Donderdag 24/10/2019

Focus

Onze outfit geeft een schat aan informatie prijs

Kim Kardashian en Kanye West. Beeld REUTERS

Over wat we dragen is, bewust of onbewust, nagedacht. Want kleren dienen een doel. Heel veel doelen zelfs. De Nederlandse journaliste Cécile Narinx schreef er een boek over en houdt hier een pleidooi voor een andere kijk op kleding.

Vat het niet te lichtzinnig op, maar ik wil graag weten wat u aanheeft. Ik kan het niet zien, maar ik durf wel een educated guess te doen. Als u een vrije dag hebt, is dat wellicht een kamerjas of iets huispakkerigs. Bent u een man en werkt u in een kantoor of in het onderwijs, dan is het tien tegen één een trui of ruitjeshemd met een broek; bent u een baas, dan is het een pak met das. Voor de vrouwen is er iets meer keus, maar ik durf te wedden dat er vandaag veel halfhoge pumps de deur uitgaan, met panty’s en een representatieve outfit tot minstens knielengte.

Zit ik er ver naast? Vast niet. Ik weet heus wel dat u geen modepopje bent, en daar zal ik u zeker niet van betichten. Maar wat ik ook weet, is dit: niemand trekt ’s morgens zomaar iets aan. Wat we dragen, daar is bewust of onbewust over nagedacht. Omdat kleren een duidelijk doel dienen. Meer doelen dan u had durven dromen.

Stel: het is zomer en we zitten met zijn tweeën op een terras ergens in Italië, het is tijd voor het aperitief. Het uur van de passegiata, het paraderen over boulevard of dorpsplein. We zien macho’s met een ver opengeknoopt shirt. We zien een oudere dame met een perfect zittende deux-pièces en een oudere jongere in een shirt van Sex Pistols. We zien de Ghanese pareoverkoper met een gebatikte kiel.

In het kwartier dat we voorbijgangers bekijken, krijgen we veel informatie binnen. Of iemand lang of kort, oud of jong, dik of dun, bleek of bruin is. De rest van de boodschap spreekt luid en duidelijk uit de kleding, het meest praatgrage van onze visuele aspecten.

Iedereen met kleren aan laat zien wie hij of zij is of wil zijn. Klederdracht sluit nauw aan bij identiteit, daar is een hele stoet sociologen het over eens. Wat kleren kunnen laten zien, is dit: levensfase, seksuele voorkeur, gender, sociale klasse, nationale identiteit, welzijn, etniciteit, religie, politieke voorkeur en interesses – en of dat nog niet complex genoeg is, zijn er ook combinaties of overlappingen van bovenstaande begrippen mogelijk. Wat kleren voor hun dragers kunnen zijn, is al even divers: beschermers, ondersteuners, verleiders, troosters, spreek-buizen, zwaailichten, camouflagenetten, warmhouders of tooien van een rite de passage.

Beeld kos

Je zou een boek kunnen vullen met alle rollen en boodschappen die in kleren verborgen zitten. Dat is precies wat ik het afgelopen jaar, samen met journalist Merel Bem en beeldredacteur Marije van Regenmortel, heb gedaan, maar voor nu zou het iets te gortig worden om alles aan te stippen. Vandaar dat ik me in dit pretentieloos pleidooi voor een andere kijk op kleren (want dat is het, wat u nu zit te lezen) zal beperken tot drie: status, identiteit en seks(e).

Status

Natuurlijk beginnen we met status, want we zitten in gedachten in Italië, land van fare bella figura. De bakermat van maffia, mode, katholieke kerk én westerse beschaving. Het roemruchte Romeinse Rijk was een uiterst hiërarchische samenleving, die bol stond van symbolen en codes. Geen wonder dus dat dat tot in de puntjes in de kleding werd doorgevoerd. Neem nu de toga, Romeins kledingstuk bij uitstek. Feitelijk niet meer dan een kunstig gedrapeerde grand foulard, maar dan wel eentje die precies verraadt wie of wat zijn drager is.

Zo droegen hoge magistraten een toga praetexta, licht van tint met purperrode biezen. Het materiaal was veelzeggend – waar het plebs rondliep in grauwe, stugge tunieken van ruwe wol of netels, droegen de patriciërs luxe-exemplaren van katoen of zijde en waren ook hun toga’s van kostbare, lichte materialen gemaakt.

Daarnaast was ook de kleur van belang. Gebleekte witte toga’s gaven bijvoorbeeld aan dat de drager een kandidaat-politicus was, een geheel roodpurperen toga was voorbehouden aan koningen of keizers – een simpel gevolg van het feit dat purperrode kleurstof peperduur was. Ook gele kleurstof, gemaakt van saffraan, was kostbaar en voorbehouden aan deftige getrouwde dames en Vestaalse maagden. Dames droegen overigens geen toga’s – op overspelige vrouwen en prostituees na dan, die voor straf in een ruwwollen en ongetwijfeld ongenadig jeukende toga over straat moesten. De overige vrouwen hadden ook vrij weinig keus: een ondertuniek met een boventuniek en een al dan niet geverfde omslagdoek.

Marie-Anne Martinozzi, Duchess of Bouillon. Beeld kos

Vandaar dat de meer gefortuneerden hun rijkdom toonden door overdadige juwelen te dragen. Die werden steeds duurder, tot op een dag in 213 voor Christus, tijdens de eerste Punische oorlog, de Lex Oppia van kracht werd: een antiluxewet, die bepaalde dat geen enkele vrouw meer dan een half ons goud mocht dragen. Het resultaat? De vrouwen kwamen in opstand en wisten de wet ingetrokken te krijgen.

De allerrijksten droegen het allerduurste en zetten daarmee de trend. Zo was het in het oude Rome, zo was het ook in de renaissance, waar de leden van de stinkend rijke Medici-familie de grootste influencers waren. In de Uffizi in Firenze druipt de weelde nog steeds van de portretten van de hoge pieten uit die tijd.

Het schilderij dat Bronzino maakte van Eleonora van Toledo bijvoorbeeld, de vrouw van Cosimo I de’ Medici. Het gewaad dat ze draagt, is een stukje couture van de bovenste plank. De ondergrond is zijde met fluweel, versierd met brokaat met daarin granaatappels geborduurd – die symboliseerden vruchtbaarheid, iets wat bij Eleonora met haar elf kinderen wel snor zat. Ook de gouden schakelriem en de vele parels onderstrepen het kostbare karakter van de outfit. Dit is geen jurk meer, maar een advertentie voor de Florentijnse textielkunst: elke zakenpartner van de de’ Medici zag meteen dat Eleonora meer smaak, klasse en geld in haar pink had dan alle andere vrouwen bij elkaar.

If you’ve got it, flaunt it – dat was en bleef lang het motto van de rijke adel. U kent vast de slechte reputatie van de Franse koningin Marie ‘laat ze brioche eten’ Antoinette, die dankzij haar hoge kleermakersrekeningen en onstilbare zucht naar diamanten de bijnaam Madame Déficit kreeg en haar carrière als statussymbool haarloos en uiteindelijk ook hoofdloos eindigde.

Ordinaire bling

Dit soort luxe is niet meer van deze tijd. Althans, niet meer in West-Europa. Er worden nog steeds krankzinnig kostbare juwelen en exorbitant dure jurken gemaakt, en die worden heus als warme broodjes verkocht. Maar niet meer zozeer aan de westerse adel, eerder aan de vrouwen van oliebaronnen (Sjeika Mozah van Qatar, om maar eens een grootafneemster te noemen, google haar vooral even), rijke Russen en Chinezen. En een enkele nieuwrijke popster, acteur of voetbalvrouw. Opulente luxe geldt als ouderwets en ongepast – lezen Donald en Melania ook even mee? Het zal niet voor niks zijn dat Michelle Obama nadrukkelijk laat zien dat ze alleen maatkleren bestelt voor speciale gelegenheden, en voor de rest, ook voor de kinderen, ‘gewoon’ shopt bij Zara of J. Crew.

Ook binnen de internationale modescene is een kentering gaande wat betreft status dressing. Enerzijds is er een herwaardering voor stille, ingetogen luxe en ambachtelijkheid: wel het kwaliteitsproduct, geen ordinaire bling en vette logo’s. Anderzijds wordt oorspronkelijkheid, gekkigheid en eigenheid omarmd, waarmee de drager zichzelf distantieert van de oppervlakkige, traditionele luxe.

De twee meest geprezen en verkochte ontwerpers van dit moment zijn Alessandro Michele van Gucci, die zijn bonte collecties baseert op vintage vondsten, en Demna Gvasalia van het merk Vetements (de naam zegt het al: niet mode maar kleren). Gvasalia maakt een soort antimode die soms zo van het stort lijkt te komen en soms ook echt komt: zijn grootste hit is een spijkerbroek gemaakt van twee oude aan elkaar genaaide Levi’s. Kosten: een kleine 1.000 euro, waarmee zo’n broek, die voor de leek een slordig genaaid ratjetoe lijkt, het ultieme nieuwe statussymbool is geworden. 

Kleding van man en vrouw tijdens de punk-periode: anti-mode met een dikke middelvinger naar het establishment. Beeld Ed van Elsken / Nederlands Fotomuseum

Identiteit

Met de term antimode zijn we mooi aanbeland bij de tweede functie van kleren: die van identiteitsbepaler. Identiteit valt te definiëren als de representatie van het individu tegenover de rest van de wereld. Door wat je draagt, kun je nog voor je één woord hebt gesproken, laten weten dat je bij een bepaalde groep hoort, of – in het geval van antimode – ergens juist níét bij wilt horen. Zo dient voor orthodoxe Joden en Zusters Benedictinessen hun outfit om de buiten-wereld te tonen dat ze bij een geloofsgemeenschap horen. Voor scouts en majorettes dienen hun uniforme uitdossingen ook om hun gemeenschapszin te illustreren, maar hun dracht heeft een beduidend minder streng want vrijwillig gezelligheidskarakter. Dan zijn er nog de vele dagelijkse groepsdrachten die duidelijk maken met wie we te maken hebben: emo of ordi, rapper of rocker.

Wie zich een voorstelling wil maken van de veelheid en diversiteit van stereotype kleding-stijlen: sla er het boek of de site Exactitudes van fotograaf Ari Versluis en stilist Ellie Uyttenbroek eens op na. Een completer en meerzeggender overzicht van types zag u zelden. Wat opvalt: sommige looks gaan decennialang mee, zoals die van de netwerkende old boy in zijn blazer, of de rocker in bandshirt en strakke jeans, andere tribes zijn inmiddels vrijwel uitgestorven, zoals de hakkende gabbers en de midlifemannen in bloemenshirt.

Dikke middelvinger

Veel nieuwe subculturen ontstaan vanuit de gedachte niet of niet langer bij een reeds bestaande groep te willen horen. Logischerwijs rijst die gedachte doorgaans in de puberteit, de periode waarin kinderen veranderen in mopperende mutanten die druk bezig zijn een eigen plek en stem in de maatschappij te vinden. De vetkuiven uit de jaren 50 zetten zich af tegen hun conservatieve vaders met zijscheidingen. De hippies protesteerden in fladderjurken tegen de stijve naoorlogse moraal, tegen Vietnam en tegen rassen- en sekseongelijkheid.

Beeld kos

De punkers staken met hun outfits een dikke middelvinger op naar het establishment en politiek van de late jaren 70. Meer nog dan rockers en hippies gebruikten punkers het lijf als pamflet. Doorsnee kleren werden beschilderd met leuzen en symbolen en opnieuw gecombineerd, waardoor ze een totaal andere betekenis kregen. Schotse ruiten, gescheurde jeans en veiligheidsspelden schreeuwden boosheid en frustratie over armoede en werkloosheid. Door voor vrouwen en mannen een soortgelijke dresscode te hanteren – beiden droegen zowel combat boots als make-up – werd de ideologie van de seksegelijkheid uitgedragen. Want was er iets burgerlijkers dan een scheiding tussen de seksen?

Seks(e)

En zo zijn we bij de derde functie van kleding: het stimuleren of juist voorkomen van seksuele aantrekkingskracht. En het definiëren van sekse. Korte flashback: in het oud-Griekse theater werden alle vrouwenrollen door mannen in dameskleren gespeeld. Dames dienden ver weg te blijven van het toneel, want dat zou ongeluk brengen. Ook in de volgende eeuwen werd het niet kies gevonden als vrouwen de planken op gingen. Dat bleef zo tot de 17de eeuw, toen vrouwen zoetjesaan begonnen op te treden in opera’s, iets wat de toenmalige paus Clemens XI niet beviel. In de woorden van de heilige vader zelf: “Een mooie vrouw die op het toneel zingt en haar kuisheid bewaart is als een man die in de Tiber springt en zijn voeten droog houdt.”

Dwarse paus of niet, vrouwen lieten zich het toneel niet meer afjagen en speelden soms zelfs mannenrollen, zoals Macheath in De driestuiversopera, omwille van het komische effect. Later volgde een lange reeks vrouwelijke Peter Pans, omdat jonge jongens simpelweg niet elke avond tot laat het toneel op mochten.

Hoewel de toneelbezoeker gewend was geraakt aan crossdressing, was het voor iedereen die zich in zijn privéleven wilde hullen in kleren van het andere geslacht niet zo simpel. Mannen die graag vrouwenkleren droegen, moesten dat in het diepste geniep doen, zo lezen we in verslagen over de zogeheten ‘Molly culture’ uit het 18de-eeuwse Engeland, waar homoseksuele mannen elkaar op geheime adressen ontmoetten en zich amuseerden door bevallingen na te bootsen of zich te verkleden als vrouw. Dat terwijl de gangbare mannenkleding uit die tijd best vrouwelijke trekjes had, naar hedendaagse maatstaven althans. De schoenen hadden strikken en de jasjes waren geborduurd met bloemen en glimmers, opdat ze flonkerden in het kaarslicht.

Model Andreja Pejic. Beeld Getty Images

Deftige dames uit die tijd zaten strak in een keurslijf, ook letterlijk. Ze konden amper ademen in hun korsetten, amper lopen in hun strompelrokken en krappe mouwinzetten beletten het om meer te tillen dan een kopje thee. Typerend is ook het ontbreken van jassen voor vrouwen. Zij werden geacht braaf binnen te blijven: sois belle et tais-toi.

Korsetten mochten gelukkig met pensioen in de roaring twenties, de tijd dat de dames met hun rechte jurken en korte kapsels steeds meer op jongens gingen lijken – een erfenisje van de Eerste Wereldoorlog, waarin ze letterlijk hun mannetje hadden moeten staan. Voor vrouwen was het tot ver in de 20ste eeuw nog shockerend om in een broek te verschijnen. Marlene Dietrich veroorzaakte een ware rel toen ze in 1932 een filmpremière in New York bijwoonde in een smoking. Heel Amerika sprak er schande van, terwijl in Parijs niemand nog een wenkbrauw optrok wanneer een dame een broek droeg. Ongetwijfeld te danken aan pionier Coco Chanel, die maar al te graag leentjebuur speelde in de garderobes van haar minnaars en haar kraagloze jasjes zo ruim ontwierp dat moderne vrouwen er een auto mee konden besturen.

Niet dat New Yorkers snel aan de vrouwenbroek wenden, trouwens. In 1968 werd de Amerikaanse socialite Nan Kempner toegang geweigerd door het deftige restaurant La Côte Basque, omdat ze een broek droeg als onderdeel van het toen hippe Yves Saint Laurent-broekpak. De maître d’ van dienst vond voor vrouwen een broek net zo ongepast in een restaurant als een badpak. Waarop Kempner de broek uittrok en doodleuk doorliep, bewerend dat ze nu gewoon een héél kort jurkje droeg.

Beeld kos

Inmiddels schrijven we 2016 en is er een hoop veranderd. Van androgynie op de catwalk kijkt sinds transmodel Andrej Pejic niemand meer op. Jaden, de gender fluid-zoon van Will Smith, was dit voorjaar campagnemodel voor de vrouwencollectie van Louis Vuitton. En behalve de modellen zelf wordt ook de kleding die ze tonen steeds sekseneutraler.

De twee meest gehypte merken, de reeds genoemde Gucci en Vetements, kondigden dit jaar aan geen aparte vrouwen- en mannenshows meer te zullen geven, en ook geen uitgesproken mannelijke of vrouwelijke collecties meer te ontwerpen. Ook ketens doen mee: Zara experimenteerde met de genderneutrale collectie Ungendered, en het Britse Selfridges lanceerde vorig jaar de genderloze pop-upstore Agender. Wat behalve het gelijkheidsbeginsel misschien ook meespeelt: meisjes in jongenskleren en vice versa worden door het contrast enkel spannender – iets wat superverleidster Marlene Dietrich natuurlijk in de smiezen had.

Scandaleus

Komen we bij de voor het voortbestaan van onze soort allerbelangrijkste functie van kleding: het verleiden en bekoren. Waar dieren zich moeten behelpen met metershoge veren en rode billen, heeft de mens goddank nog textiel.

Uiteraard kan ik hier een dikke boom opzetten over de niemendalletjes van Cleopatra of de preutse victorianen, die al bloosden bij het zien van een enkel, maar dat wist u al. Bovendien is er in de loop der jaren niet zo gek veel veranderd: zo schandalig strak en bloterig als de jurken van Kim Kardashian zijn, zo scandaleus was de Happy birthday, mister president-jurk van Marilyn Monroe immers ook. Verleiden is uitdagen: in het meest optimale geval openbaart een aanlokkelijke vrouwenoutfit een gulle belofte, maar blijft er nog iets te raden over. En waar heteroseksuele vrouwen uit de oudheid in katzwijm vielen voor een centurion in gevechtstenue of een gladiator in een leren rokje, daar zijn het nu geüniformeerde piloten of surfers in shorts die de harten sneller doen slaan.

Zoveel mensen, zoveel zinnen, zoveel smaken, en dat is maar goed ook natuurlijk. Gelukkig is er voor elke gelegenheid en elke meug wel een outfit te bedenken. En zo fijn als het is dat je met je eigen kleren kunt vertellen wie je bent en wat je beoogt, en dankzij andermans kleren kunt bevroeden wie zij zijn, zo fijn is het ook dat er af en toe paradijsvogels en vernieuwers opstaan die anders durven te zijn, die willen uitblinken of opvallen, die de straat en daarmee het leven kleur geven. Want grijze muizen en mussen zijn er al meer dan genoeg.

Vandaag verschijnt bij Atlas Contact Dit boek gaat niet over mode – de kracht van kleren, geschreven en samengesteld door Cécile Narinx, Merel Bem en Marije van Regenmortel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234