Zaterdag 16/01/2021

InterviewWitte woede

‘Op televisie zien hoe Maggie De Block en Wouter Beke hun verantwoordelijk­heid ontlopen: dat was wraakroepend’

Beeld Wouter Van Vaerenbergh/ Humo

De helden van 2020 dragen een witte cape. Tijdens de grootste gezondheidscrisis van de eeuw stonden artsen, verpleegkundigen en verzorgers bijwijlen ongewapend in de frontlinie. Het applaus en de bescheiden overheidspremies smaakten bitterzoet: voor veel zorgverleners was corona de druppel die een al overvolle emmer deed overlopen. De witte sector mist handen en middelen, wat tot schrikwekkende burn-outcijfers leidt. We spraken met hen over het coronajaar en hun witte woede.

DE SPOEDVERPLEGER:  ‘GEEN RESPECT’

Een snuifje gezonde chaos brengt urgentieverpleegkundigen niet uit balans, maar het gewoel van 2020 werd zelfs professionele koele kikkers als Klaas D’Hose (27) soms te veel.

Klaas D’Hose.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Klaas D’Hose (spoedverpleegkundige, UZ Brussel): “Het jaar begon als een normale winter: bijzonder druk, maar niets wat we niet konden behappen. En toen kwam plots het coronavirus en was alles onzeker. Het management, de verpleegkundigen, de artsen, de patiënten: eigenlijk wist niemand in de beginweken waar we aan toe waren.”

Waar schrok u het meest van?

D’Hose: “Hoe ongrijpbaar het virus is. Mensen kwamen binnengewandeld met een zuurstofsaturatie van 70 procent – normaal zit je rond de 98. Met zulke cijfers kan een mens normaal niet meer rechtop staan, en die patiënten stonden rustig hun verhaal te doen. Had je mij dat vorig jaar verteld, ik had je niet geloofd: dat moest een meetfout zijn, want het kán eigenlijk niet. Bij andere longontstekingen is meteen het effect te zien wanneer we zuurstof geven, bij coronapatiënten was er nauwelijks reactie. Waarop we ze niet veel later al in coma moesten brengen om ze te beademen.”

Jullie stonden machteloos?

D’Hose: “Ja. De longen van coronapatiënten lijken de ernstige problemen goed te kunnen compenseren, tot de limiet bereikt is. Dan is het te laat.”

Hadden jullie in de eerste weken voldoende beschermingsmateriaal?

D’Hose: “Ja, maar dat was een grote bron van onzekerheid. Er circuleerden vage berichten dat de stock bijna uitgeput was of dat de kwaliteit van de nieuwe maskers niet goed was. Ik kan niet zeggen dat ik me altijd veilig gevoeld heb. Mijn collega’s en ik waren niet zozeer bang voor onszelf, maar wel om het virus mee naar huis te nemen, of voor een grote uitbraak op de spoeddienst. Dat zou een ramp zijn, want je vormt een gewone verpleger niet op één week om tot spoedverpleegkundige.

“Ik ben zelf gelukkig nooit ziek geworden. Ik denk dat het risico op besmetting in een supermarkt groter is dan op de spoedafdeling, waar we allerlei beschermingsmateriaal hebben en de voorzichtigheid heerst. In de supermarkten zag ik na mijn shifts met talloze doodzieke coronapatiënten mensen aan hun neus krabben om dan fruit vast te nemen en terug te leggen, hun masker afzetten om te telefoneren, enzovoort. Totaal respectloos.”

Ergerde u zich dit jaar vaker aan het gedrag van uw medeburgers, ondanks het applaus en de witte lakens?

D’Hose: “Ja. Het applaus was een steun, maar het was uiteindelijk slechts uiterlijk vertoon. Het echte respect voor de zorg zit ’m in het volgen van de maatregelen, in zelf opofferingen doen. Dat is blijkbaar veel moeilijker dan applaudisseren. Hetzelfde geldt voor de beleidsmakers, die steeds bloemetjes gooiden naar ons maar dan wel onzinnige beslissingen namen. Toen de cijfers in Brussel in de nazomer omhoogschoten, werd de mondmaskerplicht afgezwakt. Daar stonden we dan, met elke dag meer zieke patiënten op de spoeddienst. Dat heeft veel boosheid en frustratie losgemaakt, ja, en de premies die we dan krijgen, zijn vijgen na Pasen.

“Als we patiënten in kritieke toestand intuberen, laten we gewoonlijk de familie afscheid nemen. Even dag zeggen of een knuffel geven: dat is heel waardevol voor de patiënt en de naasten. Maar door de verstrengde maatregelen was er geen bezoek meer toegestaan voorbij de deuren van de spoeddienst. Met enig geluk zat de familie in het ziekenhuis te wachten en lukte het alsnog, maar meer dan een halfuur wachten is in zulke situaties vaak onmogelijk. Dus brachten wij patiënten in slaap die misschien nooit meer wakker zouden worden. Wij zijn dan de laatsten die ze gezien hebben. (stil) Het laatste contact met hun familie was vaak banaal, omdat veel mensen in een schijnbaar degelijke toestand arriveerden. ‘Dag, en tot straks aan de ingang!’ Mensonwaardig. Het heeft me veel pijn gedaan om zulke taferelen te moeten aanschouwen. En dat had allemaal niet gemoeten: hadden mensen zich na de eerste piek beter aan de basisregels gehouden, dan waren zulke strenge maatregelen in het ziekenhuis niet nodig geweest en hadden veel patiënten hun laatste momenten niet zo eenzaam beleefd.”

Veel mooie woorden voor het beroep, weinig daden: spoedverpleegkundigen klagen dat al langer aan.

D’Hose: “(knikt) 2020 vat de voorbije jaren eigenlijk samen. Eerst veel respect en praatjes, daarna verdween zelfs dat. Waar is dat applaus gebleven na mei? (lachje)

“Het probleem is dat we overal in het land werken met een minimumbezetting: in de piekmomenten kwamen we gewoonweg handen te kort. We hebben ruimte en personeel voor vijf écht kritische patiënten. Enkele weken geleden kwam ik binnen voor mijn shift en lagen er al acht. Die moesten snel naar een ander ziekenhuis omdat er bij ons gewoonweg geen plaats was. Op rustige momenten kunnen we het aan, maar voor kwalitatieve zorg moet je altijd voorzien zijn op het ergste.”

Hoe minder verpleegkundigen, hoe meer overlijdens en hoe langer de hospitalisatie: dat is intussen zwart op wit bewezen.

D’Hose: “Het gaat niet alleen om overlijdens, maar ook om het comfort van de patiënt. Heb je drie minuten tijd om te luisteren, of moet je na een minuut weer weg? Voelt een patiënt zich echt geholpen en kan die tevreden naar huis? Als dat niet lukt, gaan ook wij ontevreden naar huis. Op drukke momenten met te weinig handen is dat onvermijdelijk.

“Wat je ook kunt opschrijven: hoe minder verpleegkundigen, hoe meer uitval. Ik heb de voorbije jaren heel wat collega’s met een burn-out gezien. Dat kondigt zich vaak aan met periodes van afwezigheid, maar the show must go on. Je moet je nachten draaien terwijl je eigenlijk volledig stuk bent. En net op dat moment scheldt een onbeschofte patiënt met een gescheurde nagel je de huid vol terwijl je een doodziek kind verzorgt: dan loopt de emmer over. Collega’s zijn soms maandenlang uit, wat weer extra druk legt op de anderen.”

Is jullie werk gewoonweg te zwaar?

D’Hose: “Het werk op zich is niet te zwaar, het gebrek aan respect is dat wel. De spoeddienst trekt medewerkers aan die van nature flexibel zijn en weinig last hebben van de chaos. Een grote factor in de burn-outs is agressie: vaak door geïntoxiceerde patiënten, maar ook door bezorgde familieleden. Mensen denken soms dat hun partner binnen de minuut dood op de grond zal liggen, terwijl wij met onze ervaring weten dat er nog tijd is en er bovendien nog veertig ándere patiënten hulp nodig hebben. Waarop we aangevallen worden, soms fysiek. In 2020 is dat gelukkig wat verbeterd, omdat de familie buiten moet wachten.

“De spoeddienst moet altijd bemand zijn, natuurlijk. Mijn collega’s en ik draaien onregelmatige en nachtelijke uren, wat een invloed heeft op ons sociaal leven. Zomaar op café gaan met vrienden, of een ietwat normale werkweek: het is vaak onmogelijk. Het is een prachtige en dankbare job, en die onregelmatige uren nemen we erbij. Maar omdat we met te weinig zijn, worden de werkdruk en vermoeidheid gewoon te veel.”

Hebt u al dikwijls spijt gehad van uw beroepskeuze?

D’Hose: “Geen seconde, het is voor mij nog steeds de mooiste job ter wereld. Je maakt op de spoeddienst het verschil voor mensen – tussen leven en dood, maar ook voor het comfort van de patiënten. Dat trekt me enorm aan.

“Zo goed als niemand kiest voor een zorgberoep om centen te verdienen. We doen het uit overtuiging. We gaan de zorg niet platleggen en opnieuw een witte woede lanceren – dat kunnen we niet maken. Waardoor onze positie kwetsbaar blijft, waarschijnlijk ook na corona.”

DE ASSISTENTEN: ‘100 UUR WERKEN’

Geen enkele beroepsgroep in ons land loopt meer risico op burn-outs dan de ziekenhuisassistenten. Dat zijn de 6.000 Belgische specialisten in opleiding: tussen de universiteit en de werkwereld schipperende twintigers die met hun lage lonen en krankzinnige werkweken de ziekenhuizen draaiende houden. Dat het dagen duurde om een assistent te strikken voor een niet-anoniem gesprek, is veelzeggend: wie klaagt, heet lui te zijn.

Alicja Zarowska.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Alicja Zarowska (assistente chirurgie): “Voor een assistent is het ziekenhuis tegelijk je opleider, je toezichthouder en je werkgever: daarom durft bijna niemand openlijk kritiek te geven. Maar als niemand de problemen aanhaalt, verandert er niets.

“Ik zit in mijn tweede jaar van de algemene opleiding tot chirurg. Omdat tijdens de covidpieken de niet-dringende zorg uitgesteld werd, draaiden we mee wachtdiensten voor niet-chirurgische patiënten en mensen met covid-19. Het was daardoor een veel steviger jaar dan normaal. Het aantal werk- en wachturen is serieus opgedreven. Datgene waarvoor ik eigenlijk in opleiding ben, chirurgische procedures aanleren, kwam veel minder aan bod.”

Hoeveel uur per week werkte je dit jaar? Het wettelijk maximum voor één week als assistent is liefst 72 uur.

Zarowska: “Daar spreken we zelfs niet over: het is veel meer. Zonder corona zit ik wel vaak rond de 70 werkuren, maar in 2020 waren weken met 90 uren voor velen geen uitzondering. De voorbije jaren zijn er stappen in de juiste richting gezet, met onder meer de wettelijk verplichte registratie van arbeidstijden. Het probleem is dat die vaak niet nageleefd en ook niet gecontroleerd wordt. Sommige assistenten worden nog steeds uitbetaald voor een 48 urenweek, en hun overuren worden niet vergoed, waardoor ze in feite functioneren als gratis werkkrachten.

“De meeste verborgen uren zitten in de zogenoemde belwachten. Officieel ben je tijdens je weinige vrije uren thuis niet aan het werk, maar er wordt verwacht dat je op korte termijn naar het ziekenhuis kunt komen om te opereren. Soms duurt dat de hele nacht. ’s Ochtends moet je weer paraat staan om te werken, want voor een belwacht krijg je geen recuperatiedag. Dat wordt allemaal nergens opgeschreven of uitbetaald. Wat ook onderschat wordt: wij moeten als assistenten ook nog studeren, examens afleggen en een thesis schrijven. Daar is binnen onze werkweken zogezegd tijd voor, maar in de praktijk is dat niet zo.”

Ik sprak off the record met assistenten uit andere ziekenhuisafdelingen. Zij hadden soms werkweken tot 100 uur. Hoe kun je dan nog kwalitatief werk leveren?

Zarowska: “Dat kan eigenlijk niet. Het ergste zijn de wachtdiensten van 24 uur: die zijn volledig voorbijgestreefd. Soms kun je tussendoor wat slapen, maar hoe meer werkuren, hoe groter de kans op fouten. Zeker tijdens de laatste uren van zo’n werkdag.”

De assistenten die ik sprak, worden geregeld vernederd door specialisten, die soms hun opleiders zijn.

Zarowska: “(knikt) Als je zulke toestanden aanklaagt, krijg je altijd te horen: ‘Vroeger was het nog veel erger.’ Je ziet het ook bij de assistenten onderling. Er zijn te veel uren werk voor te weinig mensen. Als je uren zou weigeren – waarmee je eigenlijk gewoon de wet zou volgen – zadel je je collega’s op met extra problemen. Omdat je vaak volledig kapot bent, word je kort en onverdraagzaam, zeker na meer dan vijftien uur onafgebroken werken.”

Jonas Brouwers (voorzitter Vlaamse Vereniging voor Arts-Specialisten in Opleiding): “Door de hoge werkdruk ontstaan sneller conflicten. In Nederland is het werkklimaat zachter, daar zijn ook opleiders voorzien die zich helemaal kunnen wijden aan het helpen van de assistenten. Terwijl in België de specialisten, die zelf vaak onder enorme stress staan, ook nog eens jonge artsen in spe moeten opleiden. Dat heeft geleid tot een cultuur van zwijgen en ondergaan. Morgen is er een nieuwe dag, en als je uitvalt, tja, dan val je uit. De overheid weet trouwens niet hoeveel mensen stoppen tijdens of net na hun opleiding, want dat wordt niet bijgehouden.”

Het aantal burn-outs bij assistenten piekt alvast wél.

Zarowska: “Veel mensen praten zichzelf moed in: ‘Dit is tijdelijk. Over vijf jaar is het voorbij.’ Je trekt je natuurlijk ook enorm op aan je eigen vooruitgang. Om specialist te worden moet je nu eenmaal veel uren draaien om voldoende te leren. Daar heb ik geen probleem mee, maar het moet verantwoord gebeuren en de vergoeding moet kloppen.

“De combinatie van alles maakt het soms bijzonder lastig. Ik ben niet veel thuis en als ik er ben, heb ik vaak geen energie. Zoals veel collega’s heb ik ook een partner die assistent is, waardoor we elkaars situatie beter begrijpen. Maar omdat onze wachtdiensten vaak niet overlappen, zien we elkaar héél weinig. Het is niet fijn thuiskomen, alleen, na 24 uur werken. Voor studeren of gezond koken heb je gewoon de moed en energie niet meer. Zeker toen de tweede golf opdoemde, dacht ik: ‘Neen. Dit gaat niet nóg eens.’”

Brouwers: “Zonder assistenten kunnen de meeste Belgische ziekenhuizen niet draaien. Ik hoop dat de coronacrisis die precaire toestand blootlegt. Ons zorgsysteem blijft overeind omdat de grootste medische beroepsgroep bestaat uit goedkope werkkrachten met amper sociale rechten. Assistenten bouwen geen pensioen op, kunnen niet onderhandelen over hun loon en krijgen nauwelijks verlofdagen. Officieel mogen ze gemiddeld niet langer dan 60 uur per week werken, maar de overheid controleert dat amper. In de eerste golf moesten assistenten zonder beschermingsmateriaal covidtesten afnemen, maar hun afwezigheid door ziekte werd niet gedekt door uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid. Bovendien is er nog altijd geen onafhankelijk meldpunt om wantoestanden aan te klagen. Eigenlijk zijn assistenten overgeleverd aan de gratie van het ziekenhuis waaraan ze toegewezen worden.

“Ik denk dat de meeste Belgen dat allemaal niet weten. Wanneer je om vijf uur ’s morgen de spoedgevallendienst binnenkomt, is de kans groot dat je een assistent te zien krijgt. Soms heeft zo iemand al de hele dag geopereerd, om daarna de nacht door te werken op spoed. Dat is niet verantwoord: noch voor de assistent, noch voor de patiënt.”

Kristof Gilissen.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

DE RUSTHUISWERKERS: ‘MASSAAL OPSTAPPEN’

Tijdens de eerste golf veegde het coronavirus in sommige dorpen een volledige generatie ouderen weg. Niet bepaald geholpen door het gebrek aan beschermingsmateriaal – vóór corona vernietigd onder het goedkeurend oog van minister Maggie De Block (Open Vld) – moest het rusthuispersoneel machteloos toekijken hoe het virus zich als een lopend vuurtje door de gebouwen verspreidde. Kristof Gilissen (46) en Andy Vandenryt (42), als geriatrisch kinesisten uit Alken actief in dé hotspot van maart, worden er nog stil van.

Kristof Gilissen (kinesist, vzw Integro Alken): “Het was immens: 52 procent van onze bewoners is in het voorjaar besmet geraakt. Van de 87 bewoners zijn wij er op enkele weken tijd 19 kwijtgeraakt. Dat is telkens afscheid nemen van iemand voor wie je al jaren zorg draagt. De ene dag babbel je met mensen, de dag erop ontwikkelen ze symptomen, en nog een dag later overlijden ze. (stil) Kijk, ik krijg er weer kippenvel van. In het begin dacht ik: het is een griepje. Dat was ook het beeld in mijn omgeving en in de media. Tot ik massaal mensen zag sterven die helemaal nog niet aan het einde van hun leven waren. Dat had een enorme impact op het personeel, des te meer omdat sommige collega’s zélf in het ziekenhuis belandden.”

Andy Vandenryt.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Andy Vandenryt (kinesist, vzw Integro Alken): “44 procent van ons personeel is besmet geraakt. Als gezonde en relatief jonge mens ben ik een maand out geweest. Ik had een week last van koorts en sufheid, daarna was ik drie weken kortademig. Om dan, wellicht iets te vroeg, volledig ingepakt weer te komen werken. Ik herinner me er weinig van, omdat ik overschakelde op automatische piloot. Het voorjaar heeft littekens nagelaten. Ik voel dat mijn collega’s ook nu nog angstig zijn.

“Wij hadden dan nog beschermingsmateriaal omdat onze directie – niet de overheid – kort op de bal heeft gespeeld en via China aan maskers gekomen is. Dat was niet overal zo.”

Valerie* (verpleegster): “Ik werk voor één van de grootste commerciële rusthuisorganisaties van België, en ook bij ons was het ieder woon-zorgcentrum voor zich. Schrapen, smeken, zoeken waar je kon, want van de overheid kwam het materiaal niet.”

Gilissen: “Te horen krijgen dat de strategische stock vernietigd is, en dan op televisie zien hoe Maggie De Block en Wouter Beke hun verantwoordelijkheid ontlopen: het was wraakroepend. Ik word er nog steeds kwaad van.”

Valerie: “Ons personeel moest maskers délen, kun je je dat voorstellen? Bij de aflossing van de shift werd het masker doorgegeven. Dus is het personeel massaal ziek geworden. Zeker in Brussel, waar het virus fel heeft huisgehouden, stappen collega’s nu massaal uit de zorg. Terwijl we net extra handen nodig hebben.

“We hadden tijdens de pieken ook veel te weinig mensen om de bewoners te verzorgen. In de ziekenhuizen heb je vier of vijf paar handen per kritieke patiënt, wij hadden er maximaal twee. Dezelfde zorg met minder mensen: dat is al jaren hét probleem in woon-zorgcentra, en ook nu zijn er daardoor rampen gebeurd.”

De overheden waren niet ongevoelig voor de vraag om meer waardering en strooiden met loonsverhogingen en premies.

Gilissen: “Dat is zeer goed nieuws, maar we hebben vooral meer collega’s nodig. Wij hebben twee nachtverplegers voor 90 bewoners. Als dan iemand valt of diarree krijgt en hulp nodig heeft, heb je nog één medewerker over voor alle anderen. Bewoners raken daardoor soms niet op tijd bij het toilet – mensonwaardig.”

Valerie: “De Vlaamse personeelsnorm voorziet voor ’s nachts één medewerker per 60 bewoners . Dat is onwerkbaar. Twintig jaar geleden kwamen mensen in redelijk goede toestand naar een rusthuis. Nu zijn mensen veel meer zorgbehoevend, maar de personeelsnormen zijn nooit mee geëvolueerd. Die oude mensen brengen niets meer op, redeneren ze in Brussel, terwijl zij wel onze welvaart hebben gebouwd en oorlogen hebben meegemaakt.”

Gilissen: “We zitten op ons tandvlees, zoveel is zeker.”

Zouden jullie je eigen naasten vandaag naar een woon-zorgcentrum sturen?

Vandenryt: “Als rusthuiswerker zou mijn antwoord ‘natuurlijk’ moeten zijn, maar ik weet het eigenlijk niet.”

Valerie: “Ik zeg resoluut neen. Ik heb een nonkel van 94, een oma van 89 en nog een oma van 84. Zij worden alle drie thuis verzorgd, met veel hulp van de familie, en ik weet al te goed waarom. Ik zorg zelf voor de mensen in ons rusthuis alsof ze mijn vader of moeder zijn, maar in deze omstandigheden krijg ik het gewoon niet over mijn hart.

“Ik voel dat de bereidheid om te strijden dit jaar gegroeid is. Het probleem in onze sector is dat er bij een staking een minimumbezetting moet zijn, maar die ligt amper lager dan de gewóne bezetting. Je moet staken met een handvol mensen, want de rest wordt gevorderd. Sowieso is het werk neerleggen nu geen optie, omdat er zoveel personeel thuiszit en we het onze bewoners niet willen aandoen.

“Weet je van wie ik meer verwacht? De familie van bewoners. Wij krijgen als eerste aanspreekpunt de volle laag voor de onderbezetting, maar die is niet onze schuld. De familie ziet met eigen ogen hoe erg het er soms aan toegaat: je betaalt 2.500 euro per maand en er is niemand om je mama te helpen. De échte witte woede moet niet alleen van ons, maar vooral van de families van bewoners en covidnabestaanden komen. Daar ben ik van overtuigd.”

DE HUISARTSEN: ‘ALTIJD DE BOEMAN’

Coronasymptomen? Bel de huisarts. Testcentra? Laat de huisartsen ze runnen. Vaccintwijfel? Ach, dat lost de huisarts wel op. Is er iets wat de dokter níét kan? Uiteraard, zeggen Carmen Binst (30) uit Gent en Joke Versmissen (28) uit Antwerpen: als 2020 niet op improvisatie leek, dan hebt u dat verkeerd gezien.

Carmen Binst.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Carmen Binst (huisarts): “Heel wat mensen kloppen bij mij aan voor vragen over covid-19, en dat is goed, maar ik heb dikwijls geen antwoorden. Het virus is nog maar net onder ons. Dan voel je je machteloos, want mensen verwachten dat hun huisarts zekerheid geeft.”

Joke Versmissen (huisarts): “In de triagepost in Antwerpen kwamen tijdens de eerste golf soms heel zware gevallen langs. Wij moesten bepalen wie we doorstuurden voor een eventuele opname. Sommige mensen leken zeer ziek maar hadden goede waarden, anderen voelden zich best goed terwijl hun saturatie ronduit alarmerend was. De verantwoordelijkheid om zulke ingrijpende beslissingen te nemen over kwetsbare mensen die de taal niet altijd machtig zijn: dat heeft emotioneel héél hard geknaagd. Ik hing soms ’s avonds aan de lijn met bevriende collega’s: had ik patiënt x of y toch niet naar de spoeddienst moeten sturen? Of ik belde dagen later ongerust naar patiënten: ‘Alles oké?’ Omdat ik me schuldig voelde, puur door het gebrek aan referentiekader rond die nieuwe ziekte.”

Binst: “In het begin klonk het dat mondmaskers helemaal niet nodig waren – misschien vanwege het tekort eraan? Maanden later zijn ze niet meer weg te denken uit het straatbeeld. Het is logisch dat de wetenschappelijke kennis snel evolueert in deze fase, maar als huisarts word je geacht antwoorden te geven. Niet weten wat wel of niet correct is: dat vond ik zwaar.”

Versmissen: “Ik was erg bang om het virus door te geven aan kwetsbare patiënten. Uiteraard volgde ik alle richtlijnen, maar wanneer ik hoorde dat er in een rusthuis in de buurt een uitbraak was, vreesde ik toch dat ik het vuur daar aangestoken had. En dat mensen dus zwaar ziek zouden worden of overlijden door mijn fout.

“Ik voelde me soms een speelbal. Als er bijvoorbeeld een test verloren ging in de triagepost, werden mensen boos op mij. Als een testresultaat lang uitbleef of mensen in quarantaine moesten na een hoogrisicocontact, leek dat mijn schuld. Al de opgebouwde frustratie kwam op mij terecht. Dan moet je jezelf blijven oppeppen: ‘Ik help kwetsbare mensen en ik ben goed bezig,’ want dat gevoel had ik niet altijd meer.”

Binst: “Niemand wil in quarantaine, maar dat beslist de overheid, niet wij. Het aantal dagen quarantaine wisselde soms ook: dat was volgens sommigen wéér onze schuld. (lacht) Wij hebben daar niets over te zeggen – wij zijn enkel de boodschappers – maar toch waren wij de boeman.”

Versmissen: “We hebben allerlei beslissingen van de overheid eerst in de krant gelezen voor we officieel bericht kregen. Dat vond ik het meest vermoeiende dit jaar. ‘Je kunt rechtstreeks naar je huisarts stappen voor antistoftesten op covid-19,’ hoorden we in het begin van de crisis in het nieuws. Ah bon? (lachje) We wisten niets, maar natuurlijk stond de telefoon de ochtend erop roodgloeiend. Het was het hele jaar op die manier werken: anticiperen en improviseren.

“Tegelijk heeft het mooie van de mens mij dit jaar geraakt. Die keer dat patiënten hier soep brachten. Die keer dat ik van een patiënt in het opvangcentrum zelfgebreide sokken kreeg. Of die keer dat ik ’s morgens mocht horen: ‘Maar hoe gaat het met ú, dokter Joke?’”

Joke Versmissen.Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Is het huisartsenmodel op zijn grenzen gebotst?

Binst: “De administratieve overlast is al jaren een probleem. We zijn alsmaar bezig met het invullen van papieren, en de beperkte digitalisering helpt daarbij niet. Maar dat is helemaal niet onze taak: wij moeten geen secretariaatswerk doen, wij willen mensen verzorgen. In coronatijden zou je denken dat net die zorg centraler is komen te staan, maar er zijn alleen maar papieren bijgekomen. Een e-form voor een testaanvraag, een laboaanvraag, quarantaineattesten… Dat vreet tijd. Tegelijk heb je nog gewone consultaties en belt er om de haverklap een patiënt met een vraag.”

Versmissen: “We hebben best een zware job, met wachtdiensten en avondwerk. Onze praktijk is een soort bedrijfje dat je zelf moet runnen: naast je rol van verzorger, wetenschapper en psycholoog komt er een managersfunctie bij.”

Binst: “Eigenlijk heeft elke praktijk een administratief medewerker of verpleegkundige nodig om het haalbaar te houden.”

De rompslomp bestond altijd al, maar vroeger was meneer doktoor een man die de administratie overliet aan zijn echtgenote. Dat model is voorbijgestreefd.

Binst: “(knikt) We vragen al lang om die oude structuren te herdenken, hopelijk wordt corona het keerpunt. Het zal de gezondheidszorg op termijn alleen maar efficiënter maken. Wij voeren vandaag veel taken uit die verpleegkundigen even goed kunnen doen, maar die nu wel heel duur zijn voor de maatschappij: bloed nemen, wratjes verwijderen, diabetespatiënten opvolgen. Zonder die routinetaken zouden we ons weer kunnen bezighouden met de essentie van de job, én de ziekenhuizen en specialisten ontlasten: denk aan controleconsultaties na ingrepen of uitstrijkjes.”

Dragen jullie nog voldoende zorg voor jezelf in deze tijden? Het aantal burn-outs bij huisartsen is hoog, en de slechtste patiënt is de dokter zelf.

Binst: “Die boutade gaat voor mij en veel collega’s zeker op. We deden ook pre-corona vaak voort wanneer we ons ziek voelden. Het probleem is niet de work-life balance, maar de patient-life balance. Wij willen zodanig veel doen voor de patiënten dat we onszelf soms wegcijferen.”

Versmissen: “Er is wel een kentering gaande bij mijn generatie van jonge huisartsen. We werken veel minder uren dan vroeger.”

Binst: “In veel wijkgezondheidscentra beginnen huisartsen ietwat normale werkweken te draaien. Dat was enkele decennia geleden totaal ondenkbaar.”

*Valerie is een schuilnaam.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234