Maandag 23/09/2019

Onze man in Le Mans

Zes jaar na het onvolprezen De Formule 1-fanaat presenteert Koen Vergeer, poëzierecensent van professie, zijn tweede boek over de autosport, Le Mans. Niemand anders dan hij kan tegelijk zo passioneel, zo zakelijk, zo technisch precies en zo meeslepend over autosport schrijven.

Literaire boeken over autosport lijken een contradictio in terminis. Het zijn immers boeken die ook lezers moeten aanspreken die niet van mechaniek houden, die niets voelen bij glimmende carrosserieën, die het worst zal wezen of een auto optrekt van nul in zoveel seconden tot honderd per uur - het macho-idee alleen al. En toch lukt het Koen Vergeer, nu dus de tweede keer op rij. Waar Vergeer de begeestering haalt om een in wezen erg technisch gebeuren om te zetten in een meeslepende tekst staat ergens halfweg dit boek: bij de jongensstrips van Michel Vaillant. Michel Vaillant! De naam alleen al: het moet wel gaan om een moderne opvolger van de legendarische ridder Valiant. Zeker de eerste verhalen van die stripreeks bevatten stemmige evocaties van de tijdgeest van de jaren vijftig en zestig, en dat via beeldverhalen van het automilieu. Michel Vaillant was held van zoveel jongens: van Koen Vergeer, zeker en vast, en ook van ondergetekende. Vergeer, zo bekende hij in zijn vorige boek, heeft zelf geen rijbewijs.

Natuurlijk voerde Michel Vaillant ons mee naar Le Mans, dat legendarische circuit in Frankrijk. Vergeer noemt de 24 uren van Le Mans terecht een van de klassiekers van de moderne autosport, samen met de 500 mijl van Indianapolis (voor de VS) en de Grote Prijs van Monaco (voor het Formule-1-circuit) - hij had daar ook nog de Rally van Monte Carlo aan mogen toevoegen.

Le Mans was in alles speciaal. Dat begon al bij de typische start, die inmiddels verdwenen is: alle wagens stonden schuin naast elkaar geparkeerd, de piloten aan de andere kant, tegenover hun wagen. Als het signaal klonk, spurtte iedereen naar zijn wagen en stoven die machines ervan door, voor 24 lange, slopende maar ook magische uren.

Le Mans, legt Vergeer uit, heeft minstens zoveel als de Formule 1. Jarenlang durfden de grote namen van die 'koninginnencategorie' die het ook in Le Mans tegen elkaar op te nemen: Juan-Manuel Fangio, John Surtees, Bruce McLaren, Graham Hill, Jochen Rindt - op Fangio na is dat ook een indrukwekkende necrologie van piloten die tijdens hun actieve carrière het leven lieten - en onze eigen Jacky Ickx, maar over hem straks meer. Jawel, ook Le Mans was een dodelijk race. Piloten crashten, en ook toeschouwers stierven. Op 11 juni 1955 vond in Le Mans trouwens de grootste ramp uit de racerij plaats, met (vermoedelijk) 81 doden. De Mercedes van Levegh knalt achterop de Austin van Macklin, het tuig vliegt door de lucht, smakt tegen een betonnen publiekstunnel en ontploft. De ravage is verschrikkelijk. Ook Levegh sterft, al dacht men eerst dat hij de crash overleefd had. Tot een journalist zijn helm ontdekte in de hand van een hulpverlener: "Wat er nog in de helm zat, wil je niet weten". Neen, Le Mans is niet alleen de heroïek van stripverhalen.

Het ging er sommige jaren ook moorddadig snel toe, nog ontiegelijk veel vlugger dan in de Formule 1, met snelheden die opliepen tot 400 (400!) kilometer per uur. Een paar aanpassingen hebben het circuit inmiddels 'vertraagd', of hoe dat ook mag heten. Ook Vergeer worstelt met die ambiguïteit. Oh, hoe bewondert hij de mateloze kracht van die machines, de waanzinnige Porsche 917 op kop. Maar ja, hij is nog altijd voldoende mens om toe te geven dat dat eigenlijk moorddadige tuigen waren. Zoals een piloot bekende: "Je had altijd het gevoel aan het randje van een frontend crash te zitten, met alleen wat glasfiber en de koeler tussen jezelf en de omgeving. Objectief gezien was de 917 een echte death-trap."

Anders ook dan in de Formule 1, waar, op Ferrari na, de jongste tijd vooral teams rijden die geen uitstaans hebben met auto's die u weleens op de weg tegen kunt komen (ooit naast een McLaren staan wachten voor het stoplicht? Door een Williams ingehaald op de snelweg?), heeft Le Mans minder met prototypen en meer met auto's te maken. Bentley nam het in Le Mans op tegen Aston Martin, Porsche, Mercedes, Ferrari, Ford natuurlijk, noem maar op. Goed, dat zijn nog altijd niet de meest proletarische karretjes, maar ze hebben tenminste al meer aansluiting met wat een normaal mens onder het begrip 'auto' verstaat. Een Le Mans-bolide heeft bijvoorbeeld koplampen.

Maar ook een motor zoals u en ik niet kennen. In de eerste scène in het boek vertelt Vergeer hoe hij tijdens trainingsritten ooit een sluipweg nam tot bij het circuit, hoe ineens zo'n auto aan komt suizen, en hoe fysiek overrompelend de passage is van zo'n indrukwekkend monster: "Het motorgeluid wordt een voelbaar brullen, de aarde beweegt (...) Een helse machine die het vredige landschap openscheurt. In een flits vaart een nucleair sacre du printemps je door lijf en leden, een kokend, hypergeconcentreerd, sierlijk machientje rijt je darmen uiteen, lymfevaten, gehoorgangen en hersencentra gaan aan flarden..." Vergeer verraadt al op de eerste pagina waarom hij zo verslingerd is aan Le Mans, en hij kan zijn eigen passie zo goed op de lezer overbrengen: Le Mans is 'echt'. Le Mans is voelbaar, zoekt de grens op tussen fysiek genot en lichamelijke pijn, zowel voor de racers als de toeschouwers. Le Mans is veel minder show dan de Formule 1, want er is veel meer competitie, dus meer strijd, dus de favorieten riskeren ook veel meer. Michael Schumacher kan Formule-1-wedstrijden veel nauwkeuriger programmeren, en bijgevolg ook zijn overwinningen. In Le Mans kan niemand alle factoren incalculeren, en dus halen de nieuwe vedetten er hun neus voor op.

Echte helden durfden hier wel te starten, en wonnen nog ook. De allergrootste held is zesvoudig winnaar Jacky Ickx. Vergeer evoceert diens grootheid met adembenemende beschrijvingen van de races die hij reed. Dan is Koen Vergeer op zijn best. Het zijn bladzijden waarbij je op het puntje van je stoel gaat zitten, kapot van spanning, meegezogen door de sfeer, steil van bewondering voor de helden wier gloriedaden.. neen, die hij níét bezingt, maar tamelijk zakelijk beschrijft. Maar juist dat werkt. Neem de editie van 1977, met Renault, dat eindelijk eens wil winnen, en daarvoor alle grote Franse autopiloten inzet, met namen die nu nog klinken als klokken: Jabouille, Lafitte, Tambay, Depailler, Pironi. Vergeer: "Maar Porsche had Ickx." Ickx. Jacky Ickx. Aanvankelijk vlot het dat jaar niet voor Ickx. Zijn teamgenoot (Le Mans wordt door teams van twee piloten gereden) joeg de motor van hun wagen stuk, Ickx kon uiteindelijk verder als luxe-reservepiloot van een ander Porsche-team, eentje dat op dat ogenblik in 41ste positie lag. Volkomen kansloos dus. Maar Ickx, zonder echte stress, zou er toch nog eens tegenaan gaan: "Niet voor de winst, maar gewoon om zo hard mogelijk te gaan". De technici stelden de turbo waanzinnig scherp af, en Ickx vertrok. Hij reed per ronde 10 seconden sneller dan de Renaults aan kop van de wedstrijd. Hij haalde het ronderecord neer. En, belangrijker nog, "de auto bleef heel". "Toen", zei Ickx "kwam er een soevereine gratie over ons." De rest leest u zelf, Vergeer heeft het ook superieur verteld.

(Tussen haakjes: er moet eens iemand een essay maken over de late jaren zestig, vroege jaren zeventig. Op dat ogenblik had België in zowat alle sporten tegelijk de grootste sportmannen ooit: de beste wielrenner ooit (Eddy Merckx) de beste piloot (Jacky Ickx), de beste motorcrosser (Roger De Coster), misschien wel de beste voetballer (Paul Van Himst), de beste biljarter (Raymond Ceulemans), en zelfs de drie beste atleten (Gaston Roelandts, Miel Puttemans en Karel Lismont). En het rare is dat dat fenomeen zich tegelijk ook in andere landen voordeed. Ook Brazilië (Pelé), Nederland (Cruijff), Engeland (Bobby Moore) en misschien wel Duitsland (Beckenbauer) hadden juist toen hun beste voetballers, de zwemsport een van zijn allergrootste vedetten (Spitz), zonder discussie ook het boksen (Cassius Clay - Mohammed Ali), tot zelfs het schaken toe (Bobby Fischer). Welke sport- of cultuursocioloog kan dat fenomeen duiden?)

Vergeer niet. Die moet zich beperken tot zijn grote liefde, zijn passie, zijn lust en leven: de autosport. Daarin is Koen Vergeer wat Benjo Maso (Wij waren allen Goden) is voor het wielrennen, of August Willemsen (De goddelijke kanaries) voor het voetbal: auteurs van boeken die de sport beter en aangrijpender maken, die de magie voor de insiders en kenners omzetten in betovering voor het grote publiek. Het zijn boeken die, zonder veel valse bescheidenheid, hun plaats hebben in de buurt van Nick Hornby (Bij het tuig) of Dino Buzzati (De Ronde van Italië). In zijn literaire subgenre neigt Koen Vergeer stilaan naar de internationale top.

Walter Pauli

Koen Vergeer

Le Mans

Atlas, 256 p., 17,50 euro.

Vergeer evoceert de grootheid van Jacky Ickx met adembenemende beschrijvingen van de races die hij reed. Het zijn bladzijden waarbij je op het puntje van je stoel gaat zitten, kapot van spanning, meegezogen door de sfeerHij kan de magie voor insiders en kenners omzetten in betovering voor het grote publiek

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234