelfs opeens terug."

Als geen ander toont een tentoonstelling over Holbein dus de wondere wereld van de bruikleenkunde. En dat is een behoedzame wereld, een gentlemanswereld, een wereld van oldboys-netwerken, subtiele diplomatie en van moeizame successen. Het Mauritshuis heeft vooral de laatste tien jaar de fijne kneepjes van het vak geleerd, met tentoonstellingen over Vermeer en Rembrandt, maar ook met aankopen en schenkingen. Je moet immers weten waar je moet zijn, en dat is vooral de wereld van het oude geld.

Frits Duparc (1948) is dan wel niet de bekendste museumdirecteur van Nederland, maar zijn vaardigheden als internationaal netwerker in de wereld van oude kunst zijn effectief. Als telg uit een Haagse regentenfamilie, zoon van een oud-topambtenaar van het ministerie van Cultuur, heeft hij goed zicht verworven op welke Hollandse meesters zich in particuliere collecties bevinden. Relaties met eigenaren worden dan jarenlang onderhouden. Dat kan dan bijvoorbeeld een flinke schenking opleveren, zoals vorig jaar vijf werken van baron Van Dedem. In 1999 wist Duparc fondsen te werven om van een Britse lord voor iets minder dan 15 miljoen euro Rembrandts Portret van een oude man aan te kopen. Het was na de Victory Boogie Woogie van Mondriaan de duurste museale aankoop in de Nederlandse geschiedenis.

Met Holbein begon het nog bescheiden, alweer acht jaar geleden. De twee Holbeins die het Mauritshuis zelf bezit - als enige museum in Nederland - zouden als basis dienen voor een kleine tentoonstelling. "Voorzichtig" polste Duparc de conservatoren van de collectie van het Engelse koningshuis of hij tekeningen kon lenen. De contacten met Windsor waren al langer goed, maar de tekeningen kwamen net van een reis, en moesten "rust krijgen". Duparc wachtte zes jaar en kreeg toen in een keer vijftien tekeningen en drie schilderijen.

Pas toen - "met Windsors toezegging in mijn rugzakje" - begon de ambitie te groeien. Duparc kon daarmee bruiklenen vragen aan musea in Berlijn en Londen waarmee hij goede relaties had. Langzaam schoof hij op richting de musea die hij minder goed kende, zoals in Florence en Dresden, tot hij uiteindelijk zelfs die musea benaderde die als moeilijk bekendstaan, zoals het Louvre. Uiteindelijk zegden zeventien musea toe. "Persoonlijk contact", zegt Duparc, daarin ligt het geheim. "Veel praten, netwerken, maar vooral: zélf langsgaan." Holbeins befaamde Darmstadt Madonna (1529) was slechts één keer eerder uitgeleend. Het schilderij heeft een marktwaarde op Nachtwacht-niveau - vanaf 100 miljoen euro. Het is eigendom van de landgraaf van Hessen. Die heeft een erfschuld en wil het werk eigenlijk verkopen, maar het is beschermd cultureel erfgoed. De Madonna mag Duitsland niet uit. Zelfs een tijdelijk vertrek ligt moeilijk bij de staat.

Duparc kende de landgraaf niet. Gewoon opbellen? Nee, dat doe je niet. Hij ging "op zoek naar een introductie". Hij belde "een vriendje in de diplomatieke dienst", die weer een diplomaat in Duitsland wist die toevallig de landgraaf goed kende. Na maanden strategie, de cirkel steeds kleiner makend, zat Duparc uiteindelijk bij de landgraaf en besprak het concept voor zijn tentoonstelling. De landgraaf vond het goed. Na de toezegging van de landgraaf was Duparc er nog niet. Het Darmstadt museum, dat het schilderij in bruikleen heeft, wilde haar niet laten gaan. De Madonna is het enige topstuk dat ze hebben. Als praten alleen niet helpt, is er uiteindelijk nog het 'wisselgeld'. Duparc beloofde dat het museum een werk uit het Mauritshuis zou mogen lenen. Op dat aanbod gingen ze niet meteen in, aldus Duparc, maar hij kreeg de Madonna wel mee naar Den Haag.

De grens tussen succes en falen in het bruikleenvak is vaak smal. Soms zijn er economische, politieke, of zelfs puur emotionele redenen dat een museum plotseling afhaakt. In Basel bevindt zich verreweg het merendeel van Holbeins vroege werk. Duparc was er drie keer langsgegaan, en had het idee "heel dicht bij succes te zijn geweest".

"Uiteindelijk zijn het dan lokale politici die het tegenhouden. Zij hebben geen boodschap aan het Mauritshuis. De schilderijen zijn sinds ze geschilderd zijn nooit Basel uit geweest. Holbein is hun kind. Men durft hem niet uit te lenen." En na al dat gelobby en getelefoneer zat hoofdconservator Peter van der Ploeg al begin 2003 tevreden voor zijn muur vol A4-kopietjes. Kunsthistorisch was het avontuur voor hem geslaagd: twintig schilderijen geleend, twee van het Mauritshuis, vijftien tekeningen en twee miniaturen. Daarmee kan, aldus Van der Ploeg, de ontwikkeling in Holbeins oeuvre als portretschilder worden getoond. Dat is natuurlijk mooi, maar hoe krijgt een museum publiek binnen? Hoe laat je een tentoonstelling, zoals Van Koetsveld zegt, "vibreren in de samenleving"?

Het Mauritshuis haalde in 1996 een bezoekersrecord van 460.000 met de 22 schilderijen van Vermeer. Rembrandt haalde rond de 200.000 bezoekers. De kosten kwamen uit op rond de 3 miljoen euro. Holbein is volgens Van Koetsveld door de flinke verzekering- en transportkosten even duur om te maken: gemiddeld 25.000 tot 30.000 euro per schilderij, uitgezonderd de niet nader genoemde zeer hoge assurantiesom voor de Darmstadt Madonna. Maar met een zestiende-eeuwse Duitse schilder neemt het museum een groter risico dan met een Hollandse held uit de zeventiende eeuw. Met Vermeer kwam de vraag naar kaartjes al een jaar vooraf op gang. Niet bij Holbein.

Van Koetsveld: "Als je in Engeland in een pub vraagt wie Holbein is, hebben tien van de vijftien mensen het antwoord. De portretten van Thomas More en Cromwell zijn bezonken cultuurgoed. En uit Frankrijk komt nu al de meeste belangstelling voor de tentoonstelling, omdat het culturele onderwijs daar veel uitgebreider is. Holbein is daar een beroemdheid. In Nederland is hij dat niet."

Al in 2001 hebben het Mauritshuis en zijn sponsors Unilever en Rabobank "de markt verkend" of een dure tentoonstelling over Holbein haalbaar was. Het aantal potentiële bezoekers, onder wie waarschijnlijk veel Fransen, Duitsers en Engelsen, werd ingeschat op 100.000 tot 150.000. In Nederland is Holbein volgens Van Koetsveld vooral "onbewust" bekend. Daarom wordt in de marketing Holbein niet alleen gepresenteerd als de eerste "psychologische" schilder, maar ook als een "echte Europeaan".

Van Koetsveld: "De sponsors waren geïnteresseerd in het internationale aspect van het product Holbein. De Rabobank kan zich in Zwitserland profileren als het bedrijf dat de enige Holbein-tentoonstelling in dit decennium mogelijk maakt, en het Engels-Nederlandse Unilever verrast zijn Engelse werknemers met een Engelse schilder in Nederland."

En Holbein wordt de kunstenaar die het beeld van historische helden bepaalde. Van Koetsveld: "Iedereen kent het beeld van de man met de muts dat op het vroegere briefje van 100 gulden stond, alleen weten weinig mensen dat Holbein de schilder ervan was. Wij zullen daarom Rotterdam de komende maanden na de opening nog een marketingtechnische 'Erasmus-tik' geven." De aanpak verschilt dus niet met Vermeer: "Je moet de schilder tot een menselijke maat terugbrengen. Je moet de man tot een bekende maken. Holbein moet 'een emotie' worden. Men moet denken: 'Oh, dát is Holbein'."

'Geen enkel museum zal huilen als het zijn Holbeins niet hoeft uit te lenen'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden