Maandag 24/01/2022

Op bevel van God

Paul Cliteur onderzoekt de multireligieuze samenleving

Paul Cliteur

Moreel Esperanto

De Arbeiderspers, Amsterdam, 224 p., 22,50 euro.

Over de relatie tussen geweld en religie schreef de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur het boek Moreel Esperanto, waarin hij wijst op het gevaar van een religieuze ethiek en pleit voor een autonome kritiek binnen een neutrale staat. Door Dirk Verhofstadt

De moord op Theo van Gogh zorgde voor een schokgolf door Nederland, een land dat steeds geroemd werd om zijn tolerantie jegens andersdenkenden. Niet alleen de moord zelf werd verafschuwd maar ook de manier - de moordenaar schoot eerst zijn slachtoffer neer, stak dan een mes in zijn lichaam met een waarschuwing tegen Ayaan Hirsi Ali en plantte ten slotte een tweede mes op rituele wijze in de borst van de man. Bij zijn verdediging verantwoordde Mohammed Bouyeri zijn daad niet als wraak op de islamonvriendelijke uitspraken van de cineast, maar louter en alleen als een religieuze plicht. "De profeet heeft opdracht gegeven heidenen te doden", zo verklaarde Bouyeri in de rechtszaal en hij zou het opnieuw doen. Voor de moordenaar is de letterlijke tekst van het geloof belangrijker dan de wetten van het land waarin hij leeft. Toch hoorde je na de moord heel wat sussende stemmen, dat de moord niets te maken had met religie en dat religie niet aangewezen kan worden als oorzaak van gruwelijke uitwassen. Maar is dat zo?

Paul Cliteur kreeg bekendheid met zijn ophefmakende boeken Moderne Papoea's en Tegen de decadentie, en als de scherpzinnige columnist van het programma Buitenhof, waarin hij het cultuurrelativisme en de orthodoxe islam aan de kaak stelde. Daarbij keerde hij zich tegen de al te verdraagzame houding jegens de onverdraagzamen in de Nederlandse samenleving. Op 28 maart 2004 trok hij zich onverwacht terug uit het publieke debat. Hij voelde zich niet langer veilig en ergerde zich aan uitspraken als zou hij racistische uitspraken hebben gedaan. "Ik weet, ik ben geen held. Meer een kamergeleerde. Ik heb behoefte aan rust", zo verklaarde Cliteur. De voorbije twee jaar werkte hij hard aan dit boek, dat terecht beschouwd kan worden als zijn magnus opus, de kwintessens van bijna twintig jaar onderzoek naar de manier waarop mensen samenleven. Onze samenlevingen zijn niet alleen multicultureler, maar vooral multireligieuzer geworden. Dat leidde de voorbije jaren tot grote problemen en doet de auteur besluiten dat er dringend behoefte is aan een basisconsensus over een aantal uitgangspunten, net zoals dat in het verkeer het geval is. In die zin moet men ook een aantal grondrechten aanvaarden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Om een multireligieuze samenleving in goede banen te kunnen leiden is volgens Paul Cliteur een soort 'moreel Esperanto' noodzakelijk, een taal die iedereen begrijpt en volgt. De auteur benadrukt keer op keer dat hij daarmee geen pleidooi houdt voor atheïsme of dat hij zich keert tegen de religie als zodanig. Wat wel nodig is, is een autonome ethiek die losstaat van de religie, en dit binnen een neutrale staat. Hiervoor baseert hij zich op ideeën van verlichte filosofen als Kant, Bentham, Mill, Voltaire, en politieke filosofen als Madison en Jefferson. Het grootste aantal bladzijden besteedt de auteur aan de ontleding en de impact van de 'goddelijke bevelstheorie' die vandaag de basis vormt van de religieuze ethiek die tal van mensen voorstaan. Een soortgelijke ethiek stond centraal in elke geopenbaarde godsdienst. Denk aan de aartsvader Abraham, die van God het bevel kreeg om zijn zoon te offeren en dat ook zou hebben gedaan mocht men hem daarvan op het laatste moment niet hebben weerhouden. Gelovigen beschouwen dit als een 'logische' gehoorzaamheid. Sören Kierkegaard noemde het de religieuze plicht als uitdrukking van Gods wil. Maar anderen zien de houding van Abraham als een ordinaire moordpoging. "Godsdienst kan een mens stekeblind en wreed maken, juist door de gehoorzaamheid", zo schreef Guus Kuijer in zijn boek Hoe een klein rotgodje God vermoordde.

Volgens de overlevering kreeg Mozes de Tien Geboden rechtstreeks van God. De Spaanse filosoof Fernando Savater legt in zijn boek De Tien Geboden uit dat die het product waren van hun tijd, maar niet langer aangepast zijn aan vandaag. Niettemin blijven veel gelovigen ze beschouwen als de basis van onze moraal. Meer nog, we hebben de voorbije decennia te maken met een terugkeer van de religie, en zelfs een toename van de letterlijke interpretatie van de 'heilige' teksten, een vorm van fundamentalisme. Het probleem ontstaat evenwel als "de heilige boeken verschillende dingen voorschrijven op het punt van de moraal en het recht en de aanhangers van verschillende godsdiensten toch één territorium moeten delen". Of als de 'heilige' teksten botsen met de seculiere wetgeving. De Nederlandse beleidsmensen blijven daar echter blind en doof voor. Zij geloven in emancipatie mét en door religie. Een voorbeeld is de Amsterdamse burgemeester Job Cohen, die steeds wijst op de integrerende kracht van de religie. Nochtans zijn er heel wat schaduwzijden aan zo'n benadering. De moord op Theo van Gogh heeft duidelijk gemaakt dat de 'goddelijke bevelstheorie' kan leiden tot de gruwelijkste misdaden. Zijn moordenaar beriep zich op een goddelijke 'wet' die hem opdroeg om de ongelovige te doden.

Mensen die blijven geloven in de emanciperende kracht van de religie zijn voor Paul Cliteur "verlichtingsoptimisten", mensen die denken dat het uiteindelijk wel goed zal komen voor zover men geen enkele godsdienst "voor het hoofd stoot". Zij claimen de vrijheid "om niet te worden tegengesproken", maar als we die vrijheid erkenden zou elke vorm van kritiek en wetenschappelijke evolutie tot stilstand komen. Daarmee zouden we ons neerleggen bij onmenselijke praktijken die in naam van de religie plaatsgrijpen. Die vrijheid zou het vermoorden van 'godslasteraars' een objectieve grond geven. Heel wat cultuurrelativisten beweren dat de heropstanding van religieus fanatisme te wijten is aan sociale achteruitstelling of andere vormen van marginalisering. Maar Cliteur wijst er terecht op dat Mohammed Bouyeri zich daar juist niet op beriep, en bij uitbreiding was dit ook het geval voor de kapers van de vliegtuigen op 11 september en de daders van de aanslagen in Londen, die goed opgeleid waren en alle kansen kregen in de westerse samenleving. Voor de moordenaar van Van Gogh ging het om een louter religieuze kwestie. "Het hoogste goed dat de menselijke samenleving beoogt te beschermen, is het menselijk leven", aldus Cliteur, zoniet hebben andere rechten geen enkele betekenis. En aan de hand van enkele voorbeelden uit de geschiedenis maakt hij duidelijk hoe problematisch het religieuze geweld was en is.

Hij verwijst naar Luther, die de tekst van de Bijbel belangrijker achtte dan het kerkgezag. Volgens Cliteur ligt hier de overgang van de katholieke goddelijke bevelstheorie naar de protestants-islamitische: alleen de 'heilige' teksten gelden en de gelovige moet daar voor zichzelf de besluiten uit trekken. Het leidde uiteindelijk tot twee rechtsordes die tegenover elkaar kwamen te staan: de politiek tegenover de religie. Vanaf dan grepen diverse moorden plaats in naam van God. Zoals in de zestiende eeuw de moord op Willem van Oranje door de fanatieke katholiek Balthasar Gerards. Maar ook recenter, zoals de moord op de Egyptische president Anwar Sadat in 1981 door radicale moslims, de moord op de Israëlische president Jitzhak Rabin in 1995 door de joodse extremist Jigal Amir, en de moord op Theo van Gogh in 2004 door Mohammed Bouyeri. De daders gebruikten steeds als argument dat ze opereerden 'op bevel van God'. Zo ging het ook bij de fatwa over de schrijver Salman Rushdie die ayatollah Khomeini uitsprak. In elk van die gevallen was het politieke, religieuze en morele "in één kluwen met elkaar verbonden". Wat Cliteur wil doen, is dat kluwen ontwarren om te komen tot een klare consensus over wat mag en niet mag. Daarbij verwerpt hij nadrukkelijk de goddelijke bevelstheorie en pleit voor een autonome ethiek, waarmee hij nadrukkelijk ingaat tegen zowel religieuze traditionalisten als postmoderne denkers.

Een autonome ethiek is evenwel niet voldoende voor een harmonieuze samenleving van mensen met uiteenlopende culturele en religieuze overtuigingen. Even belangrijk is een neutrale overheid. De auteur gebruikt hiervoor het Franse woord 'laicité', verwijzend naar de aard van het staatsgezag, maar de Nederlandse lezer zal beter het begrip 'religieuze neutraliteit' begrijpen. Neutraliteit in de zin dat geen enkele godsdienst wordt bevoordeeld tegenover een andere en dat gelovigen niet worden bevoordeeld tegenover niet-gelovigen. Paul Cliteur verwijst naar de initiële ideeën van de Amerikaanse Founding Fathers James Madison en Thomas Jefferson. Madison beklemtoonde het belang van een seculiere staat waarin burgers - ook al vormen ze een minderheid - beschikken over een aantal fundamentele rechten en vrijheden. En Jefferson benadrukte dat de burgerlijke rechten van de mens onafhankelijk moesten zijn van onze religieuze overtuigingen. Op basis hiervan werd het eerste amendement van de Amerikaanse wetgeving opgesteld. Dit artikel verbiedt het Congres om wetten aan te nemen die een staatsgodsdienst creëren, die één godsdienst boven een andere plaatsen, het recht op vrijheid van godsdienst verbieden, de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid belemmeren of de vrijheid van samenkomst hinderen.

Religie is een private zaak die niet kan worden bekostigd door de gemeenschap en die niet zichtbaar aanwezig mag zijn "in delen van het publieke domein waar de staat met een pretentie van neutraliteit optreedt". De auteur heeft het over rechtbanken, de politie, het leger en officiële bijeenkomsten. Hij heeft het dus uitdrukkelijk niet over de algemene publieke ruimte, zoals straten en voetpaden, of over de aanwezigheid van burgers in overheidsgebouwen. Daarmee gaat hij minder ver dan de Franse wetgevers die het verbod op het dragen van opvallende religieuze symbolen ook opleggen aan scholieren in het openbaar onderwijs. Of dan enkele Vlaamse gemeenten die hun personeel, die aan het loket in contact komen met de burger, verbieden om opvallende religieuze symbolen te dragen. Toch is de weg die Cliteur wil inslaan heel duidelijk. Hij wil de religie terugdringen tot de private sfeer en - als dat mogelijk zou zijn - tot de individuele hersenpan. Dat is geen evidente en gemakkelijke weg, integendeel. Zelf morele keuzes maken is heel wat moeilijker dan zich als gelovige verbergen achter bepalingen die niet altijd moreel goed zijn. Sinds de aanslagen van 11 september is de geest van het religieus fanatisme weer uit de fles. Zowel radicale moslims als christelijke leiders in de VS gebruiken woorden die teruggaan op de basisteksten van hun diverse godsdiensten. We beleven een opbod aan religieuze 'zuiverheid'.

Dit boek komt net op tijd. Paul Cliteur maakt heel duidelijk dat de hernieuwde heropleving van de religieuze ethiek de samenleving van mensen met diverse religieuze overtuigingen problematisch, zelfs onmogelijk maakt. Willen we een harmonieuze samenleving waarin iedereen mag denken en zeggen wat hij of zij wil dan hebben we behoefte aan een 'autonome ethiek' en een 'neutrale overheid'. Dan hebben we behoefte aan een moreel Esperanto als een lichtbaken in deze donkere tijden van religieus fanatisme en onverschillig cultuurrelativisme.

Paul Cliteur wil de religie terugdringen tot de private sfeer en - als dat mogelijk zou zijn - tot de individuele hersenpan

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234