Woensdag 08/12/2021

Op betekenis wordt geschoten

Wat kan poëzie voor ons doen? Een feest van herkenning van de werkelijkheid zijn, terwijl ze toch een weg toont naar het onbekende. De liefde een gezicht geven zonder dat het concreet wordt ingevuld. En zeker de taal haar muzikaliteit teruggeven, precies om een glimp van het mysterie te evoceren. Arjen Duinker en Pieter Boskma kiezen voor lyrische bestemmingen, terwijl er bij Jan Eijkelboom en L.F. Rosen op een heel wat alledaagsere toon gepraat wordt. Maar aards zijn ze allemaal.

Arjen Duinker

De zon en de wereld

Meulenhoff, Amsterdam, 47 p. met cd, 16,95 euro.

Pieter Boskma

Puur

Prometheus, Amsterdam, 79 p., 15 euro.

Jan Eijkelboom

Binnensmonds jubelend

De Arbeiderspers, Amsterdam, 64 p., euro.

L.F. Rosen

Doorwaadbare plaatsen

Van Oorschot, Amsterdam, 72 p., 12,50 euro.

Hoe kom ik erbij om Arjen Duinker een aardse dichter te noemen? Als je het lange gedicht 'De zon en de wereld', dat de bundel vormt, leest en 'De zon' op cd beluistert, besef je meteen dat Duinkers poëzie niet uit is op eenduidige betekenis, dat ze ons geen verhaal wil vertellen. In zijn bundel De geschiedenis van een opsomming (2000), die met de Jan Campertprijs bekroond werd, stonden deze pamflettair bedoelde regels: "Tegen de Inhoud./ Tegen de Persoonlijkheid./ Tegen de essentie." Geen verhaal en geen lyrische ontboezemingen in Duinkers gedichten dus. Logisch, want protesteren tegen de essentie betekent dat je een overzichtelijke structurering van de werkelijkheid verwerpt. Hoe kun je dan als dichter toch aards, concreet zijn? Als Duinker zich al op iets wil verlaten, is het zeker niet op een metafysische of een religieuze benadering van de werkelijkheid. Zijn poëzie is niet abstract, omdat hij gefascineerd is door dingen en door de manier waarop ze een plaats hebben in de wereld. Die anti-metafyische en toch verwonderde houding deelt hij met K. Michel, met wie hij in het begin van de jaren tachtig een tijd een dadaïstisch poëzietijdschrift maakte. En de fascinatie voor dingen met K. Schippers. Wat kun je doen als je zo door de dingen geboeid bent? Hen een naam geven. En dat doet Duinker ook, maar hij is er zich voortdurend van bewust dat dit een reductie van de dingen is, omdat het een middel is om er vat op te krijgen. Hij 'schiet' graag op die conventionele benadering van de werkelijkheid. Zo begint ook 'De zon en de wereld': "Daar gaat het antwoord/ Verrukkelijk antwoord in een taxi/ Ondanks winkels/ of de bloem rood bloeit/ De bloem bloeit rood/ Rood bloeit de bloem/ Winkels zijn onzeker/ Onzekere winkels, ja, rood bloeit de bloem/ Op betekenis wordt lumineus geschoten." Zoals zonnestralen "lumineus schieten" en alles in een ander licht kunnen stellen, plaatst Duinker de dingen in een nieuw perspectief. En hij doet dat met zo'n grote gretigheid dat ik er werkelijk van sta te kijken. Zo ritmisch registreren, zo'n kleurschakering die hij aan de dingen weet te geven, dat hou je nauwelijks voor mogelijk. Zoiets lijkt alleen weggelegd voor de zwijgzame, scherpe blik van de schilder of het nauwe luisteren van een componist. 'De zon en de wereld' en 'De zon' zijn ook composities. Duinker noemt ze "gedichten voor twee stemmen". Geen stem en tegenstem, maar twee stemmen die elkaar ritmisch aanvullen en lijken voort te stuwen in de zoektocht naar het onbenoembare, dat tegelijk zo vatbaar en concreet is. Want wie kan er zich niet onmiddellijk iets voorstellen bij winkels, zout, mist of een bloem? Voor Duinker zit er achter die eenvoudige dingen, achter die woorden die deze dingen een naam geven alleen al, een mysterie. Het gaat hem in dit lange gedicht vooral om het raadsel van de tijd: "Ja, tijd is betekenis/ Bepaald en onzichtbaar en voorbeeldig." De tijd verbergt zich in de winkelramen, in de geruite pakken die passeren en in die ramen weerspiegeld worden, in de trage mist, in de mond waarin oesters verdwijnen. Er wordt veel en gretig gekeken in het gedicht, net zoals in 'De zon', het gedicht op cd. Het levert een kleurrijk palet op, met het rood van de bloem als leidmotief: "Leve scharrelend gekrijs/ De wereld/ Ja, de wereld/ Want de bloem bloeit rood." Kijken, niet om het raadsel van de tijd en de werkelijkheid op te lossen, want elke poging tot definiëring schiet tekort bij de hoedanigheid van de dingen: "Maar een beeld is een misverstand/ En een misverstand is een reden/ En een reden is een oordeel/ En een oordeel is een mes/ En een mes is een druppel/ Op een blad/ Op bladeren/ In en om en ertussen/ Terwijl de bloem rood bloeit". Duinker ontwricht de logica, de vanzelfsprekendheid waarmee wij naar de wereld kijken. En poëzie lezen. Want voor metaforen, symbolisering, verhalende elementen, moet je bij andere dichters zijn. "Ja, de wereld spreekt helder", schrijft Duinker. Daar zorgen zijn gedichten voor.

Ook Pieter Boskma is een dichter van de zintuigen. Waar Duinkers poëzie affiniteit toont met mediterrane dichters als Pessoa en Drummond de Andrade, staan de gedichten van Boskma in de traditie van zo uiteenlopende dichters als Lucebert en Gorter. Je merkt dat ook in zijn nieuwe bundel Puur hun sporen, maar in het gedicht 'Brief uit Elegia' ziet Gorter er niet zo fris meer uit. Hij "draagt een sjaal van sneeuw,/ al even oud en moe". Boskma heeft het grote lyrische gebaar in zijn poëzie wat afgezworen, zodat de taal wat minder orakelt. Het kan de zintuiglijke appetijt van een poëzielezer als ik nog altijd ruimschoots bekoren. En vooral: in de plaats van het vrijblijvend rondzingen, komt de echte Boskma, die niet altijd het leven vrolijk bezingt, maar de tijdgeest hekelt en zich wil wreken, naar voren. Boskma onversneden, puur zeg maar. Hij keert zich tegen een vroegere geliefde, maar net zo goed tegen de vrijblijvendheid van degenen die het culturele klimaat beheersen: "De klepgrage cabaretier en de konkelzieke columnist/ houzee hoezee zij vieren feest in de clicheerfabriek/ het feest van wie het dunste woord weet op te doffen/ de neutraalste druppels in chimerische vermommingen". Hij maakt zich ook zorgen over de toestand van de poëzie, in het gedicht 'Hadden wij maar', dat hij opdraagt aan Joost Zwagerman. Die schreef in 1987 een geruchtmakend stuk waarin hij de abstrahering, de koele toon en de verstilling in de poëzie, die toen beheerst werd door epigonen van Kouwenaar en Faverey, aanklaagde. Een jaar later stonden Zwagerman en Boskma in de bloemlezing Maximaal. De bevlogenheid van toen lijkt volgens Boskma verder weg dan ooit: "hadden wij maar de schatten van bv. Herman Gorter nog/ zo een die het geluk vond en maximaal dat het moest zijn/ hoe potsierlijk de gewesten ook klonken van protesten/ in deze tijd heeft het slijk het slijk zijn grens bereikt/ en zelfs de schoonheid van de allerjongste bruiden/ heeft er een hard hoofd in evenals hun schoot". Door al die ergernis is Puur minder onverdeeld romantisch van toon dan Boskma's vorige bundels, maar toch blijft er genoeg over. Het ontbreekt niet aan natuur- en liefdeslyriek. Daar is het mij in deze bundel nochtans niet om te doen. Interessanter zijn de paradoxen en de verschuivingen waarmee hij het beeld van het bestaan in deze bundel opbouwt.

Jan Eijkelboom zou in zijn gedichten de gedaante van een verliezer kunnen aannemen, want hij is intussen 78. Dat zou namelijk veel weemoed kunnen opleveren en in zijn nieuwe bundel Binnensmonds jubelend zit die ook wel, maar gelukkig leidt dat niet tot een klaaglijke toon. Hoeveel ingetogener dan Duinker en Boskma Eijkelboom ook schrijft, hoeveel traditioneler zijn behandeling van het beeldenarsenaal ook is en hoe weinig hij de lezer daardoor weet te verrassen, toch kunnen zijn gedichten soms bekoren. Als hij, vermomd in een metafoor, mild met zichzelf spot, bijvoorbeeld: "Ik neem licht weg, mijn vogels/ verstoppen goten. Vooral/ hun kakelend gelach schijnt/ anderen dan die broodvrouw/ niet te bevallen.// Mij persoonlijk montert het op". In deze gedichten wordt er veel gekeken, maar nieuwe, onvermoede perspectieven worden niet vaak geopend. Dat moet ook niet, bij zo'n poëzie die zich als ansichtkaarten of reproducties van schilderijen - meermaals vormen die de aanleiding voor gedichten in deze bundel - rustig laat bekijken. Geef mij dan maar de gedichten in Binnensmonds jubelend waar Eijkelboom door zijn observaties bedrogen lijkt - een idyllische kerk in een dal blijkt bij nader inzien als opslagplaats voor een aannemer dienst te hebben gedaan -, waar zijn dromen over oorlog, aftakeling en de naderende dood hem overweldigen en zijn helder denken aantasten. En waar werkelijkheid de verbeelding onverwacht overtreft in het gedicht 'Bevrijding': "Die keer dat je ja zei/ toen je die aangeschoten neger/ een krans zag oppakken/ bij het monument voor de gevallenen.// Zingend deed hij de krans om zijn nek/ en sprong er driemaal mee in het rond/ eer hij hem weer neerlei.// Die keer dat je na een paar tellen/ ontzetting binnensmonds jubelend/ ja zei".

Ook L.F. Rosen heeft het in zijn nieuwe bundel Doorwaadbare plaatsen over vergankelijkheid. Hij biedt ons een beeld van hoe het er zou kunnen uitzien: "het leven eindigt niet./ Zozeer kent het dat ene moment dat als een motor/ zeurend doorratelt, lang na de fatale botsing.// Een komvormig moment/ waar het gehele leven in uitvloeit./ Maar dat het nooit zal/ vullen. Elke druppel/ van het bijtend zuur/ maakt het gat slechts groter". Rosen is net als Duinker geboeid door het mysterie achter de dingen, al krijgt dat hier in traditionele gedichten de gestalte van een hiernamaals, van waaruit de mensheid wat meewarig en vol mededogen tegelijk bekeken wordt. Gelukkig heeft Rosen geen god nodig, of het zou dat harige beest onder het bed moeten zijn, zoals hij zich dat al in zijn jeugd voorstelde. Geef hem maar het nu, de dagelijkse dingen, die de weg banen naar elders: "Want het hart,/ het hart dat altijd in de ruimte/ wil, ligt/ in een berenklem aan de overkant/ van een brede, wildstromende rivier.// Tot ook daarin onverwachts/ een doorwaadbare plaats opdoemt:// een losse stoeptegel,/ de informele groet/ van een buurman, zijn lucifer/ die oplicht in het deurportaal".

Paul Demets

Zo ritmisch registreren, zo'n kleurschakering die Duinker aan de dingen weet te geven, dat hou je nauwelijks voor mogelijk

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234