Woensdag 18/09/2019

‘Onze collectie is geen dode materie’

Koninklijk Museum voor Midden-Afrika viert honderdste verjaardag

Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika is precies dubbel zo oud als het land waar het zijn bestaan aan dankt. Vijftig jaar Congo, honderd jaar Tervuren, over een tropenjaar gesproken. Vlak voor de start van een ambitieus moderniserings- programma doken we in de kelders van het museum. Een opgezette bonobo, een paraplubak in de vorm van een uitgeholde olifantenpoot, het is maar een futiele greep uit een collectie die zich slechts in miljoenen laat becijferen.

Door Erik Raspoet / Foto’s Jonas Lampens

ou ons vorstenpaar aan Tervuren hebben gedacht? Natuurlijk hadden ze het druk tijdens hun eerste bezoek aan Congo. Maar de melding mocht toch niet ontbreken op hun takenlijstje: souvenir voor Tervuren meebrengen! Immers, noblesse oblige. Geen enkele Van Saksen-Coburg is ooit uit Congo teruggekeerd zonder presentje voor het Afrikamuseum. Boudewijn spande op dat vlak de kroon. Tijdens zijn odyssee in 1955 door Belgisch Afrika verzamelde hij hele containers voor Tervuren. Luipaardvellen, slagtanden, trommels, sculpturen, maskers, speren en schilden. In Laken wisten ze er geen blijf mee. Het gros van de oogst belandde dan ook in de mythische kelders van wat tegenwoordig officieel het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika heet.

Guido Gryseels maakt meteen komaf met de mythe. “Dat van die kelders is compleet achterhaald”, zegt de directeur. “Vroeger lag alles inderdaad opgestapeld in de gewelven onder het museum, waar trouwens ook de laboratoria gevestigd waren. Onhoudbaar, en levensgevaarlijk ook. In onze zoölogische collectie zitten 750.000 vissen en 350.000 reptielen. Allemaal verschillende specimens, elk bewaard in een bokaal met alcohol. Stel dat daar ooit brand was uitgebroken, dan was het hele museum in rook opgegaan. Zo’n risico konden we niet meer lopen. Alleen al onze collectie etnografica wordt op 300 à 400 miljoen euro geschat, en dan spreek ik nog niet van de wetenschappelijke waarde. Twintig jaar geleden hebben we alles hier weggehaald. Nu ligt de collectie veilig opgeslagen, verspreid over zeven gebouwen die uitgerust zijn met de modernste technologie.”

Wat geen mythe is: de collectie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika is met afstand ’s werelds grootste en meest diverse in haar soort. De cijfers zijn om van te duizelen. Vissen en reptielen, nochtans goed voor een paar met bokalen volgestouwde zalen, vormen slechts een fractie van de verzameling zoölogica. In totaal liggen er zo’n 10.000 miljoen dierlijke specimens, waarvan 6 miljoen insecten. Toch roept Tervuren in de eerste plaats het beeld op van vitrinekasten met Afrikaanse maskers, trommels, speren, sculpturen en andere cultuurvoorwerpen. Dat zijn de etnografica, een verzameling van 120.000 objecten waaronder talloze unieke stukken. Maar Tervuren bezit ook 20.000 kaarten, de oudste daterend uit de zestiende eeuw, de recentste met satelliet gemaakt. Erg bijzonder is het fotoarchief met meer dan 1 miljoen foto’s en 3.000 films uit de koloniale tijd.

Minder tot de verbeelding sprekend maar wetenschappelijk én economisch even belangwekkend is de geologische verzameling met kaarten van een onoverzienbare hoeveelheid bodemmonsters. Wat zit er in de Congolese bodem? En waar precies? Nergens weten ze het beter dan in Tervuren. Om de gaten te vullen is er ten slotte het historisch archief: 2 kilometer papier, waaronder duizenden brieven en foto’s én tientallen dagboeken van Henry Morton Stanley.

“Het verzamelen is al heel vroeg begonnen”, zegt Gryseels. “Al in de tijd van Kongo-Vrijstaat werd er van alles naar Brussel opgestuurd. Het museum zelf is opengegaan in 1910. In dat jaar heeft het parlement een wet gestemd die het verplicht maakte alle cultuurgoederen uit Congo aan Tervuren te schenken.” Het collectioneren was een zaak van nationaal belang. Militairen, ambtenaren, missionarissen, leerkrachten, alle blanken in de kolonie deden mee.

“Niet alle stukken zijn van bonafide oorsprong”, zegt Gryseels. “Er werden echte plundermissies georganiseerd. Generaal Lemaire, een van de pioniers van Vrijstaat, heeft hele dorpen leeggeroofd. De buit ging recht naar Tervuren. De collectie-Lemaire is op zich een half museum waard.” De oogst van de overigens zeldzame koningsbezoeken aan de kolonie was uiteraard welkom. Toch stelde die weinig meer voor dan een druppel in de oceaan. Oneindig veel belangrijker waren de wetenschappelijke expedities die Tervuren met grote regelmaat uitstuurde, vaak met een heel specifieke opdracht in een welomschreven gebied.

Onlangs nog werd de traditie nieuw leven ingeblazen. Begin juni is in Kisangani de erg ambitieuze Expeditie Congostroom 2010 gearriveerd. De machtige stroom en zijn aangelanden werden aan een intensief en multidisciplinair onderzoek onderworpen. Aan boord van een vlottend dorp bevonden zich botanici, biologen, antropologen, cartografen, linguïsten, geologen en artsen, samen zeventig wetenschappers van tien verschillende nationaliteiten. “De helft waren Congolezen”, zegt Gryseels. “Vorming is een van onze kerntaken. We leiden Afrikaanse wetenschappers op in alle disciplines die we zelf in huis hebben. Maar we dragen ook onze museale expertise uit, zowel restaureren, inventariseren als beveiligen van collecties. Een paar weken geleden is in Kinshasa het Musée National opengegaan. Het was een historische gebeurtenis, want voor het eerst krijgen de Congolezen zelf de kans om hun kunstschatten te bewonderen. Wel, dat museum is er gekomen dankzij Tervuren. Wij hebben alles gedaan, zowel de inrichting van de zaal als de opleiding van het personeel.”

Hij kan het niet genoeg benadrukken: Tervuren is veel meer dan een depot van faraonische allure. “We zijn hét referentiecentrum voor alles wat met Midden-Afrika te maken heeft. Onze collectie is trouwens geen dode materie. Jaarlijks komen tientallen wetenschappers uit de hele wereld over de vloer om bijzondere stukken te onderzoeken. Zelf zijn we actief in meer dan twintig Afrikaanse landen. Zo hebben we een spinnenproject in Ghana lopen. Onze biologen gaan er op zoek naar onontdekte soorten die in de kruinen van bomen leven. Toch blijft Congo ons voornaamste werkgebied. We zijn er op de meest uiteenlopende terreinen bedrijvig. Wil je de mijnbouw in Katanga geologisch of antropologisch doorlichten? Wij hebben de kennis in huis. De verspreiding van het Lingala langs de Congostroom? Wordt door onze linguïsten onderzocht. Het waarschuwingssysteem voor aardbevingen in het Virungapark? Is door onze geologen ontworpen.”

Gryseels trakteert ons op een beknopte rondleiding. Die begint verrassend genoeg in de kelders onder zijn eigen kantoor, dat op het museumplateau ligt. Waren die dan niet leeggemaakt? “Er is een overschotje achtergebleven”, zegt hij. “Stukken zonder bijzondere waarde.” We lopen door een labyrint van gangen en loodsen. Een 2 meter groot schaalmodel van een Congoboot staat plompverloren in een hoekje. Verzamelaars van nautica zouden er een moord voor begaan, maar Gryseels gunt het geen blik. Een verdwaalde vitrinekast uit 1913 is door de schoonmaakploeg aangeslagen en ingericht als minitentoonstelling: schoonmaakproducten van het interbellum tot nu

Gryseels duwt een deur open en knipt het licht aan. Overschotjes? Voor ons verbaasde oog strekt zich een waarlijk fabelachtige collectie jachttrofeeën uit. Letterlijk honderden zoogdieren en vogels kijken ons met starre ogen aan. Imposant zijn de neushoorns en nijlpaarden die van de schouder af uit de muur priemen. Giraffen, zo blijkt, maken met dezelfde pose een veeleer koddige indruk. “Veel kunnen we hier niet mee”, zegt Gryseels. “Kinderen zien dat niet graag meer in een tentoonstelling. Ocharme die brave dieren, denken ze. Soms geven we een opgezet exemplaar in bruikleen. Als de toneelvereniging van Overijse een leeuw nodig heeft, dan weten ze waar ze moeten aankloppen.” Hij tilt het deksel op van een zware kist, tot de rand gevuld met gelooide huiden. Gelet op het aantal van die kisten is de gok gewettigd: hier moeten honderdduizenden dierenhuiden liggen. “Deze collectie wordt wel eens door moleculair biologen benut”, zegt Gryseels. “Op hun verzoek snijden we dan een stukje uit een huid. Met DNA-onderzoek valt daar veel uit te leren. Hoe zit het met de verspreiding van zebra’s in Midden-Afrika? Een deel van het antwoord ligt in deze kisten.”

Een bonobomoeder met jong klampt zich vast aan een tak. Ze heeft er niet om gevraagd, maar ze illustreert in haar eentje het wetenschappelijke nut van deze massaslachting. “Je weet toch dat de bonobo’s in Tervuren werden ontdekt”, zegt Gryseels. “In de loop der jaren hadden ze een collectie van zevenduizend chimpanseeschedels aangelegd. Op een dag, het was in 1933, heeft iemand vastgesteld dat een aantal van die schedels toch wel afwijkende kenmerken vertoonde. Zo heeft men het bestaan van de bonobo achterhaald. Trouwens, ook de Congopauw is in Tervuren ontdekt.”

Een andere deur, een vergelijkbare zaal. Hier staan de olifanten, zowel volledig als in onderdelen. Uitgeholde en vakkundig gelooide olifantenpoten zijn ideale paraplubakken, je moet ervoor naar Tervuren komen om het te vernemen. De tientallen schedels op de vloer vormen een strak patroon, hier kan geen conceptueel kunstenaar tegenop. “Zie je die voorste tanden”, zegt Gryseels. “Die gebruiken ze om gras en bladeren af te snijden. In de levensloop van een olifant worden die tanden een paar keer vernieuwd, maar op een bepaald moment is het op. Olifanten kennen een tragisch einde. Als hun laatste reeks snijtanden versleten is, sterven ze onherroepelijk van de honger.”

Blijft de vraag: wat is het nut van dit alles? Minder dan 1 procent wordt in eigen huis tentoongesteld. “Maar we geven ook veel in bruikleen”, zegt Gryseels. “Meestal gaat het om etnografica. Vorig jaar hebben we aan dertig expo’s meegewerkt. Het gaat vaak om topmusea, zoals het Smithsonian in Washington of het Museum of Mankind in Londen. Zonder opscheppen: het is ondenkbaar om een tentoonstelling over kunst en cultuur in Midden-Afrika samen te stellen zonder langs Tervuren te passeren.”

Het nut van de collectie? Voor een afdoend antwoord lopen we naar het CAPA-gebouw, een complex uit de jaren tachtig dat wat verscholen ligt in het mooie museumpark. Hier zijn de meeste laboratoria gevestigd, hier ligt ook het gros van de collectie. De bokalen met vissen en reptielen hebben er een onderkomen gevonden, net als de verzameling etnografica. Speren? Er liggen er een paar tienduizend, genummerd en getypeerd, opgeslagen in op maat gemaakte kasten. Het gros werd in Congo ingezameld, maar sommige wapens belandden via een omweg in Tervuren. “Er zijn speren die veertig jaar in een Vlaamse huiskamer hebben gehangen”, zegt collectiebeheerder Hein Vanhee. “En ja, hoe gaat dat? De mensen raken erop uitgekeken en brengen het naar Tervuren. We ontvangen nog veel schenkingen.”

Het is echter niet zijn verzameling speren die Vanhee wil tonen. Hij neemt ons mee naar zijn computer. De pas vernieuwde website van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, dat is de toekomst. “We zijn al jaren bezig met het digitaliseren van onze collectie”, zegt hij. “Die speren zitten in ons intranet, net zoals honderdduizenden andere objecten. Dit jaar zijn we met de volgende stap begonnen: we hebben een selectie van 3.500 voorwerpen online geplaatst. Om dat cijfer in perspectief te plaatsen: ook het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark is zijn collectie aan het digitaliseren. Daar zijn ze heel trots omdat ze intussen zo’n tweehonderd objecten online hebben. Toch is dit maar een begin. We hopen ons aanbod binnen de kortste keren te verdubbelen. Heel wat wetenschappers zullen zich in de toekomst een verre verplaatsing naar Tervuren kunnen besparen. Een kristalheldere foto, een begeleidende tekst met vindplaats, datering en etnografische beschrijving. Ze vinden alles wat ze nodig hebben, vanuit hun zetel.”

Wonderlijk, als men denkt aan de liters zweet die het aanleggen van de verzameling gekost heeft, om nog te zwijgen van slangen, muskieten en ander tropisch ongerief. Ook het fotoarchief wordt volop gedigitaliseerd. Het nut van die inspanningen bleek deze week tijdens het koningsbezoek. In de zak met relatiegeschenken van Albert en Paola zat een schitterende box met dvd’s en een begeleidend boek. Het pas verschenen kleinood bevat twintig films die voor 1960 in Congo, Rwanda en Burundi werden gedraaid. De bestemmeling van het cadeau heet Joseph Kabila. Zou de Congolese president een wedergebaar hebben gesteld? Heeft Albert II een snoepje voor Tervuren in petto? “Geen flauw idee”, lacht Gryseels. “Maar er kan altijd nog iets bij.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234