Dinsdag 19/01/2021

Ook kiezers verantwoordelijk voor versnippering

Mark Deweerdt plaatst vraagtekens bij een meerderheidsstelsel in ons land.

Hij is politicoloog, oud-journalist en raadgever bij de cel Algemene Beleidscoördinatie van de Kanselarij van de Eerste Minister. Hij schrijft op persoonlijke titel.

Als remedie tegen versplintering, middelmaat en onbestuurbaarheid van de Belgische politiek schoof Ruud Goossens in zijn bijdrage van vorig weekend een ander kiesstelsel naar voren. De chef politiek van deze krant riep met name op tot 'ernstig debat over de invoering van een meerderheidsstelsel'. Mark Deweerdt is alvast bereid.

In de 'Tussenstand' (DM 27/2) maakt Ruud Goossens enkele pertinente beschouwingen over de versnippering van ons partijbestel en de gevolgen daarvan voor het beleid. Volgende kanttekeningen kunnen bijdragen aan het "ernstig debat over de invoering van een meerderheidsstelsel" waar hij om vraagt.

Goossens lijkt ervan uit te gaan dat een evenredigheidsstelsel per definitie leidt naar partijpolitieke versnippering, een veelpartijencoalitie, een beleid dat "verzuipt in het moeras van de middelmaat" en onbestuurbaarheid. Een meerderheidsstelsel zou daarentegen versplintering tegengaan, coalitiegesprekken vergemakkelijken en krachtdadig beleid bevorderen.

Maar hoe komt het dan dat er meer representatieve democratieën zijn met een evenredigheids- dan met een meerderheidsstelsel? Het heeft er ongetwijfeld mee te maken dat een meerderheidsstelsel, door kleine partijen de toegang tot het Parlement te ontzeggen, als minder 'democratisch' wordt ervaren. Bovendien hoeft evenredige vertegenwoordiging krachtig en helder beleid niet in de weg te staan. Evenredige vertegenwoordiging hoeft immers niet synoniem te zijn van versplintering van het partijlandschap en veelpartijenregeringen. In Duitsland, bijvoorbeeld, zijn tweepartijenregeringen de regel, zowel op het niveau van de Bund als van de Länder (sinds kort zelfs in Beieren). Niet langer geleden dan op zondag 1 maart haalden de BZÖ in de Oostenrijkse deelstaat Karinthië en de Partido Popular in de Spaanse regio Galicië de zetelmeerderheid.

Ook in ons bloedeigen België heeft het proportionele stelsel, zoals Goossens schrijft, lange tijd vrij aardig gefunctioneerd. Sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging (1899) werd ons land, behalve in oorlogs- en crisistijden, bestuurd door tweepartijenregeringen, meestal van katholieken respectievelijk christendemocraten en socialisten of liberalen. Pas aan het begin van de jaren 1970 is aan dat patroon een einde gekomen. Oorzaken daarvan zijn de 'communautaire' splitsing van de drie traditionele partijen, de invoering van de grondwettelijke regel dat de federale regering taalparitair is samengesteld en de electorale afkalving van de traditionele partijen, vooral in Vlaanderen. Sindsdien zijn er ten minste vier partijen nodig om een federale coalitie te vormen. En op het Vlaamse beleidsniveau volstaan sinds 1999 twee partijen niet meer om een regering te vormen.

De bezorgdheid van Goossens om de versnippering van het partijlandschap en de gevolgen daarvan is terecht, maar ook niet nieuw. Sommigen zagen of zien een remedie in een 'herverkaveling' of 'hergroepering' van 'politieke krachten'. Ter linkerzijde was er Doorbraak (1979) en Het Sienjaal (1996), en meer recent de aansluiting van de factie-Anciaux bij de sp.a. Ter rechterzijde was er de 'verruiming' van de liberale partij in 1992 (met onder anderen Jaak Gabriëls en Jef Valkeniers van de VU en Pierre Chevalier van de SP) en 2001 (met spiritisten als Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne en Fons Borginon). Enig effect op de politieke versplintering hebben die operaties niet gehad.

Tot nader order is dat ook niet het geval voor de invoering van een wettelijke kiesdrempel van 5 procent bij de federale verkiezingen (2002) en de verkiezingen voor het Vlaams Parlement (2004). Doordat voor de federale verkiezingen de natuurlijke drempel in de meeste kieskringen hoger is dan de wettelijke drempel - de provinciale kieskringen Antwerpen en Oost-Vlaanderen zijn de uitzondering -, is het effect ervan beperkt. Bij de verkiezingen van 2003 verdween Agalev tijdelijk uit het Parlement en liep de N-VA één Kamerzetel en twee senaatszetels mis. Bij de Vlaamse verkiezingen van 2007 en de federale verkiezingen van 2007 had de kiesdrempel geen gevolgen. De groenen haalden meer dan 5 procent, de andere kleinere partijen hadden zich tegen de kiesdrempel gewapend door kartel te vormen met een grote partij. Spirit deed dat trouwens al vóór de verkiezingen van 2003, de N-VA en Vivant volgden in 2004. Terwijl Vivant is opgegaan in Open Vld, liep het CD&V-N-VA-kartel in september vorig jaar op de klippen en viel onlangs het sp.a-Spiritkartel uiteen.

Het is mogelijk dat de kiesdrempel bij de komende verkiezingen van 7 juni enig effect heeft in Vlaanderen, maar evenzeer is het mogelijk, zo al niet waarschijnlijk, dat zoals Goossens zegt er straks geen enkele partij meer substantieel boven de 20 procentgrens uitkomt. Precies die vaststelling doet eraan twijfelen dat de invoering van het 'Britse' meerderheidsstelsel een einde kan maken aan de versplintering of er minstens toe kan leiden dat één partij de volstrekte zetelmeerderheid haalt. De verkiezingskaart van 2003 zoals ze op 11 juni 2007 in De Morgen nog eens werd afgedrukt en die aangeeft welke partij in elk kanton de relatieve meerderheid krijgt, schraagt die twijfel (de kaart van 2007 die een volstrekte zetelmeerderheid voor het CD&V-N-VA-kartel laat zien, is niet meer relevant). Alleen het Franse stelsel met twee stemrondes, waarbij de twee sterkste partijen van de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen, zou tot de zetelmeerderheid voor één partij (of één politieke strekking) leiden.

Maar zou dat 'Franse', absolute meerderheidsstelsel werkbaar zijn bij federale verkiezingen? De kans is groot dat het in Vlaanderen een meer rechtse en in Wallonië een meer linkse meerderheid voortbrengt. Met een federale tweepartijenregering die op deze dubbele breuklijn moet worden gevormd, zou het land nóg moeilijker te besturen zijn.

Moet voor een oplossing voor de versplintering daarom niet zozeer naar het kiesstelsel dan wel naar het kiezerskorps worden gekeken? Per slot van rekening zijn het de kiezers die bepalen welke partijen in het Parlement komen en hoe sterk die zijn - en zijn zij, en niet het kiesstelsel, de eerste verantwoordelijke voor de versnippering van ons partijbestel. Ofwel vinden de kiezers efficiënt en krachtdadig bestuur belangrijk en voelen zij er zich, als dragers van de soevereine macht, verantwoordelijk voor dat een regering met zo min mogelijk partijen kan worden gevormd en er bijgevolg (weer) grote partijen zijn (zoals Duitse, Oostenrijkse, Spaanse... kiezers dat blijkbaar doen). Ofwel beschouwen de kiezers verkiezingen als een gelegenheid om in de beslotenheid van het stemhokje uiting te geven aan de allerindividueelste expressie van hun allerindividueelste emotie, trekken zij zich van de gevolgen van hun stemgedrag niets aan en blijven zij de partijen verplichten veelpartijenregeringen te vormen - met alle gevolgen van dien voor het beleid.

Per slot van rekening zijn het de kiezers die bepalen welke partijen in het Parlement komen en hoe sterk die zijn. En zijn zij, en niet het kiesstelsel, de eerste verantwoordelijke voor de versnippering van ons partijbestel

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234