Maandag 17/01/2022

Op de barricaden voor de beschaving

Berichten uit de Spaanse burgeroorlog van John Sommerfield

John Sommerfield

Vrijwilliger in Spanje

Uit het Engels vertaald door Paul Syrier Oorlogsdomein nr. 3, De Arbeiderspers, Amsterdam, 172 p., 730 frank.

In de reeks 'Oorlogsdomein' van De Arbeiderspers verscheen zopas het derde deel. Vrijwilliger in Spanje is een bericht uit de Spaanse burgeroorlog van John Sommerfield. De jonge Engelse schrijver Sommerfield en zijn vriend John Cornford zijn een bezienswaardigheid wanneer ze in de zomer van 1936 samen met andere vrijwilligers in Parijs op de trein naar Spanje wachten. In afwachting van hun vertrek kopen de twee piepjonge Britten een pistool. Of ze met het ding zelfs maar een hond op twintig passen zouden kunnen raken weten ze niet, maar de revolvers liggen goed in de hand, "de korte lopen waren koud en glanzend en uit het kleine ronde zwarte gat aan het uiteinde kon, zo stelden we ons voor, de dood komen, ontketend door onze eigen hand". Het moreel van Sommerfield en Cornford kan niet meer stuk. Bovendien weten ze waarom ze vechten. Wanneer ze later in de buurt van Madrid soldaten van de Thälmann-brigade voorbij zien marcheren, beseffen de Engelsen dat deze Duitse vrijwilligers, van wie een aantal in Duitse concentratiekampen heeft gezeten en er ongetwijfeld werd gefolterd, op weg waren "om te vechten en te sneuvelen voor de enige zaken ter wereld die de moeite waard zijn om voor te vechten en te sneuvelen." Voor het geval dat de lezer niet zou weten welke zaken zo de moeite waard zijn, vermeldt Sommerfield in de volgende alinea dat hij daarmee natuurlijk rechtvaardigheid en vrijheid bedoelt. En als ze in de universiteitswijk in Madrid tegenover Marokkaanse troepen staan, doet Sommerfield er nog een schep bovenop. "De inzet van onze strijd was voor de beschaving even belangrijk als de gevechten op de vlakten bij Tours en Poitiers, toen het leger van Karel Martel de binnenvallende Moren had teruggeslagen en het tij dat Europa overspoelde had gekeerd."

Vrijwilliger in Spanje is een aandoenlijk verslag van een gedreven idealist. Sommerfield vindt het alleen doodjammer dat hij geen werkelijke karakterbeschrijving van zijn kameraden heeft kunnen geven, een ontoereikendheid die hij diep betreurt. Dat mankement doet niets af aan de kwaliteiten van het boek, wel integendeel. Precies omdat Sommerfield zich beperkt tot een bondige schets van zijn strijdmakkers, begrijp je des te beter wat kanonnenvlees betekent. Het leven van een aardige of moedige man stelt niets voor. Vrienden sterven als vliegen. Er is geen tijd om te treuren. Sommerfield beseft dat hun leven afhankelijk is "van de grillen van exploderende granaten, die ons blind uitkozen, als de schop van een tuinman die in de aarde sneed en lukraak wormen vermoordde". Wanneer een vriend door een dom ongeval met een vrachtwagen omkomt, is het verdriet vermengd met spijt, want de dode had whisky bij zich gehad die hij die avond zou uitdelen.

Sommerfield loopt evenmin op kousenvoeten om de brutaliteit van de oorlog heen. Hij struikelt over een laars en blijft staan om ze op te rapen, want ze ziet er beter uit dan die van hem. De laars is zwaar. Er zit een voet in. Aan het front slaapt hij onder een deken die vies riekt, maar alles is beter dan de kou. De volgende morgen merkt hij dat de deken doordrenkt en stijf is van het opgedroogde bloed. Ergens begint een hond te likken aan de smurrie van de hersenen van een gesneuvelde soldaat. Een makker van Sommerfield schiet de hond dood. "Dat moet," zegt hij. "Anders gaan ze mensenvlees lekker vinden. En dat is niet goed."

Waar hij kan schreeuwt Sommerfield zijn idealisme uit. Met gebalde vuist zingt hij de Internationale, hij luistert gretig naar de ene na de andere banale propagandatoespraak, pepert de lezer herhaaldelijk in dat ze in tegenstelling tot andere oorlogen wél wisten waarom ze vechten en eindigt met een ode aan zijn vriend John Cornford, die sneuvelde op de dag dat hij eenentwintig werd. Het is vandaag makkelijk om dat soort idealisme suspect of zelfs onnozel te vinden. De Spaanse burgeroorlog een simpele strijd tussen volksfrontregering en fascisten? We weten nu wel beter, maar niemand kan het Sommerfield in de herfst van 1936 kwalijk nemen dat hij niet op de hoogte was van de concurrentiestrijd tussen de vele communistische en anarchistische partijen en dat hij niet zag dat zijn grote vriend Stalin een cynisch spelletje om de macht speelde.

Het is jammer dat De Arbeiderspers Sommerfield in haar nawoord weinig of niet situeert. Aart Aarsbergen geeft een samenvatting van de Spaanse burgeroorlog, legt uit wat de Internationale Brigade was en waarom de republiek de strijd verloor. Maar wie was Sommerfield? En welke plaats nam hij in de Engelse artistieke kringen in toen die burgeroorlog losbarstte? Sommerfield was in ieder geval een bijzondere figuur. Dichter, romanschrijver, agent van Mass-Observation, later zelfs een carrière in film, radio en televisie. Hij was een van die zogenaamd proletarische schrijvers, linkse intellectuelen die trots het etiket 'werker-schrijver' op hun schrift plakten. Spanje deed het gemakzuchtige literaire milieu exploderen. Wie voor Franco was, verschool zich, de anderen ontdekten voor het eerst een zaak waarvoor ze bereid waren niet alleen hun pen maar ook hun leven in bloed te dopen. Geen enkel ander conflict heeft de angsten en de hoop van schrijvers en kunstenaars in de jaren dertig zo gefascineerd als de Spaanse burgeroorlog. Het leek wel alsof de muze van de oorlog alle linkse intellectuelen mobiliseerde. De klaroenstoot werd en masse beantwoord. W.H. Auden, Stephen Spender, Louis MacNeice, Laurie Lee, Herbert Read, George Orwell, Cecil Day Lewis, Cyril Connolly, Philip Toynbee, het was dringen voor een plaats in een trein naar Spanje. Een aantal vocht mee, sommigen sneuvelden, zoals John Cornford en Julian Bell, de zoon van Vanessa, zuster van Virginia Woolf. Hoewel Cornford jonger was dan Sommerfield, was het de jonge student Cornford die zijn vriend overhaalde om mee naar Spanje te trekken. Niet iedereen was bereid om blind voor het communisme te strijden. In Homage to Catalonia geeft Orwell toe dat hij een voorsmaakje had gekregen van het echte socialisme. Het was niet als compliment bedoeld. Dezelfde Orwell vond Sommerfields Vrijwilliger in Spanje overigens maar een staaltje van onvervalste sentimentele onzin.

Na de oorlog bekoelde het enthousiasme voor de goede zaak. Bij de thuiskomst van de 'soldaat-schrijvers' in Engeland bleek al meteen dat de Spaanse burgeroorlog niet te exporteren viel. Schrijnend was het vertrek van W.H. Auden en Christopher Isherwood naar de Verenigde Staten toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In Put Out More Flags maakte Evelyn Waugh brandhout van Auden en Isherwood, die hij voor de gelegenheid Parsnip en Pimpernel noemde. "Wat ik niet begrijp," zegt een personage in zijn roman, "is dat die twee beweren dat ze hedendaagse schrijvers zijn terwijl ze weglopen van de allergrootste gebeurtenis in de hedendaagse geschiedenis." De rechtse Waugh had goed lachen, maar eigenlijk was er op dat ogenblik al nergens meer iets van de Spaanse furie te merken. Sommerfield werkte voor Mass-Observation, het gigantische project waarin duizenden vrijwilligers miljoenen Britten observeerden en noteerden wat ze aten en dronken, hoe ze sliepen en vrijden, wat ze dachten en voelden. Sommerfield schreef een rapport over de stamgasten van de Engelse pub.

Sommerfield de conformist? Nog niet in 1936. Dan bestaan er voor hem nog altijd geen twijfels. Zijn oorlog is doorzichtig als glas. Alles en iedereen staat trouwens symbool voor het apocalyptische gevecht tussen goed en kwaad. In La Roda ontdekt Sommerfield een prachtige kerk, massief, fraai geproportioneerd, ingetogen van ornamentering, gracieus. Maar dan verdwijnt plots die appreciatie en maakt plaats voor afschuw. Daar staat die kerk, "haar schoonheid arrogant en dreigend, haar schaduw een verderfelijke plaag, (...) dikke muren, waarachter een oeroude wraakachtige stilte loerde". Een rode vlag wappert aan de toren, en alle reactionairen, zoals de priester en de landeigenaar, zijn zeker doodgeschoten. En in een huis op het platteland valt zijn oog op een portret van de gevluchte eigenaars. "Ze staarden vanuit de vergulde lijst met een geforceerde, minachtende uitdrukking op hun gezicht, saai, welvarend ogend, stompzinnig en met zelfingenomen blik. Ze vertegenwoordigden het soort mensen tegen wie we vochten." Een rudimentaire gedachte? Blijkbaar, want Sommerfield begrijpt dat hij de lezer meer uitleg is verschuldigd. Hij geeft toe dat hij weliswaar sympathie voelt voor een banaal stel van middelbare leeftijd waarvan het leven plotseling was ontworteld, ja, als individuen hadden ze waarschijnlijk een onschadelijk bestaan geleid, maar uiteindelijk "hadden ze niets begrepen en geweigerd in te zien dat de doelloze, onbeduidende leegte die hun leven was berustte op de enorme druk van armoede en onrecht".

Sommerfield is verstandig genoeg om de kraan van de propaganda nu en dan dicht te draaien. Nuchter somt hij de vele onvolmaaktheden in de Internationale Brigade. Als hij zich aansluit bij de Compagnie mitrailleuse blijkt dat er maar honderd geweren zijn voor tweeduizend manschappen. Bovendien zijn de wapens ofwel stokoud of nauwelijks te gebruiken. Zo zijn de mitrailleurs St.-Etiennes, die het Franse leger na een maand oorlog in 1914 had weggegooid of voor oud ijzer verkocht. Verder zien de vrijwilligers er als vogelverschrikkers uit. Sommigen krijgen patroongordels, "sommigen sokken, sommigen petten, sommigen vesten, sommigen laarzen, sommigen een riem voor hun bajonet, sommigen een sjaal, sommigen handschoenen". Wanneer de troepen in Madrid arriveren kijken de inwoners naar hen "met een blik alsof we te laat waren en alleen maar op tijd waren gekomen om te sterven". Diepgaande kritiek op de gang van zaken geeft Sommerfield nooit. Als ze honger en kou lijden of uren en soms dagen moeten wachten, ontwikkelt hij een "dierlijke passiviteit, een apathisch oosters fatalisme", want dan gaat de tijd het snelst voorbij. En altijd en overal is er de absolute zekerheid waarom ze vechten.

Wie de propaganda van Sommerfield onverteerbaar vindt, vindt soelaas in zijn sfeerbeschrijvingen. Hij mag dan een communist zijn, hij is en blijft ook een Engelsman die van de natuur houdt en droomt van een glas whisky bij het open haardvuur. Een romanticus pur sang. Net als Isaak Babel in Rode ruiterij voert Sommerfield de lezer binnen in een parallelle wereld van schoonheid, rust en stilte. Op het schip van Marseille naar Alicante zingt een van de zeelieden met zachte stem een flamenco. Wanneer ze in de heuvels buiten Madrid posities innemen, vliegen Italiaanse bombardementsvliegtuigen over, "hun vorm was sinister en wierp vlietende dodelijke schaduwen op de grond, als die van enorme haviken". In de velden liggen vers geploegde voren, boeren brengen de wijnoogst binnen, de bossen kleuren rood en goud en geel in het late herfstlicht. En de oorlog? Die is simpel. Er is beweging, je schiet, en de beweging houdt op. Joseph Pearce

Niemand kan het Sommerfield in de herfst van 1936 kwalijk nemen dat hij niet zag dat zijn grote vriend Stalin een cynisch spelletje om de macht speelde

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234