Vrijdag 22/10/2021

Oorlogsjournalist Arnold Karskens krijgt prestigieuze mensenrechtenprijs

Dat ene zinnetje dat nog niet geschreven is. Daar draait het om

Binnenkort mag oorlogsjournalist Arnold Karskens de Clara Meijer-Wichmannpenning op zijn schouw zetten. Die penning is de belangrijkste Nederlandse mensenrechtenprijs en dus is Karskens heel trots. 'Dit is veel belangrijker dan om het even welke journalistieke prijs. Dit gaat over de inhoud van je werk, niet over hoe leuk je het verhaal wel opgeschreven hebt.' Door Pieter Dumon

De kale Nederlandse journalist is, sinds hij vanuit Bagdad voor de VRT verslag uitbracht van de laatste Golfoorlog, ook in ons land een begrip. Maar hij blijft vooral in Nederland voor opschudding zorgen. Met zijn Afghanistanberichtgeving, bijvoorbeeld. Hij wou niet met de Nederlandse troepen naar het front trekken, maar koos ervoor om als enige Nederlandse journalist zelf zijn weg in het oorlogsgebied te zoeken. "Ik wou het verhaal van de Afghaanse bevolking vertellen. Zij zijn tenslotte de grootste slachtoffers van deze oorlog." En daar wordt hij nu voor beloond. De Liga voor de Rechten van de Mens reikt Karskens op 10 december de Clara Meijer-Wichmannpenning uit voor zijn inspanningen om aandacht te krijgen voor de mensenrechten van burgerslachtoffers bij de oorlog in Afghanistan.

En die aandacht kon u niet krijgen als u met het Nederlandse leger was meegegaan?

Arnold Karskens: "Neen. Kijk, journalisten mogen best eens mee gaan op patrouille. Zo lang je daarna maar weer je eigen gang gaat en de oorlog ook eens van de andere kant bekijkt. Als je de oorlog enkel door de ogen van de militairen ziet, krijg je een heel eenzijdig beeld. Dat is niet alleen gevaarlijk voor de journalistiek, het is ook gevaarlijk voor de politiek. Hoe moeten politici in het thuisland zich ooit een beeld vormen van een oorlog wanneer alle reportages die er over verschijnen, gecensureerd zijn? Want dat is wat er gebeurt met de verhalen van de Nederlandse journalisten die op uitnodiging van Defensie naar Afghanistan trekken. Hun verhalen mogen de missie immers niet in diskrediet brengen."

Dus als een Nederlandse bom per ongeluk op een dorp terechtkomt, mogen ze dat niet schrijven?

"Precies! Dat heeft de Nederlandse minister van Defensie letterlijk zo gezegd. Maar het is ook subtieler dan dat. Je reist gratis, je eet gratis, je slaapt gratis... Dat maakt je schatplichtig. Je gaat je gastheren toch niet in hun hemd zetten? Het is heel moeilijk om oorlogsmisdaden aan te klagen, gepleegd door de troepen waarbij je te gast bent.

"In Irak heb ik dat zelf aan den lijve ondervonden. Ik was welkom in de Nederlandse kazerne, tot ik plots over een schietincident schreef. Daarna werd ik systematisch geboycot. In Afghanistan mag ik enkel nog de buitenste ring van Kamp Holland, zoals de Nederlandse kazerne daar wordt genoemd, binnen. Blijkbaar schrijf ik dingen die ze niet zo leuk vinden.

"Pas op, je mag wat mij betreft best met het leger mee naar Afghanistan, maar je kunt het toch niet maken om je als journalist te laten censureren? In een vrije samenleving als de Nederlandse of de Belgische is dat principieel fout. Als je dat toelaat, ben je als journalist geen knip voor de neus waard. Je beledigt alle journalisten die overal ter wereld keihard vechten om wel de waarheid te kunnen schrijven."

Hoe doet u het dan?

"Ik ben een zogenaamde unembedded journalist, ik trek dus zonder begeleiding naar oorlogsgebied, al is dat principe de laatste tijd wat verwaterd. Ook wie alleen naar het toilet durft, is tegenwoordig al unembedded. Maar het betekent vooral dat je onafhankelijk verslag uitbrengt, niet gestuurd door een van de strijdende partijen en zonder enige vorm van censuur. Het is ook meer dan op de markt van Kandahar gaan vragen wat een tomaat daar kost. Je moet aan onderzoeksjournalistiek doen, op zoek gaan naar verbanden, naar oorzaken, naar schendingen van mensenrechten. Als je het zo definieert, ben ik de enige binnen het Nederlandse taalgebied die echt unembedded is."

Ook uw aanpak wordt bekritiseerd. Bent u niet even schatplichtig aan de Afghaanse warlords die u beschermen als de andere journalisten aan de militairen?

"Helemaal niet. Ik verblijf in Afghanistan gewoon bij particulieren. Ik ken die war- lords natuurlijk wel, omdat ik geregeld met hen praat en soms roep ik hun hulp in wanneer ik van de ene stad naar de andere wil. Maar die mensen vragen nooit met wie ik heb gepraat, ze willen ook nooit zien wat ik over hen schrijf."

Is het niet vreemd dat uw stukken in de gratis krant De Pers verschijnen en niet in de klassieke Nederlandse kwaliteitskranten?

"De Pers vindt het heel belangrijk om onafhankelijk te berichten over militaire conflicten waar Nederlandse troepen bij betrokken zijn. Alle andere media, of het nu de Volkskrant, NRC Handelsblad of zelfs de NOS is, hebben nog nooit één foto laten zien van een huis dat door de Nederlandse troepen werd gebombardeerd. Dat is gewoon je reinste censuur. Mocht hetzelfde gebeuren in Rusland, Amerika of China dan zouden diezelfde kwaliteitsmedia luidkeels 'schande' schreeuwen. Vanuit een soort misplaatst patriottisme blijven ze enkel positieve verhalen schrijven in de waan dat ze daarmee de Nederlandse troepen steunen. Terwijl niemand iets heeft aan dat soort feelgoodverhalen. Want als er dan toch iets misgaat, dreig je alle vertrouwen te verliezen.

"Ik schrijf misschien niet zulke opbeurende verhalen over hun zonen en dochters, maar de mensen die een kind in Kamp Holland hebben zitten, weten tenminste dat ze kloppen. En dat is wat uiteindelijk telt."

Doen de Belgische media het beter?

"Je hebt hier best wel wat goede journalisten rondlopen, ik ben dus wel benieuwd hoe ze de Afghanistanberichtgeving zullen aanpakken. Ik vraag me af of de Belgische journalisten aan echt onderzoek zullen toekomen. Je hebt in Afghanistan een paar Belgische F-16's staan die ingezet worden bij bombardementen. Maar wat bombarderen ze daar precies? En kloppen de perscommuniqués van het leger wel? Het is precies de taak van de journalisten om dat uit te zoeken. Maar voorlopig heb ik dat nog nergens gelezen."

U bent wel erg kritisch voor uw collega's.

"Omdat ik wil dat oorlogsjournalistiek serieus genomen wordt. Een oorlog moet goed verslagen worden, het gaat om veel mensenlevens. Alles wat je schrijft, moet kloppen. Je moet in elk geval je best doen om alles zo goed mogelijk te checken.

"Als ik dan zie dat sommige mensen er met hun pet naar gooien en de clichéverhalen gaan schrijven waarvan ze denken dat mensen ze graag zullen lezen, dan heb ik het daar moeilijk mee. Je moet schrijven over wat je zelf hebt gezien en zelf hebt meegemaakt. Je moet niet gaan fantaseren.

"Stel dat je door Brussel loopt en je ziet dat hier helemaal niets aan de hand is en plots komt er een andere journalist langs die schrijft dat er in Brussel grote gevechten aan de gang zijn. Zijn verhaal haalt gegarandeerd de voorpagina terwijl het jouwe niet eens verschijnt. En hoogstwaarschijnlijk krijg je dan ook nog eens op je donder omdat je niet gezien hebt dat er in Brussel gevochten werd. Er wordt nu eenmaal het meest geluisterd naar diegene die het hardst gilt. Als ik dat soort dingen zie gebeuren neem ik mijn verantwoordelijkheid en wijs ik die mensen er op dat hun verhaal niet klopt. Ik mag dat ook doen, want ik ben nu eenmaal de langst werkzame oorlogsjournalist binnen het Nederlandse taalgebied.

"Nu en dan zeg ik eens wat er niet klopt aan de Nederlandse oorlogsjournalistiek in de hoop dat er een soort correctiemechanisme in actie treedt. Dat vind ik belangrijker dan uitnodigingen in de bus krijgen voor allerhande feestjes. Ik ben geen journalist geworden om vrienden te maken. Als dat het doel is, dan kun je beter barman worden."

Ook uw boek met overlevingstips voor aan het front werd u niet door alle collega's in dank afgenomen. Criticasters beweren dat er niet zoiets bestaat als gouden regels om te overleven.

"Dat zeg ik ook niet. Maar oorlogsverslaggeving is wel een vorm van risicobeperking. Als er honderd risico's zijn en je kunt er, dankzij mijn boek, vijftig afstrepen, dan stijgen je kansen om te overleven met de helft. Ik heb dat boek geschreven ten tijde van de oorlog in ex-Joegoslavië, toen iedere journalist die een auto en een rijbewijs had plots naar het front kon rijden. Daar zijn toen een heleboel journalisten omgekomen en dan vind ik het je plicht om de ervaring die je hebt te delen.

"Mijn boek kan wel degelijk levens redden. Neem nu Sander Thoenes, de Nederlandse journalist die in Oost-Timor om het leven is gekomen. Hij is tegen een deadline aan, achterop een brommer een wijk in gereden waar hij te weinig actuele informatie over had. Toen hij doorhad dat het daar foute boel was en rechtsomkeer wou maken, werd hij ingehaald door gewapende milities. Had die jongen mijn boek gelezen en zich aan de regels gehouden, dan was dat nooit gebeurd."

Hoe goed kunt u na al die jaren zelf de gevaren inschatten?

"Kijk, je kunt natuurlijk altijd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats belanden. Maar als je het zo bekijkt, kan het in Brussel ook behoorlijk gevaarlijk zijn. Maar elk conflict is anders. Neem nu Tsjetsjenië, daar had je een oorlog in een klein gebied, waar een Russische overmacht op grote schaal beschietingen uitvoerde. Bovendien was het Tsjetsjeense verzet extreem verdeeld. Je moest als journalist constant tussen die verschillende strijdende partijen laveren, die je allemaal kwaad konden doen. Op zo'n moment ben je enkel met overleven bezig, een goed journalistiek verhaal levert dat niet op.

"Tijdens de Tweede Golfoorlog was dat anders. Daar werd ook zwaar gebombardeerd, maar je kon toch nog relatief aardig werken. Je kon nog dingen gaan zien, met mensen gaan spreken. De Irakezen hebben me met geen vinger aangeraakt. De bevolking is in dat soort conflicten eigenlijk de gevaarlijkste factor. Je hebt maar één gek met een geweer nodig."

U hebt een vrouw en drie kinderen. Hoe moeilijk is het voor hen als u er weer eens op uit trekt?

"Voor hen is het lastig natuurlijk. Ik bel hen wel af en toe, maar ik wil dat ook niet te veel doen. Kijk, als de kraan lekt, dan kan ik dat vanuit Irak toch niet verhelpen. En als ik tegen mijn vrouw zeg: 'Ik heb net een bombardement overleefd', dan zit ze de rest van de avond in de zetel te bibberen. 'Geen nieuws, goed nieuws' is het motto als ik in het buitenland zit."

Een oorlogsjournalist is op zijn best tussen zijn 50ste en 60ste hebt u zelf ooit beweerd. U bent er nu 54, houdt u er binnen zes jaar mee op?

"Ik kan me op dit moment niet inbeelden dat ik ooit iets anders zou gaan doen. Dat ene regeltje toevoegen dat nog niet geschreven is, daar draait het in de journalistiek om. En ik heb nog steeds het gevoel dat ik dat kan. Ik ben een journalistiek beest, ik weet wat nieuws is en wat mensen interesseert. Maar als er morgen opeens twintig Nederlandse journalisten op eigen houtje door Afghanistan gaan lopen, dan ga ik hoogstwaarschijnlijk iets anders doen. Dan hoeft het voor mij niet meer."

Media als 'de Volkskrant', 'NRC' of de NOS hebben nog nooit één foto laten zien van een huis dat door Nederlandse troepen in Afghanistan werd gebombardeerd. Dat is je reinste censuur

Ik wil dat oorlogsjournalistiek serieus genomen wordt. Een oorlog moet goed verslagen worden, het gaat tenslotte om een heleboel mensenlevens

n 'Als je censuur toelaat, ben je als journalist geen knip voor de neus waard', zegt Arnold Karskens. 'Je beledigt alle journalisten die overal ter wereld keihard vechten om wel de waarheid te kunnen schrijven.'

n Karskens aan het werk in Afghanistan.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234