Vrijdag 28/01/2022

Op de rand van de kitsch, maar net niet erover

'Je moet de inspiratie rechtstreeks bij het volk halen en wie dat niet doet, zal met zijn werk alleen maar min of meer ingenieus naäpen wat hij wilde verwezenlijken.' Aldus Manuel de Falla in 1917. Na het bekijken van de voorstelling die Herbert Wernicke in de Munt onder de titel ¡Ay, amor! uit diens El amor brujo en La vida breve heeft samengesteld, is de eerste vraag: welk volk?

Bij de eerste opvoering van El amor brujo, in Madrid in 1915, vond de kritiek het stuk maar "weinig Spaans" en zelfs "verfranst". Nu zet Wernicke van bij het begin op zijn ronde speelvlak (dat ook zijn alomtegenwoordige, de verpletterende leegte van de tijd symboliserende wijzerplaat is) de clichés van Spanje, of beter Andalusië, neer: de torero en de gitarist. In het midden zit wijdbeens op een stoel de zigeunerin Candelas (Wernickes echtgenote Désirée Meiser) en zingt de canto jondo. Van achter haar stijgt haar dubbelgangster op, de danseres Natalia Ferrandiz Quesada. Zij draait veel en slangachtig met haar handen en stampt af en toe met haar stevige hakken op de houten planken. Achtereenvolgens evolueren dan nog over of rond het speelvlak: dertien boetelingen met puntkappen en kruisen, vuurtjes uit twaalf stenen op de plaatsen waar de uren op de wijzerplaat staan, twee jongetjes die met een fietsstuur en een jas corrida spelen, een begrafenisstoet, een mannetje met een wijzerplaat, de inmiddels verdwenen torero en gitarist met doodskopmaskers op, nogmaals de dertien boetelingen maar in witte pijen en met kaarsen.

Wellicht moet dit alles op surrealistische en suggestieve wijze de archetypen van Andalusië ("het volk" dus) oproepen, alsook de andere personages die in de - gedeeltelijk geschrapte - dialogen van de eerste versie van El amor brujo worden aangeduid. In de steeds - en dat is een beetje te vaak - wisselende belichting van het halfronde achterdoek lijkt veel daarvan echter onhandig en onecht in plaats van geabstraheerd. Dat geldt ook voor de zang - in België zijn betere en authentiekere (Spaanse) beoefenaars van de canto jondo te vinden - en de dans. Zo is het toerisme niet ver. Folklore in plaats van volk.

Dat toerisme slaat met volle kracht toe in La vida breve. De flamencodansen die de Spaans-Brusselse choreograaf Antonio Martinez hiervoor heeft ontworpen, bevestigen enkel het cliché. Is dat de bedoeling, omdat het toch de "slechte""kapitalisten zijn die het feestje hebben besteld? Mogelijk, maar zo had de Falla het niet bedoeld. Het is een goede en juiste zaak dat de klassentegenstellingen in dit stuk duidelijk worden aangegeven, maar zij kunnen niet zo maar gelijkgesteld worden met de tegenstelling tussen authenticiteit en folklore of tussen ware en valse gevoelens.

Wernicke is natuurlijk een te bekwaam regisseur om in dit gemiste uitgangspunt niet nog enkele prangende en dubbelzinnige situaties en beelden te vinden, die zich daar bewegen waar ook de muziek van de Falla zich bevindt, namelijk op de rand van de kitsch en niet erover: de grootmoeder die haar boezem en haar gelijk voor zich uit draagt maar toch vergenoegd en wellicht ook berekenend toekijkt op de vrijpartij van Salud en Paco; Paco die tijdens het liefdesduet even op zijn horloge kijkt om te zien of het niet al tijd is voor zijn echte verloofde; de sterrennacht die tijdens het intermezzo als een gescheurd papier neerdaalt over Granada; de oom die de in zwijm gevallen Salud wegsleept en zo misschien haar dood bespoedigt; het Heliogabalus-effect, waardoor de dode Salud bedolven wordt onder bloemblaadjes; het stille einde met het door een gitaarchaconne begeleide wiegelied van García Lorca. Niets daarvan is geniaal en niets ontoelaatbaar triviaal; het hangt van het verwachtingspatroon van de toeschouwer af of hij een traan wegpinkt of geërgerd zucht.

Maar zelfs al deze dingen samen maken de voorstelling niet tot een mokerslag in het hart van die toeschouwer (nochtans komt de oom steevast met zo'n moker aandragen om Paco de schedel in te slaan). Dat ligt er misschien ook gedeeltelijk aan dat op een indringende Cheryl Barker (Salud) na, de zangers niet echt het niveau hebben dat deze muziek vereist: Livia Budaï-Batky is wel erg overtuigend in haar grootmoedersrol maar de stem is enigszins stijf; de tenor César Hernández (Paco) is zowel vocaal als scenisch een slijmjurk. Zelfs een rol als die van de oom mag meer contouren krijgen dan Brian Bannatyne-Scott ze hier geeft; de kleinere rollen zijn acceptabel maar ook wat bleekjes bezet, vaak met zangers uit het koor van de Munt.

De jonge Amerikaanse dirigent Mark Stringer benadert beide werken op een vrij elegante manier. Voor La vida breve, dat om een groot symfonisch apparaat vraagt, kan dat verantwoord zijn, al mag er een groter contrast worden geschapen tussen de brute gevoelens van de arbeiders en de fiesta-sfeer bij de fabriekseigenaars. El amor brujo, waarvan hier de eerste versie voor klein ensemble te horen is, vraagt om een expressionistischer, "modernere" behandeling. Het akoestische effect van de hogere opstelling van de instrumenten draagt daartoe bij maar Stringer lijkt niet echt de man om ook de expressieve lelijkheid een kans te geven. Wernicke met zijn mooie beelden op het toneel spijtig genoeg evenmin. Stephan Moens

Nog voorstellingen in de Munt op 27, 28, 29 en 30 januari en op 3, 4 en 5 februari om 20 uur; op 1 februari om 15 uur. Op 27 en 29 januari en op 1 en 4 februari zingt Sonia Theodoridou de rol van Salud.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234