Zondag 15/12/2019

Op zoek naar de buren

Amir D. Aczel. '100 % kans': de zekerheid van intelligent buitenaards leven

Marnix Verplancke

Toen de Verenigde Staten begin jaren negentig opeens beseften dat ze de hoogste staatsschuld van de wereld bij elkaar hadden gespendeerd, gingen ze flink op de rem staan. In zowat alle departementen diende er bespaard te worden en ook wetenschapsbeleid moest eraan geloven. Er werd nogal wat geld verspild aan nutteloos onderzoek, was de teneur, en daar moest een einde aan komen.

Wat dat nutteloze onderzoek zoal inhield, mocht blijken uit het pleidooi dat de uit Nevada afkomstige senator Richard Bryant in 1993 hield: neem nu het SETI-project, stak hij van wal, de Search for Extraterrestrial Intelligence, en er volgde een discours dat veel gelijkenissen vertoonde met een bloedbad. Voor iemand als Bryant, een diehard voor wie de beschaving stopt waar de oceanen beginnen, kon er gewoon geen intelligent leven bestaan buiten de aarde. De wetenschappers zochten dus naar een fantoom en dat moest maar eens ophouden. De Senaat was het met hem eens en de geldkraan werd dichtgedraaid: een besparing van 0,1 procent op het budget van de NASA. Voortaan kon iedere Amerikaanse belastingbetaler zich per jaar vijf dollarcent (2,3 frank) rijker achten.

Gelukkig was er nog een aantal filantropen die het belang van SETI wel degelijk inzagen. Figuren als William Hewlett en David Packard, van het gelijknamige computerbedrijf, en Paul Allen, medeoprichter van Microsoft, brengen een jaarlijks budget van vier miljoen dollar bij elkaar om de zoektocht naar buitenaards intelligent leven aan de gang te houden. Wat het betoog van Bryant zo dom maakte, was niet dat de besparingen die eruit voortvloeiden niet veel meer dan een druppel op een gloeiende plaat waren, maar wel dat hij niet wist waarover hij het had. De kans op het voorkomen van buitenaards intelligent leven is immers niet onbestaande, zoals hij beweerde. Het is praktisch zeker dat er ergens in het heelal wezens leven die net als wij intelligent genoemd kunnen worden.

Waarom dat zo is, toont de Amerikaanse wiskundige Amir Aczel aan in zijn essay 100 % kans, een titel die boekdelen spreekt. Uitgangspunt van het boek, net als van alle boeken die over dit onderwerp gaan, is de vergelijking van Drake. Toen Frank Drake van de Amerikaanse Nationale Academie voor Wetenschappen in 1961 de opdracht kreeg een groot congres over het bestaan van buitenaards leven te organiseren, begreep hij dat hij een uitdagende dobber zou moeten uitwerpen om de grote vissen van het vakgebied binnen te halen. Hij bedacht een formule die volgens hem uitdrukte hoeveel kans er was op intelligent buitenaards leven en daagde de academische goegemeente uit erop te reageren. Zijn formule was N=N*.fp.ne . fl .fi.fc.l.

N is daarin het aantal beschavingen in het sterrenstelsel dat in staat is met andere bestaande beschavingen te communiceren. N* is het totale aantal sterren in het sterrenstelsel, fp het percentage sterren met planeten, ne het aantal planeten met een geschikt milieu voor het ontstaan van leven, fl het percentage planeten waarop ook echt leven is ontstaan, fi het percentage planeten met intelligent leven, fc het percentage planeten met beschavingen die in staat zijn door middel van radiogolven of op een andere wijze te communiceren en l is de duurzaamheid van zo'n beschaving.

In 1961 kon niemand een zinnig woord inbrengen tegen deze vergelijking, en sindsdien is de achting ervoor alleen maar toegenomen. Wat Aczel nu doet, is deze inmiddels toch alweer bijna veertig jaar oude vergelijking bekijken vanuit de huidige stand van de wetenschap. Stuk voor stuk legt hij de parameters onder de loep en komt zo niet enkel tot de conclusie dat we zeker niet alleen zijn in het heelal, hij toont ook feilloos aan dat het vraagstuk over buitenaards leven geen kwestie voor rare kwieten is. Het bevindt zich aan de spits van onze wetenschappelijke bezigheden. Wat het aantal sterren betreft is Aczel formeel: ze zijn niet te tellen. Onze Melkweg bevat er naar schatting zo'n 300 miljard en zoals de Melkweg zijn er miljarden sterrenstelsels. Wanneer we ze zouden willen tellen en we iedere seconde een ster zouden aanwijzen, waren we met onze Melkweg al gauw een jaar of 10.000 bezig. Doe dat maal een paar miljard en je hebt het heelal.

Maar hebben al die sterren planeten, is dan de volgende vraag. Tot 1991 had men nog nooit een planeet buiten ons zonnestelsel waargenomen. De reden daarvoor is simpel: planeten stralen geen licht uit. Je ziet ze dus eenvoudigweg niet. Ze zijn alleen waar te nemen door de minuscule schommeling te meten die ze veroorzaken in de baan van de ster waar ze omheen draaien. Op die manier werden er in 1991 drie planeten ontdekt. De jaren daarop kwamen er nog een paar bij en vandaag kennen we negen planeten buiten ons zonnestelsel. Slechts één daarvan bevindt zich in een goede baan om haar ster om leven mogelijk te maken. Te ver van de zon betekent immers de vriesdood, te dicht verbranding.

Om leven mogelijk te maken zijn de juiste chemische elementen nodig. Cruciaal daarbij is koolstof, het veelzijdigste element, dat heel makkelijk bindingen aangaat en daardoor het cement van ons leven genoemd zou kunnen worden. In het heelal komt koolstof rijkelijk voor. Het ontstaat uit de verbranding van helium in de kern van sterren. Op aarde vinden we het overal, van diamant, wat zuivere koolstof is, weliswaar onder een enorme druk samengeperst, tot in kooldioxide en methaan, de moleculen die de oeratmosfeer uitmaakten. Uit neergestorte meteorieten en kometen weten we dat organische verbindingen die aan de basis van het leven liggen, het heelal doorkruisen.

Maar echt leven is dat nog niet. Hoe en wanneer DNA zich vormt is nog steeds een mysterie. Over het ontstaan van intelligent leven is Aczel optimistisch. Zodra het leven evolueert, neemt de intelligentie toe. Een varken is intelligenter dan een kip en een aap kan zich op zijn beurt weer beter aan zijn levensomstandigheden aanpassen dan een varken. Dat zit dus wel snor: leven en intelligentie gaan gewoon hand in hand. Een groot twistpunt ten slotte is de duurzaamheid van een intelligente beschaving die in staat is radiocontact te leggen. In het slechtste geval is die niet groter dan de paar decennia tussen de ontwikkeling van de radio-ontvanger en het gooien van de atoombom op Hiroshima. De mens lijkt bijzonder zelfdestructief te zijn en niemand weet of dat voor alle intelligent leven geldt. Met al die kennis in het achterhoofd bekijkt Aczel de vergelijking van Drake opnieuw en hij kan niet anders dan besluiten dat er 100 procent kans is dat er op minstens nog één andere planeet in ons heelal intelligent leven is. Het feit dat bijvoorbeeld maar 50 procent van de sterren planeten heeft, of dat slechts 10 procent van de planeten leven kan bevatten, weegt niet op tegen de miljarden en miljarden sterren die er zijn. Zelfs wanneer we aannemen dat er slechts één kans op een biljoen is dat er leven is op een van die 10 procent planeten, dan nog verandert dat weinig aan de einduitkomst. Waarom, zo kunnen we ons dan afvragen, hebben we nog nooit buitenaards leven ontmoet? De reden daarvoor is de afstand. De meest dichtbije ster is Proxima Centauri, die op zo'n 40 biljoen kilometer van de aarde aan de hemel staat te blinken. Als we een ruimteschip met een snelheid van 48.000 kilometer per uur naar deze buur zouden sturen, zou het er over 10.000 jaar arriveren.

Amir D. Aczel, 100 % kans, Prometheus, Amsterdam, 209 p., 795 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234