Zondag 20/10/2019

Interview

"Onthaal-oma's? Klinkt tof, maar er is maar één oplossing: meer crèches!"

Beeld Levi Jacobs

We moeten er ons bij neerleggen dat het aantal onthaal­ouders de komende jaren zal blijven dalen. Voor ‘kinderopvang­professor’ Michel Vandenbroeck is het vrij duidelijk. ‘We moeten meer inzetten op de crèches. Dat kost geld, maar het is een politieke keuze die moét worden gemaakt.’

Gerommel in de marge. Zo noemde Michel Vandenbroeck, hoofd­docent gezins­pedagogiek aan de UGent, deze week het Roeselaarse initiatief om ‘onthaal­oma’s’ in te zetten. De stad deed dat omdat het aantal onthaal­ouders sterk aan het dalen is. Maar aan die daling is niets verwonderlijks, meent de specialist kinder­opvang. “De belangrijkste reden waarom het aantal onthaal­ouders zo fors daalt, is dat hun aantal in de jaren tachtig zo sterk gestegen is.”

Michel Vandenbroeck, hoofd­docent gezins­pedagogiek aan de UGent. Beeld Eric de Mildt

Hoe bedoelt u precies?

Michel Vandenbroeck: “In de jaren tachtig begon de tewerk­stellings­graad van vrouwen, die voornamelijk in de diensten­sector werkten, te stijgen. En dus steeg ook de behoefte aan kinder­opvang. De overheid had in die crisis­jaren niet het geld om de kinderdagverblijven uit te breiden en begon het systeem van onthaal­ouders, meestal vrouwen die thuis enkele kindjes opvingen, te promoten. Die vrouwen hadden geen werknemers­statuut en waren dus goedkoper. De regering sloeg zo twee vliegen in één klap: er kwam een goedkopere kinder­opvang én vooral lager geschoolde vrouwen verdwenen uit de werkloos­heids­statistieken. Het was een tactiek die in heel wat landen werd toegepast.

“Tot een stuk in de jaren negentig steeg het aantal onthaal­ouders spectaculair. Die vingen uiteindelijk meer dan de helft van de op te vangen kindjes op. Wat we nu zien, is dat veel van die mensen met pensioen gaan. De leeftijds­piramide van de onthaal­ouders toont ons dat de daling nog enkele jaren zal doorzetten.”

Onthaal­ouders gaan massaal met pensioen, zegt u. Komen er dan geen nieuwe mensen bij?

“Veel minder. Daar heeft de vrouwen­emancipatie voor gezorgd. Vrouwen studeren vandaag beter dan mannen. Dat wil dus zeggen dat de groep waar traditioneel uit gerekruteerd werd, kleiner is geworden. Bovendien wordt de groep vrouwen met als toekomst­perspectief ‘ik blijf thuis voor de kinderen en neem er nog enkele bij’ steeds kleiner. Daar is niet mis mee, het is een normale sociologische evolutie.”

Volgens de vakbonden ligt de daling van het aantal onthaal­ouders vooral aan het precaire statuut waarin die mensen zitten.

“Dat klopt niet. Er zijn landen, zoals Zweden, waar onthaal­ouders wel een goed statuut hebben. Maar ook daar neemt hun aantal af. Om dezelfde redenen als bij ons. Ik wil zeker niet zeggen dat die mensen geen goed statuut mogen hebben. Maar het is een utopie te denken dat we de daling daarmee kunnen stoppen. Die is onomkeerbaar. We moeten ons daar dus bij neerleggen. We kunnen de daling hooguit wat vertragen.”

Hoe dan?

“Door ervoor te zorgen dat de onthaal­ouders die er nog zijn, het beter kunnen volhouden. Een van de grootste problemen van onthaal­ouders is het isolement. Iedereen werkt alleen in zijn eigen huis. Op den duur zou je de muren oplopen. Om dat te doorbreken moeten we op zoek naar hybride vormen van opvang. De strikte scheiding tussen gezins­opvang door een onthaal­ouder en de groeps­opvang in een crèche moeten we durven verlaten.

“Een goed voorbeeld is wat ze in Frankrijk de crèche familiale noemen. Enkele onthaal­ouders maken afspraken met een lokale crèche, zodat ze enkele dagen of halve dagen per week kunnen komen ‘spelen’ met hun kindjes. De onthaal­ouder kan ervaringen uitwisselen met de mensen van de crèche en de kindjes kunnen eens een dagje in een andere omgeving en met ander speelgoed spelen. We moeten in dat soort structuren gaan denken.”

Maar dat lost het probleem van het opvang­tekort niet op. Het zorgt er enkel voor dat het tekort niet zo snel nog groter wordt.

“Er is inderdaad meer nodig. De behoefte aan kinder­opvang neemt toe, want steeds meer ouders gaan met z’n tweeën werken. De informele kanalen, denk aan groot­ouders of familie, nemen af. Ook het aantal onthaal­ouders – die semi-informeel genoemd kunnen worden – daalt. Er is dus maar één oplossing: meer formele opvang creëren. Meer crèches dus.”

Klinkt eenvoudig, maar is dat wel betaalbaar?

“Het kost geld, ja. Maar je moet als samenleving wel weten wat je wil. Je kunt niet willen dat we, zoals de Europese norm stelt, naar 70 procent tewerk­stelling gaan van mannen en vrouwen, dat iedereen tot 67 jaar moet blijven werken én tegelijkertijd willen dat kinder­opvang door mantelzorg gebeurt. Dat gaat niet. Je moet kiezen.

“Of er middelen zijn, is een politieke vraag. Zijn er geen middelen of is men niet bereid om daar middelen voor vrij te maken? Het is volgens mij een kwestie van prioriteiten stellen. Groot­ouders inschakelen klinkt sympathiek, maar wat we nodig hebben zijn duurzame oplossingen op lange termijn.”

De bevoegde minister, Jo Vandeurzen (CD&V), zag nochtans mogelijkheden in het Roeselaarse project met onthaal­grootouders.

“Daar gaan we het niet mee redden. Verre van zelf. Kijk, er zijn niet alleen meer crèches nodig, er is ook een grote investering nodig om de doelstellingen uit het decreet van 2014 te halen. Dat zegt dat iedereen die in de kinderopvang werkt, tegen 2024 gekwalificeerd moet zijn. Moet je dan investeren in groot­ouders die dat wellicht maar enkele jaren zullen doen? Of in jonge moeders die even onthaalmoeder zijn tot hun eigen kindje naar de kleuterschool gaat? Je kunt niet investeren in de professionaliteit van mensen die het maar voor een korte tijd doen. Dat is je geld wegsmijten.

“De sector zelf zal het me niet graag horen zeggen, maar ik vind dat we de drempel om onthaal­ouder te worden niet moeten verlagen, maar net verhogen. Als je deze sector duurzaam wil maken, dan heb je beter tien mensen die blijven dan twintig die telkens wisselen.”

U had het net over die kwalificaties. Wat wordt er precies verwacht van iemand die in de kinder­opvang werkt?

“Dat is een heel technisch dossier en er loopt op dit moment ook heel wat fout. Leiding­gevenden moeten tegen 2020 een kwalificatie hebben, de mensen die met kinderen werken tegen 2024. Op dit moment is slechts de helft van de leiding­gevenden in orde. Alles is nochtans voorzien. Aan een aantal hogescholen kunnen leiding­gevenden de opleiding pedagogie van het jonge kind in een online­module volgen. Die zit goed in elkaar en valt te combineren met een job. Maar ze wordt nu amper gebruikt.

“Ook voor mensen die met kinderen werken bestaat een opleiding, de onthaalouder­academie. Een heel praktische opleiding die erg ondersteunend kan werken. Maar ook daar hetzelfde: te weinig mensen volgen de opleiding.

“Hier is een duidelijke taak weggelegd voor de overheid: die moet mensen in de sector meer aanzetten om zich in orde te stellen. We willen allemaal dat onze kinderen opgevangen worden door mensen met de juiste competenties en knowhow. Dan moet de overheid die mensen ook incentives geven om een opleiding te volgen. Er bestaat nu geen beleids­plan. De kans is bijzonder klein dat we de doelstellingen uit het decreet halen. En bij ongewijzigd beleid is het absoluut zeker dat we het niet halen.”

We hadden het nu vooral over de daling bij onthaal­ouders. Hoe zit het bij de groeps­opvang, de crèches dus?

“Ook daar is nog werk aan de winkel. Er komen wel degelijk plaatsen in crèches bij. Het budget voor kinder­opvang is sinds 1989 ook elk jaar verhoogd. Toch is er vooral in de steden een probleem. De wijken in de steden die het dichtst bevolkt zijn, zijn de wijken waar de meeste kinderen worden geboren. Maar dat zijn ook vaak de armste wijken waar het minst plaats is om een nieuwe crèche te bouwen.

“De middelen die de Vlaamse regering jaarlijks vrijmaakt, gaan altijd naar wie het snelst plaatsen kan maken. De nood is hoog en een regering ziet graag meteen resultaat. Er worden dus vooral bestaande kinderdagverblijven uitgebreid in plaats van nieuwe gebouwd. Met andere woorden: waar er weinig aanbod is en de nood het hoogst is, komen er minder snel plaatsen bij. Zo maak je de ongelijkheid alleen maar groter.”

In de kinder­opvang zie je tegenwoordig ook enkele trends: onthaal­ouders bijvoorbeeld die enkel op schooldagen werken en dus niet op woensdagnamiddag en tijdens school­vakanties. Of crèches waar je een jaar op voorhand moet zeggen op welke dagen je kindje zal gaan. Waarom wordt het werkende ouders zo moeilijk gemaakt?

“In regio’s waar plaats­tekort is, zie je inderdaad dat onthaal­ouders kunnen kiezen wie ze opvangen en wanneer. Maar andere onthaal­ouders zijn dan weer heel flexibel. Veel flexibeler dan een crèche kan zijn. Dat heeft te maken met een aantal bepalingen in het decreet kinder­opvang. De regelgever heeft gemeend dat in tijden van schaarste we zo efficiënt mogelijk moeten omgaan met bestaande plaatsen en dat er dus geen plaatsen open mogen blijven. Dus is er een regel ingevoerd: bestellen is betalen. Als je een plaats wil, moet je nu inderdaad op voorhand kunnen zegen welke dagen je kindje gaat. Gaat je kindje niet, dan moet je toch betalen. Sommige crèches rekenen dan zelfs het maximum­tarief aan voor die dag.

“Je hoeft geen onderzoek te doen om te weten wie door dit systeem wordt uitgesloten. Mensen met een 9 to 5-job kunnen perfect zeggen welke opvangdagen ze het komende jaar nodig hebben. Maar wie in moeilijker omstandigheden werkt of werkloos wordt, is gesjareld.

“We zijn op dit moment bezig met een onderzoek naar de impact van de sluiting van Ford Genk op de opvang van jonge kinderen in enkele Limburgse gemeenten. Mensen die in de werkloosheid terechtgekomen zijn, hebben grote moeite met het gebrek aan flexibiliteit van de crèches. Op dagen dat ze thuis zijn, hebben ze geen opvang nodig. Maar als de VDAB hen oproept of ze ergens enkele dagen moeten gaan werken, natuurlijk wel. In die Limburgse gemeenten zien we dat het dan vooral de onthaal­ouders zijn die bijspringen.”

Beeld Levi Jacobs

Het aantal onthaal­ouders daalt, er komen wel plaatsen bij in de crèches maar vaak niet op de plaatsen waar het het meest nodig is. Is het tekort aan opvangplaatsen in een concreet cijfer uit te drukken?

“Neen, dat gaat moeilijk. De vraag naar opvang evolueert voortdurend. Maar op zich doen we het niet zo slecht in vergelijking met andere landen. Om het in wieler­termen uit te drukken: je hebt een kopgroep die ontsnapt is. Dat zijn de Scandinavische landen. Daar zie je dat ongeveer 70 tot 80 procent van de kinderen regelmatig opvang gebruikt. Achter de kopgroep heb je het peloton. Wij zitten daarin vooraan. Wij zetten net boven de 50 procent.”

De opvang van baby’s en peuters is één ding. Maar eenmaal het kindje naar school gaat, komt het in de buiten­schoolse opvang. Ook daar zijn problemen. Voor ouders is het heel moeilijk om de weg te vinden.

“Klopt. Er is een grote behoefte aan buitenschoolse opvang die nu niet kan worden ingevuld. En anders dan bij de kleintjes is de opvang hier vaak enorm versnipperd. Je hebt de buitenschoolse opvang op school, maar ook andere private en publieke organisaties verzorgen opvang. Zowel na school als op woensdagnamiddagen en vakantiedagen. Het probleem is dat die initiatieven in verschillende sectoren zitten: welzijn, onderwijs, jeugd, sport, cultuur. En elke sector heeft een eigen regelgeving en subsidiëring.

“En dan krijg je soms rare dingen. Je kunt je kind inschrijven voor een basketbalkampje tijdens de vakantie. Voor jou is dat een mooie oplossing als opvang, maar die basketbalclub wil absoluut geen opvang zijn. En dus laten ze het kampje maar tot 15 uur duren, wat voor een werkend koppel moeilijk ligt. Het is dan aan de gemeente om een coördinerende rol op te nemen en bijvoorbeeld andere opvang te laten aansluiten op dat kampje. In heel wat gemeenten gebeurt dat al, maar nog lang niet overal.”

Klopt het aanvoelen dat buiten­schoolse opvang op school bijvoorbeeld toch veel minder populair is dan kinder­opvang op jongere leeftijd?

“Niet echt. Wel is het zo dat er vanaf een bepaalde leeftijd een probleem is met die buiten­schoolse opvang. We hebben vorig jaar een grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaring van kinderen in de buiten­schoolse opvang. Bleek dat die kinderen relatief erg tevreden zijn. Toch tot rond de leeftijd van 10 jaar. Daarna daalt dat sterk. Onze buiten­schoolse opvang gaat nu mee met het school­systeem. Er is opvang van 3 tot 12 jaar. Dat is een artificiële grens, die niet aangepast is aan de ontwikkeling van kinderen. Daarnaast moet een kind van 13 jaar dan maar alleen thuis blijven, want voor die leeftijd is er geen opvang meer.

“Hier moeten we wat out of the box durven denken, vind ik. En een buiten­schoolse opvang voorzien voor 10- tot 14-jarigen. Al kan ik begrijpen dat de tijd hier nog niet rijp voor is. Er zijn nog zoveel problemen bij de kleinsten. Dan kan ik verstaan dat als je ergens je prioriteiten moet leggen, dat bij die jongsten moet zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234