Dinsdag 29/11/2022

'Ons sociale weefsel is compleet kapot'

De toevallige is de titel van Ali Smiths nieuwe roman, een ingenieus maatschappijkritisch boek dat overloopt van de zwarte humor en terecht op de shortlist van de Booker Prize prijkte. 'Je vindt het in de Bijbel, maar ook bij Ovidius en in heel wat volksvertellingen: er komt een vreemdeling aan de deur, je laat hem binnen en hij verandert je kijk op de wereld. Dat is de realiteit en mijn boek is er de representatie van.' Door Marnix Verplancke

Ali Smith

De toevallige

Oorspronkelijke titel: The Accidental

Vertaald door Irving Pardoen

Mouria, Amsterdam, 319 p., 19,90 euro.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe sterker ik ervan overtuigd raak dat ik onbewust Mary Poppins heb herschreven", lacht Ali Smith wanneer we haar in het dakrestaurant van de National Portrait Gallery ontmoeten en danig onder de indruk zijn van het uitzicht dat we van daaruit op de Londense skyline hebben. "Je weet wel, het verhaal over dat gezin waarvan de moeder een suffragette is die geen tijd heeft om voor haar kinderen te zorgen - een feministisch gegeven dat in de film trouwens netjes is weggeknipt. Dus wat doen ma en pa? Ze halen een rare vrouw in huis die zomaar uit de lucht komt vallen en vertrouwen haar hun kinderen toe. Het is zo gothic dat je het bijna niet zou geloven, maar steek Mary Poppins in een hippyjurk en je hebt Amber uit De toevallige."

Centraal staat het verhaal van de Smarts, vier mensen die samen een 'disfunctional family' vormen - zoals dat in het Engels heet. Vader Michael is een literatuurprofessor die vaker met de neus onder de rokken van zijn studentes dan in de boeken van zijn collega's is te vinden. Zijn vrouw Eve verdient de kost als schrijfster van een raarsoortig fictieve documentaires over hoe het leven van gestorven mensen verder had kunnen verlopen en verdient daar handenvol geld mee. Hun zeventienjarige zoon Magnus is een computernerd die voor de grap het hoofd van een klasgenote op een pornobeeld plakte en het onder zijn vrienden verspreidde, waarna het meisje zelfmoord pleegde en hij met een dijk van een schuldgevoel achterbleef. En dan is er ten slotte de twaalfjarige Astrid, die de wereld vooral bekijkt door de lens van de digitale camera die ze voor haar verjaardag kreeg. Geen van deze mensen blijkt nog echt in staat tot contact met elkaar of de rest van de wereld. Ze zijn vervreemd en beseffen dat pas wanneer er tijdens een verblijf in hun Norfolkse vakantiehuisje op een avond aangeklopt wordt. Het blijkt Mary Poppins te zijn - of in dit verhaal Amber, een spontane natuurvrouw van in de dertig die zegt autopech te hebben, vraagt even binnen te mogen komen en daarna niet meer buiten te krijgen is. Voor de Smarts het goed en wel doorhebben, heeft Amber hen allemaal verleid. Met de een gaat ze al fysieker om dan met de ander, maar alle vier gaan ze uiteindelijk voor de bijl. En daarbij bevrijdt Amber hen niet alleen van zowat hun hele materiële bezit, maar finaal ook van hun kleinburgerlijke vervreemding.

Ook al begon Smith zelf over Mary Poppins, ons deed De toevallige met zijn bijtende humor en seksuele subversiviteit eerder denken aan het werk van Joe Orton, die met toneelstukken als Entertaining Mr. Sloane en What the Butler Saw de burgerij in de jaren zestig een wrange, ontnuchterende lachspiegel voorhield. "Zelf had ik er nooit zo tegen aangekeken", reageert Smith op onze opmerking, "maar er is wellicht wel iets van, en het is me een hele eer trouwens om met Orton vergeleken te worden. Ik heb altijd van zijn goedbedoelde perversiteit gehouden. De man schreef tot op het einde van zijn korte carrière steeds over rechtvaardigheid en over hoe de schijn het veelal wint van de werkelijkheid. Zijn personages spreken steeds alsof ze een rol spelen, alsof ze er zich maar al te goed van bewust zijn dat ze op de scène staan en geen gewoon leven leiden".

Dat is waar ook uw personages mee zitten: ze hebben geen direct contact met de werkelijkheid, alleen via beelden of teksten.

"En ik denk dat dat een probleem is waar we allemaal mee zitten. We staan vandaag onder een extreem hoge druk om authentiek te zijn, en dan denk ik: hé, dat zijn we toch vanzelf al, we kunnen toch niet anders zijn? En toch voelen we die druk. Volgens mij wordt die veroorzaakt door een soort behoefte aan overexplicatie. Iedereen wil constant zijn eigen persoonlijkheid verklaren aan de ander. Mensen willen tegenwoordig uitgebreid praten over de kleur van hun urine of zich publiekelijk zorgen maken over hun drijvende of zinkende drollen. En iedere beroemdheid vindt dat hij zijn status van bekende kop moet justifiëren door te zeggen hoe erg hij of zij de aardbeving in Pakistan wel vindt, ook al menen ze er natuurlijk geen half woord van. Wij hebben van authenticiteit een religie gemaakt en we liggen allemaal op de knieën om haar te aanbidden. Kijk naar reality-tv. Waarom heeft die zoveel succes? Omdat we zogezegd de realiteit te zien krijgen, terwijl het er vingerdik op ligt dat alles in scène is gezet. John Berger zei al dat er tussen het normale leven en de verhalen die we over dat leven vertellen om het zin te geven een enorme leegte gaapt. Die leegte voelt ongemakkelijk aan en daarom beginnen we onszelf zo schaamteloos te verklaren, als gingen we constant publiek te biechte. Maar het is niet alleen dat de fictie steeds realistischer wordt op de tv, de realiteit wordt ook steeds vaker in het kleedje van de fictie gewrongen, waardoor je niet langer weet of de oorlog in Irak wel belangrijker is dan de kleur van je urine. Natuurlijk is die oorlog belangrijker, maar dat zien we niet meer omdat het allemaal een grote brij wordt. Als we beelden zien uit Abu Ghraib, weten we niet langer hoe we ermee om moeten gaan. Is dat echt? En hoe reageren we erop? Zelfs met een foto waarop het doodgemartelde lichaam van een man te zien is, weten we niet meteen raad. We voelen afschuw, maar tezelfdertijd hebben we ook de neiging er niet langer aan te denken zodra die foto weg is, alsof we onze plicht gedaan hebben door ernaar te kijken. Het beeld verandert ons, alleen weten we niet hoe. In hoeverre verandert onze moraliteit of onze gevoeligheid door de huidige beeldcultuur, vraag ik me af. Ik las net Paul Verilio's The Accident of Art, waarin hij in de kunst en de media op zoek gaat naar het verschil tussen presentatie en representatie. Tegenwoordig lijkt het al presentatie wat de klok slaat, beweert hij: daar is het scherm, ga zitten en kijk. Representatie veronderstelt afstand en perspectief. Die zijn verloren gegaan."

Maar is de druk om authentiek te zijn dan niet volkomen normaal?

"Natuurlijk, maar wanneer hebben we het in ons hoofd gestoken dat we niet authentiek waren? Het is typisch iets uit de twintigste eeuw, met Freud en het idee dat we onszelf objectief en van buitenaf kunnen bekijken."

En vroeger nog, met Hegel en Marx, die het over de vervreemde mens hadden.

"Toen ik het boek aan het schrijven was dacht ik nogal veel aan Pier Paolo Pasolini's film Teorema, over een jongeman die infiltreert in een Milanees burgergezin en het door gebruik te maken van zijn verleidingskracht compleet te gronde richt. Teorema is wel eens een van de laatste marxistische films genoemd en in die zin zal mijn boek wel iets marxistisch hebben, maar ik wou meer doen dan alleen maar een Pasolini-variant maken. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe verhalen werken en mijn verhaal is in feite al heel oud, en het komt in veel culturen voor. Je vindt het in de Bijbel, maar ook bij Ovidius en in heel wat volksvertellingen: er komt een vreemdeling aan de deur, je laat hem binnen en hij verandert je kijk op de wereld. Dat is de realiteit en mijn boek is er de representatie van."

Tegenwoordig komen er nogal wat vreemdelingen aan de deur aankloppen, zeker in Engeland.

"Je kunt er inderdaad niet omheen en als ik mijn roman nu bekijk kan ik niet anders dan toegeven dan dat het een roman is over migratie en wat die met ons doet, ook al zag ik dat niet toen ik hem schreef. Het is me opgevallen hoe in een paar decennia tijd er een complete retoriekverandering plaats heeft gevonden. Vroeger hadden Engelsen een open geest. Nu denken ze alleen nog in termen van wij en zij. Wij, dat is de 'British way of life', dat is makkelijk, maar wie zij zijn, is niet altijd duidelijk. De inhoud van die term fluctueert, maar over het algemeen zijn het de losers die ermee aangeduid worden, zowel de binnen- als de buitenlandse. Als je op het Europese vasteland woont, ken je dat niet. Je hebt immers landsgrenzen die vervagen, maar de Britten hebben de zee. Zij kennen geen grenzen. Ik wel, ik ben een Schotse en ik ben me altijd bewust geweest van de grens tussen Engeland en Schotland. Toen ik in Inverness opgroeide, was ik een buitenstaander. Voor de Engelsen was de grens er niet, maar voor de Schotten was ze reëel, want wij waren het uitschot, de niet-Engelsen."

Maar toch bleef u niet in Schotland. U koos ervoor een immigrante te worden in uw eigen land en ging in Cambridge wonen.

"Wanneer je in een klein land bent geboren besef je pas hoe fijn het er was zodra je er weg bent. Ik ga nog regelmatig naar Schotland, en wanneer ik er ben voel ik me echt 'thuis': heel leuk, ouwe vrienden bezoeken, pinten drinken, lachen en mentaal in slaap sukkelen. Ik kan er niet leven. Maar tegelijk heb ik niet het gevoel dat ik het land ooit verlaten heb. Het is alleen makkelijker om Schots te zijn buiten Schotland. Dan maak ik er mij niet zoveel zorgen om. Als ik er zou leven, zou ik Schots moeten zijn, ook al weet ik niet precies wat dat betekent. In Cambridge hoef ik niets te zijn, alleen maar mezelf want ik ben immers zo'n verdomde immigrante."

Als Groot-Brittannië al een nationale kleur heeft, zegt Eve in het boek, dan zal het wel bruin zijn, 'het sepia dat in de Victoriaanse tijd als een vochtvlek was opgekomen'.

"Je hebt twee soorten Brits bruin. Er is dat van de Big Ben, gekuist en gezandstraald bruin, goud bijna, netjes en zeldzaam. En dan heb je het bruin van de rest van het land, dat stilaan naar het zwart begint te neigen. Kijk naar het Londen van vandaag, dat is gewoon een lijk dat niet wil sterven en al die mannetjes in nette pakken die je hier over straat ziet lopen hebben iets pervers necrofiels over zich. Het lijkt wel alsof er niets gebeurd is sinds de dood van Victoria. Londen is het uithangbordje van het land, met zijn centrumgebouwen die de herfstzon wit weerkaatsen, maar neem de trein, maakt niet uit in welke richting en je zult merken hoe het met de rest van het land is gesteld: het leeft in een schaduw, het is bedrukt en overtrokken door de industriële rook van de negentiende eeuw waar geen enkele naoorlogse regen tegen opgewassen bleek. Rij bijvoorbeeld eens door Norfolk, waar je het ene na het andere dorp passeert dat uit bruine huizen bestaat die 100 tot 150 jaar oud zijn. Ze zien er allemaal even bruin uit en je ziet dat ze niet lang meer tegoed hebben. En toch zullen ze blijven meegaan, want ze vertegenwoordigen het verleden en Britten verkiezen dat boven het heden. En ook daarbij speelt tv een grote rol, want dat is het medium dat bij uitstek geschikt lijkt om stupide clichés te versterken."

In uw werk lijken beelden tussen mens en wereld in te staan en daardoor vooral leugens te vertellen.

"De voorbije eeuw is er een van beelden geweest. Terwijl we in de negentiende eeuw verhalen vertelden met woorden, deden we dat een eeuw later toch vooral met beelden. En dat heeft er niet alleen toe geleid dat ons sociale weefsel compleet kapot is doordat we ons 's avonds allemaal opsluiten voor onze tv, maar ook dat we steeds stereotieper gedrag zijn gaan vertonen. In een van zijn vroege brieven merkte D.H. Lawrence al op dat kwade en jaloerse vrouwen over de sociale klassen heen steeds meer op elkaar gingen lijken, en volgens hem kwam dat doordat ze allemaal naar dezelfde films gingen kijken en daardoor dezelfde clichés overnamen: ze sloegen allemaal met de deur en barstten toen in tranen uit. Dat was natuurlijk een seksistische opmerking van Lawrence, maar ze bevatte ook veel waarheid. Het verschil tussen lezen hoe iemand kwaad wordt en dat werkelijk zien gebeuren, is fenomenaal. De manier waarop we de wereld zien nemen we over van de beelden die we voorgeschoteld krijgen. Degenen die bepalen wat we zien, bepalen dus ook ons bewustzijn, en dat vind ik gevaarlijk."

Maar doet literatuur niet net hetzelfde op een subtielere manier?

"Een mens gaat heel anders om met hetgeen hij leest dan met hetgeen hij ziet. Dat laatste is veel directer, terwijl je het gelezene eerst nog moet verwerken in je hersenen. We moeten er eerst zelf iets van maken, en daardoor is het niet zo afstompend. In plaats van onze geest te beperken, zet literatuur ons juist aan onze fantasie te gebruiken. En precies daardoor ook dient literatuur het af te leggen tegen de beeldcultuur. Beelden zijn makkelijk. Je moet er niet eens bij nadenken en ze oefenen een onmeetbaar grote fascinatie op ons uit. Wanneer je in een kamer komt waar er een tv aanstaat, kijk je automatisch mee. Tegenwoordig heb je op de bus tv-schermen staan waar niets anders dan reclame op komt. Iedereen zit ernaar te staren. Wat is er mis met ons? Waarom kijken we niet liever door het raam naar het echte leven? Ik vind dat gek. In het King's Cross-station hangt er sinds kort een gigantisch reclamescherm: alleen maar advertenties waar 's avonds duizenden forenzen naar staan te kijken. Daarna nemen ze de trein, stappen hun huis binnen en zetten de tv aan om naar herhalingen van programma's uit hun kindertijd te kijken. In Groot-Brittannië zijn er een paar zenders die niets anders meer brengen en daarmee dag in dag uit miljoenen kijkers aan zich binden. Die zitten allemaal te staren naar shit van toen ze tien waren, hun hele leven lang: 'Oh, weet je nog toen Kermit dat zei tegen Miss Piggy? Ik vond dat zo goed', van 's ochtends tot 's avonds. Is dat wat je met je leven wil doen, vraag ik me dan af."

U lijkt wel erg goed op de hoogte te zijn.

"Natuurlijk. Ik schrijf alleen 's ochtends, wanneer er van die slechte kinderprogramma's uitgezonden worden, en de rest van de dag kijk ik tv. Ik heb me onlangs zo'n satellietschotel aangeschaft, wat tegelijk de beste en de slechtste koop van mijn leven bleek. Vroeger kon ik niet van de tv afblijven. Nu, na het doorlopen van 900 kanalen rotzooi begin ik er eindelijk genoeg van te hebben. Ergens tussen die 900 moet er wel iets goeds zitten, maar hoe ben je verondersteld dat ooit te vinden? Je moet toch al een specialist zijn daarvoor? Dus nu kijk ik alleen nog maar naar Turner Classic Movies: kan beter, maar ik weet tenminste wat ik ga zien."

Misschien zitten we wel allemaal in een hedendaagse variant op Plato's grot en willen we niet weten hoe wreed het er in de echte wereld toegaat?

"Als je een hele dag gewerkt hebt, ben je inderdaad blij dat je jezelf in stom vertier kunt verliezen. Vroeger vertelden we verhalen bij de roodgloeiende kachel, nu kijken we samen naar de tv tot we erbij in slaap vallen. Het is een manier om te overleven in onze huidige maatschappij. Mensen zijn niet meer nieuwsgierig. Ze willen niet meer weten wat er in de wereld gebeurt. In die zin ben ik benieuwd wat er van Joe Orton geworden zou zijn had zijn vriend hem niet de schedel ingeslagen met een hamer. Zijn personages wisten altijd alles. Zij beschikten over het ironische doorzicht maar waren tezelfdertijd zo fake als de pest. Orton had een grote literaire gave: hij wist dat hij de realiteit alleen via het kunstmatige kon bereiken. We denken zo graag dat we alles weten. De twintigste eeuw was de eeuw van de universele kennis. Hé, ons zul je niets meer wijsmaken. Wij weten hoe we met één bom een paar miljoen mensen over de kling kunnen jagen. We weten dat beelden als die van Abu Ghraib na drie dagen vergeten zijn, en we weten hoe we zo kunnen praten dat we niets zeggen maar heel geloofwaardig overkomen."

Is dat de reden waarom u schrijft, om net als Orton de waarheid te tonen door fictie te produceren?

"Ik zou het niet weten. Het idee spreekt me wel aan, maar misschien zie ik toch nog meer in Italo Calvino's bekentenis dat hij schreef om het menselijke te propageren in een onmenselijke wereld."

Marnix Verplancke

'Tegenwoordig heb je op de bus tv-schermen waar niets anders dan reclame op komt. Iedereen zit ernaar te staren. Wat is er mis met ons? Waarom kijken we niet liever door het raam naar het echte leven?'

'Zelfs met een foto van een doodgemarteld lichaam weten we niet meteen raad. We voelen afschuw, maar tezelfdertijd hebben we de neiging er niet langer aan te denken zodra die foto weg is, alsof we onze plicht gedaan hebben'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234