Dinsdag 13/04/2021

Op de troon van de Goden

Expeditie Venezuela

Hij opent zijn ogen en staart in de duisternis. Hij sluit zijn ogen, ademt diep in en zucht. Hij draait zich op zijn zij, op zijn buik en dan weer terug. Voorzichtig, want de steenpartij waar hij op ligt is smal. En 600 meter onder hem ligt de jungle. Een halve nacht al probeert Stefan Glowacz de slaap te vatten. Tevergeefs. Het is niet het slapen op een verticale wand dat hem wakker houdt. Dat is hij gewoon.

Door Tom Dauer

Wat Glowacz wakker houdt, zijn vragen: Waarom hebben we gisteren de klimhamer laten vallen? Waarom is de lus in het touw doorgescheurd en is daardoor de zak vol haken, klimwiggen en karabijnen de dieperik in gevallen? "Dat zijn toch voortekens." Net als de regen die elke nacht losbarst. En de wind die langs de rotsen glijdt. Die rotsen zijn zo breekbaar als rottend hout, en dat maakt het klimmen extreem gevaarlijk. "De Goden willen niet dat iemand hun troon bestijgt", hadden de indianen aan de voet van de berg gezegd. Misschien, denkt Glowacz, zit er toch waarheid in dat bijgeloof.

Twee weken tevoren hadden de extreme bergbeklimmers Glowacz, Kurt Albert, Holger Heuber en Ivan Calderon met fotograaf Klaus Fengler, cameraman Jochen Schmoll en dokter Tilo Marschke 400 kilogram bagage in een witte Toyota geladen. Van Caracas reden ze drie dagen lang naar Kavanayen, van het noorden naar het zuidoosten van Venezuela. In het midden komen de Gran Sabana-savanne, de palmhagen en het tropisch woud samen in een immergroen lappendeken. Uit het zacht golvende hoogplateau rijzen zeldzame bergen op: tepuis (scherp afgesneden tafelbergen), 115 in totaal. "Eilanden in de tijd", noemen wetenschappers de tepuis, omdat hun gespleten toppen archieven zijn van de evolutie. "De huizen van de Goden", zeggen de Pemon-indianen, die de Gran Sabana al 600 jaar bewonen.

Het was 19 uur, en net boven de evenaar al pikdonker. In Restaurant Guadalupe hadden Glowacz en zijn reisgenoten zich tegoed gedaan aan rijst en gekookte aardappelen toen Alkalde, de burgemeester van Kavanayen, binnenkwam. Hij richtte zich tot Calderon, die hij al snel als landgenoot had herkend. Wat die vreemden van plan waren? "De Rio Karuai afvaren en de noordwand van de Acopan Tepui beklimmen." Of ze toestemming van de regering hadden? "Hebben we die dan nodig?" Blijkbaar moet iedereen die zich in het land van Pemon beweegt daarvoor de toestemming hebben. "Wat kost dat dan?" Alkalde zweeg. Het duurde uren voor hij had beslist over zijn prijs. De expeditie moest twee indianenleiders met zich meenemen, hen te eten geven en betalen. Tot in Yunek.

Camillo en Roberto hielpen de volgende morgen al meteen stevig mee. Ze hielpen de bemanning met het inladen van drie plooibare kano's: zeilen, haken, karabijnen, rugzakken, tenten, kookgerei en eerstehulpverlening voor achttien dagen. Meel, rijst, aardappelen, noedels, koeken en chocolade, verpakt in waterdichte zakken. Camillo en Roberto, de ene klein en stevig gebouwd, de andere dun en tenger, droegen niks met zich mee behalve hun kleding, een katoenen hemd en een broek. In de rubberboot zaten ze blootsvoets. Geruisloos staken ze hun houten peddels in de Rio Karuai. Ze stuurden hun curiara, een boomstamkano, vlakbij de oever vooruit. Diep ingesneden meandert de rivier door de Gran Sabana, omringd door gaanderijen van wouden.

"Dat ziet eruit als een tunnel van bomen", zei Glowacz. Als kind al droomde de 42-jarige uit Garmisch-Partenkirchen van een leven als ontdekker. Toch studeerde hij eerst voor het beroep van werktuigmaker. Maar hij trainde hard op het klimmen en gaf uiteindelijk zijn beroep op voor een carrière als beroepsklimmer. Hij werd wereldkampioen en trok sponsors aan. Vandaag de dag reist de man door Patagonië, Alaska, Baffin Island, Antarctica, Kenia en Venezuela, om op nooit beklommen toppen te geraken. Dat is ook de bedoeling op de Acopan Tepui. "Omdat er niets mooiers is dan 's morgens het kamp af te breken en te vertrekken en niet te weten waar je 's avonds zult belanden."

Zolang alles goed gaat. Zolang je niet uit de boot valt. Zoals gebeurde door de gigantische stroomkolk die Glowacz en Heuber uit hun vouwkano gooide. Een dag later zorgde een in het water liggende wortel voor een lek in de boot van Albert en Calderon. En op de laatste dag van de afvaart kapseisde de 'persboot' van Marschke, Fengler en Schmoll. Schmolls camerastatief ging in de stroom van de Rio Karuai verloren. Alsof de Goden er iets op tegen hadden gefilmd te worden.

"Dat zijn toch tekenen." Glowacz schudt zijn hoofd, alsof hij er hoorns wil afwerpen. Hij denkt aan zijn drieling thuis, aan zijn vrouw en aan datgene waaraan een man denkt als hij aan zijn vrouw denkt. Tot de schreeuw van een ara hem uit deze halve slaap haalt. Geradbraakt hijst Glowacz zich uit zijn slaapzak en hij rekt zich uit tussen bromelia's, orchideeën en moerasplanten. "Bivakkeren in een serre is dat hier." Een dichte nevel omsluiert de laatste 150 meter die nog tussen de klimmers en de top van de Acopan Tepui ligt. "Het ziet er verschrikkelijk bedreigend uit", zegt Glowacz wanneer ook Heuber, Albert en Calderon wakker worden. Hij is intussen al gestopt een onderscheid te maken tussen reële en gevoelsmatige gevaren.

In hun kano's hadden de klimmers het wat makkelijker. Daar was er immers de Rio Karuai die hen de weg wees. Zeven dagen en honderd kilometer lang volgde de ene peddelslag de andere op. Glowacz' staartbeentje deed pijn en zijn kniegewrichten werden stijf. Avontuur werd routine, maar tegelijk werd het gevoel dominanter dat ergens het gevaar op de loer lag. Een beweging in het woud, een tapir misschien. De vleugelgeluiden van duizenden vlinders die mineraalzout uit de zandbanken op de oevers zuigen. Het geluid van een afgelegen stroomversnelling of een waterval waar men door moest. De constante angst om daarbij op slangen te trappen. Alleen krokodillen moeten de mannen niet vrezen, die leven niet in de Rio Karuai. Omdat er immers bijna geen vis in zit. En ook nauwelijks muggen, omdat de wortels van de oeverplanten nagenoeg alle voedingsstoffen uit het water filteren. Zo houden ze de kringloop van de wouden draaiende. Slechts kleine hoeveelheden humus komen in de stroming terecht en kleuren het heldere water koffiebruin - een zwartwaterrivier. "Kijk goed of er geen nuggets op de grond liggen", zei Glowacz toen de avondzon de rivier deed glanzen en de kiezelstenen er als goud uitzagen. Misschien is zo wel de legende van El Dorado ontstaan, die de Spaanse conquistadores in de jaren 1600 diep het ruige Zuid-Amerika in dreef.

De Spaanse veroveringstochten en de aankomst van de katholieke missionarissen - die de onbekeerden in het Indianengebied wilden bekeren tot werkkrachten - bedreigden het land van de tepuis toch veel minder dan dat dat nu het geval is. Vandaag worden er goud- en diamantmijnen uit de Gran Sabana gekapt, settelen meer en meer mensen zich aan de rand van de in 1962 ontstane Canaima Nationale-parken, en boomt het toerisme aan de Salto Angel, de hoogste waterval ter wereld, als nooit tevoren. De 'oever zonder geschiedenis' waar Alexander von Humboldt in 1799 naartoe reisde, is intussen al lange tijd geschiedenis geworden. Maar nog steeds behelpen de mensen van Gran Sabana, zoals Roberto en Camillo, zich net als hun voorouders. "Hoe zijn die twee eigenlijk van plan hun boomstamkano te dragen?", vroeg Heuber zich af toen de expeditie de eerste van vele watervallen naderde. De twee indianen lieten hun boot gewoon liggen - het bestuur van Pemon heeft immers na elke waterhindernis een curiara klaarliggen. Wie stroomafwaarts peddelt heeft zo altijd een boomstamkano ter vervanging. Zit de reis erop, dan gaat de volgende stroomafwaarts en brengt die de kano terug naar zijn ligplaats.

Vandaag maken de moedige mannen ontbijt: Holger Heuber, de 44-jarige kajakexpert, zet koffie. Kurt Albert, 53 jaar en een levende klimlegende, verdeelt droge koeken. Allebei zijn ze al jaar en dag Glowacz' expeditiegenoten. Een jaar voor deze reis hebben ze de af te leggen weg naar de Acopan Tepui onderzocht. Toen ze de noordwand van de 2.200 meter hoge berg voor de eerste keer zagen, zei Albert: "Ik heb nog nooit zo'n gekke wand gezien." Een rotspilaar die van onder tot boven overhangt. Een banaanprofiel, roodgele zandsteen zonder begroeiing, droog, compact. De gedroomde uitdaging. En nu staan de klimmers op het punt de eerste mensen op de noordpiek van de Acopan Tepui te worden. "Als we daar aankomen", zegt Albert, "noemen we de route 'Vagevuur'." Daar moet immers iedereen voorbij die op de tronen van de Goden wil gaan zitten. "Ik hoop maar dat we niet voor al onze zonden moeten boeten", zegt Glowacz.

Het is nog vijf touwlengtes tot aan het hoogste punt. Als hij zijn klimschoenen wil aandoen, vertrekt Glowacz' gezicht van de pijn. Zijn voeten staan vol kleine rode vlekken en zijn enkel is gezwollen. De steken van de Jejen, een zandvlieg, jeuken ondraaglijk. "La Plage", de plaag, noemen de Pemon deze muggen. "Ik word nog gek", zegt Glowacz. Onder de nagel van zijn linkse grote teen hadden de Jejenmuggen eitjes gelegd. Maar nog voor de maden konden uitkomen, sneed Glowacz hun nest weg. Die wonde drukt nu tegen zijn klimschoen. "Dat is al de straf van de Goden."

Nadat het team vlak voor Yunek was beland, marcheerden de zeven mannen door het kniehoge gras van een indianennederzetting. Achter het dorp steeg rook op. De humusarme grond van de Gran Sabana dwingt de Pemon al honderden jaren tot het verbranden van hun gronden. Het vuur vernielde het woud dat tussen het droogte- en het regenseizoen groeide. En op de open vlaktes groeide niets dan maniok, een aardappelachtig gewas waarvan de knollen worden geroosterd en tot meel vermalen. Het brood dat daarvan wordt gebakken ziet er volgens Glowacz uit "als een badhanddoek en smaakt als zeep." De Indianen koesteren de maniok en zo hun jacht om te overleven.

Aan het ronde gemeentehuis van Yunek met zijn spitse palmdak stapelde de groep van Glowacz hun bagage. Voor de hutten van het dorp stonden stoffels en machetes. Fietsen, speelgoed, banken: niets daarvan. Geen stroomkabel, geen antennes, geen waterkranen. In plaats daarvan stoffige gronden en hangmatten. Het duurde niet lang of Glowacz en zijn kompanen waren omsingeld door dorpbewoners. Jongens en meisjes. Een moeder met een zuigeling in een draagdoek. Een man met een blaaspijp, pijlen en drie dode vogels in de hand, net terug van de jacht. Zwijgend naderden ze de vreemdelingen. Tot Alkalde in jeans en kakihemd uit de menigte stapte. "Ik ben Leonardo." De man van wie het succes van deze expeditie afhing.

"Wij willen via een nieuwe route de Acopan Tepui beklimmen", zei Ivan. "Waarom willen jullie dat doen?" "Het is onze roeping, wij zoeken het avontuur." "De Goden gaan daar niet blij mee zijn."

Dat was niet zomaar een legende. Hoewel Leonardo zich als jonge man tot het evangelische geloof heeft bekeerd, is hij toch goed op de hoogte van de mythes en overleveringen van zijn voorvaders. Hij ziet zichzelf als een deel van de spirituele kosmos, die de omgeving van Pemon samenhoudt. Een kleine knop in een net van mythische relaties tussen planten, dieren en mensen. Een spanning die niet door foute gedragingen verstoord mag worden. "De hemel zal verduisteren, de Goden zullen wenen."

Sinds de expeditie in Venezuela was gestart, had het niet geregend. Maar op de volgende dag, nadat enkele dorpbewoners hadden geholpen om de bagage naar het basiskamp te dragen, zette de hemel haar sluizen open. Van toen af regende het dagelijks.

Met de hulp van Leonardo maakten Glowacz en zijn mannen een effen stuk jungle vrij aan de voet van de Acopan Tepui. Die plaats had niet beter gekozen kunnen worden. Een riviertje voorzag de expeditieleden van water. Snel werden drie tenten opgezet en werden de klimuitrusting en het eten overdekt tegen de hitte. Maar tegen de regen, die nacht na nacht aanhield, was weinig te doen. De regen maakte van het riviertje een stroom die de slaapzakken, jassen, broeken en levensmiddelen bevochtigde. Leonardo, die de drukte in het basiskamp nauwgelet in de gaten hield, stoelen en een tafel bouwde maar toch de nodige afstand bewaarde, was niet verbaasd over de regenval. "Niemand van jullie", zei de 45-jarige man, "mag alleen door de jungle gaan. En zeker niet 's nachts." Blanke mannen zouden in de duisternis de Tepui afdalen om mensenzielen te roven. Roberto, die de expeditie over de Rio Karuari had begeleid, zei daarna dat hij alleen op jacht zou gaan. Hij wordt al vijf dagen vermist.

Een wirwar van struiken en klimplanten lag tussen het basiskamp en de rotswand. Boom na boom, de takken in mekaar geweven met ertussen mos, lianen en vlechten. De klimmers sloegen met hun machetes een weg vrij. "Het is hier bijna zoals klimmen", zei Glowacz. "Klimmen tussen toppen van bloemen." Vanuit de Acopan Tepui ontstaat een gigantische waterval die gelukkig zo overhangend is dat Glowacz, Heuber, Albert en Calderon achter het watergordijn droog bleven. In groepjes van twee zochten ze, dag per dag afwisselend, een weg tussen het verticale labyrint. Klimmen onder het zwaard van Damocles: de rots was niet zo compact als gehoopt, maar eerder een grote hoop steengruis. Brokken zo groot als telefoonboeken kwamen van de wand af. Bij de minste beroering kwamen gigantische stukken los die pijlsnel de diepte in vielen. "De wand geeft een schop", zei Glowacz toen er een vuistgrote steen over zijn schouder de dieperik in viel. De linkervoet op een smalle leisteen, de rechtse tegen de wand geduwd, zocht hij naar evenwicht. Terwijl hij zijn adem inhield, klom Glowacz een meter terug. Hij probeerde het dan langs rechts, overal gruis. Links was er een kleine barst waarin hij een klem kon bevestigen. Een kleine vorm van zekerheid, waardoor Glowacz opnieuw verder durfde te kijken. Hij maakte een haak vast in de barst waarmee hij zich omhoog kon trekken. Maar dat was niet wat hij wou. Hij wilde vrij klimmen, met natuurlijke stoppunten, het touw en de haken slechts ter beveiliging meedragend. Hij wilde de wand eerlijk overmeesteren: met zijn expertise en zijn spierkracht, zijn ervaring en zijn wil. Hij wilde zijn kans grijpen op deze wand. Een lossere grip, een beweging naar ginder, Glowacz viel, zijn voeten verloren contact met de rots, drie, vier, vijf meter. Tot een sterk zeil hem tegenhield. Vier uur had Glowacz nodig om de volgende kampplaats te bereiken. Vier uur voor vijftig meter. Vier uur in het vagevuur.

Voor de laatste keer klimt hij los. Met vlinders in de buik maakt hij nerveuze bewegingen. Hoewel hij niet weet wat hem te wachten staat, wordt zijn klim met elke meter zekerder. Lenig als een kat, beweeglijk en zonder zijn krachten te verspelen, trekt en duwt hij zich naar boven. Beneden: lucht. 600, 700, 750 meter leegte. Vijf touwlengtes droomklimmen.

Dan geeft Glowacz een laatste ruk, hij drukt op zijn ellebogen en zet zijn rechtervoet op de steile rotskant. Hij richt zich op. Hij zet de ene voet voor de andere, zonder twijfel, zonder nadenken, zonder angst. Hij trekt zijn touwpartner omhoog tot op het hoogste punt. Ze omhelsen zich, geven een high five. Nooit eerder heeft een mens op deze plaats gestaan. Nooit eerder heeft iemand het plateau van de Acopan Tepui beklommen. De 'Lost World' van Arthur Conan Doyle ligt voor Glowacz, Heuber, Albert en Calderon uit. De coulissen van Steven Spielbergs Jurassic Park. Diepe dalen, hoge wanden, rivieren en watervallen. Het vagevuur als teletijdmachine, terug naar de geschiedenis van de aarde. Een halfuur genieten de klimmers van het uitzicht, en dan begint het te regenen. Een storm komt opzetten. "Het is al goed", zegt Glowacz. "Wij zijn al weg." Pas twee dagen later, nadat de expeditie Yunek heeft verlaten, zal het stoppen met regenen. Op het moment dat de Goden hun troon weer helemaal voor zich alleen hebben. n © Stern

dag 10 * ca. 600 m. Einde van de wand

moeilijkheidsgraad 5 tot 3

dag 9 * ca. 500 m. moeilijkheidsgraad 7 tot 8-

dag 8 * ca. 400 m. derde bivakplaats

dag 6 * ca. 350 m. moeilijkheidsgraad 8+

tot 9

dag 5 * ca. 250 m. tweede bivakplaats

ca. 180 m. moeilijkheidsgraad 7+

tot 8+

dag 3 eerste bivakplaats

dag 2 * ca. 80 m. moeilijkheidsgraad

7 tot 8-

Nooit eerder heeft een mens op deze plaats gestaan

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234