Donderdag 01/12/2022

'Ons enige bezit is heel lang één koffer geweest'

Hij werd door het weekblad Trends verkozen tot manager van het jaar 2004. Vrienden spraken er schande van dat hij op televisie meteen aangesproken werd op zijn allochtone afkomst, maar Ajit Shetty, voorzitter en gedelegeerd bestuurder van Janssen Pharmaceutica, niet erg. 'Ik ben een allochtoon', zegt de minzame Indiër die in december 1970 in Cambridge verliefd werd op de Vlaamse Christine Clerinx. Die ontmoeting stuurde ook zijn beroepsleven een heel andere kant op. Betty Mellaerts / Foto Stephan Vanfleteren

Ajit: "Ik woonde met mijn ouders en drie oudere zussen in Delhi. Mijn vader had er een enorm druk leven. Hij was het hoofd van de federale binnenlandse inlichtingendienst, het Indiase equivalent van het FBI. Hij was weinig thuis, stimuleerde wel mijn tenniscarrière en controleerde natuurlijk mijn studieresultaten, maar het was vooral mijn moeder die zich met de kinderen bezighield. Aan het einde van zijn loopbaan werd mijn vader voorzitter van een scheepswerf, een overheidsbedrijf waar ongeveer 10.000 mensen tewerkgesteld waren. Die achtergrond en een ontmoeting met sir Lawrence Bragg, de jongste winnaar ooit van een Nobelprijs, hadden aanvankelijk een grote invloed op mijn studiekeuze.

"Bragg kwam met zijn vrouw op bezoek bij mijn ouders. Hij vertelde heel inspirerend over zijn vak, de kristallografie, en over de universiteit van Cambridge waar hij doceerde. Ik geraakte gefascineerd. Hij bezat het talent om iets ingewikkelds op een heel eenvoudige manier uit te leggen. Paul Janssen kon dat ook. Ik ben geen geneesheer, maar door zijn uitleg begreep ik wat de chemische structuur van een molecule in een lichaam teweeg kon brengen.

"In 1965 trok ik dus met drie jeugdvrienden naar Trinity College in Cambridge. Daar word je opgevangen door een tutor die voor je sociale en morele leven zorgt. Ik zat bij dezelfde man die ook Rajiv Gandhi onder zijn hoede had gehad, maar kreeg meteen de waarschuwing dat ik harder moest studeren dan mijn voorganger. Ik voelde me er snel thuis, al ging het er wel formeel toe. De enige echte schok was dat we thuis personeel hadden. Alles werd voor mij gedaan, ik was dus helemaal niet zelfstandig.

"Maar ik heb me rap aangepast, leerde wassen en strijken. Ik werd ook opgenomen in het reserveteam van de tennisploeg. Omdat je die sport vooral in de zomer uitoefent en de examens dan plaatsvinden, heb ik dat eerste jaar wel een moeilijk moment gekend. Ik wist dat je met een buis meteen uitgesloten werd van de universiteit. Ik vertrok met vakantie naar India, maar ik was er niet gerust op. De resultaten van de examens worden in de krant The Times gepubliceerd. Bij een vriend zocht ik met bibberende handen naar mijn resultaten. Ik was net overal geslaagd, maar het was wel een waarschuwing. Het tennissen heb ik toen een tijdje opgegeven, het was te gevaarlijk. Met mijn studies ging het verder goed. Van de kristallografie stapte ik over op metallurgie, behaalde mijn licentie in 1968 en besliste te gaan doctoreren. Twee jaar later leerde ik Christine kennen."

Christine: "Mijn moeder was de zus van dokter Paul Janssen. In die beginperiode van het bedrijf was het bijna vanzelfsprekend dat mijn vader, een industrieel apotheker, bij Janssen ging werken. Hij kwam er terecht in de productie. Toen ik heel klein was en Janssen in Turnhout nog door mijn grootvader werd geleid, ging ik vaak met mijn grootmoeder mee naar de fabriek. Als kind denk je daar niet bij na, het was heel natuurlijk voor mij dat er thuis veel over wetenschap en medicijnen werd gesproken. Pas toen dokter Paul Janssen Research had overgenomen en de pers haalde met de pijnstiller Palfium was ik ook oud genoeg om te beseffen dat hij een bijzonder mens was en hoe belangrijk dat bedrijf was.

"Mijn moeder had weliswaar de liberale opvattingen van mijn grootmoeder overgenomen, maar ik ben toch redelijk streng opgevoed. Ik werd naar het internaat gestuurd en als je twaalf bent, is dat moeilijk. Later pas je je aan, je leert zelfstandig te zijn en je eigen problemen op te lossen, maar de warmte van thuis miste ik wel.

"Het waren de jaren zestig, maar op kostschool zag ik niet veel van de maatschappelijke veranderingen. Je voelde alleen dat er van alles gaande was. Het werd vooral moeilijk voor de oudere generatie, zoals mijn ouders. De jeugd kreeg opeens andere ideeën en dacht na over dingen waar zij nooit hoefden over na te denken. Ik heb nooit een uitgestippelde lijn willen volgen, ik zou het zelf wel uitzoeken. Ik wou mijn eigen leven gaan leiden zoals ik dacht dat het goed was en ik vond dat mijn ouders me daarin maar moesten vertrouwen. Daar kwam al eens een botsing van. Ik was natuurlijk wel de oudste, ik moest de weg bereiden.

"Ik wilde biologe worden, maar koos uiteindelijk voor talen. Ik wilde iets doen op mezelf, als freelancer. Ik werd vertaalster Engels, Duits, Frans en Spaans en was van plan in Genève te gaan werken. Maar in Cambridge wilde ik eerst nog wat verder studeren aan het College of Arts. Ik herinner me nog heel goed het moment waarop ik Ajit voor het eerst zag, maar het was geen coup de foudre. Hij trok mij aan, maar ik kende India helemaal niet en in Antwerpen woonden toen nog geen Indiërs."

Ajit: "Indiërs studeerden al wel in Engeland, vaak met de bedoeling daarna naar huis terug te keren. Dat is in eerste instantie ook gebeurd, maar toen ze merkten dat ze in India toch niet dezelfde kansen kregen om carrière te maken, kwam de emigratie op gang. Ook armere mensen vertrokken uit India, voornamelijk naar Engeland en Amerika vanwege de taal. Die emigratie is nu grotendeels afgelopen, de cirkel is rond. Meer en meer Indiërs, maar ook Chinezen, gaan terug naar hun land van herkomst omdat de toekomstmogelijkheden er voor hen weer zijn toegenomen."

Wat was de reactie van jullie families op jullie relatie?

Ajit: "Dat hebben we voorzichtig aangepakt. Eerst reisde Christine met een vriendin naar Delhi. Thuis zei ik: 'Dit is een studiegenoot uit Cambridge, zij is hier met vakantie.' Het was geen enkel probleem voor mijn ouders dat ik met hen rondreisde om wat tempels te bezoeken."

Christine: "Ik wilde toch ook wel eens zien waar ik terecht zou komen. Ik kende het land helemaal niet, maar het heeft me van bij het begin gefascineerd. De mensen zijn heel gastvrij en open, het klikte meteen en het heeft geen noemenswaardige aanpassing van me gevergd. Ik denk vaak dat ik in mijn vorige leven een Indiase was! Ik voelde me daar meteen thuis."

Ajit: "Toen deden we hetzelfde met de ouders van Christine. Onze familie besefte eerst niet dat wij een relatie hadden, maar zo leerden ze ons wel kennen. Mijn ouders hadden Christine heel graag."

Christine: "Voor mijn ouders was het in het begin moeilijk. Toen ze begrepen dat het ernstig was tussen ons hebben ook zij onze beslissing aanvaard. Wij twijfelden niet. We waren jong en geloofden erin, we zouden wel zien. Ik heb er verder ook nooit problemen mee gehad dat we uit andere werelden kwamen. Soms was het grappig, met de kinderen. Mijn dochters leken erg op Ajit toen ze klein waren en in de supermarkt zeiden de mensen dan wel eens: 'O mevrouw, uw kindjes spreken al zo goed Nederlands'. Moest ik uitleggen dat ze hier geboren waren en dat ik hun echte moeder was."

Er is toch een cultureel verschil? U, meneer Shetty bent, om maar iets te noemen, hindoe?

Ajit: "Ja, zo ben ik toevallig geboren. Mijn ouders waren gelovig en wij gingen één keer per week naar de tempel, maar ze waren heel breeddenkend op dat vlak. Geloven geeft nog altijd een beetje steun en richting aan mijn leven, maar meer belang heeft het niet. Af en toe ga ik bidden. Hier is natuurlijk geen tempel en dus ik stap op weg naar het werk wat verderop de kerk binnen. De pastoor is zelfs een vriend."

Christine: "Ik ben katholiek opgevoed, maar bijlange niet streng. Het verschil in geloof was in ieder geval voor mij geen beletsel. We zijn wel twee keer getrouwd. In India volgens het hindoeritueel en een maand later hier in de kerk. Dat Indiase ritueel heeft wel indruk op me gemaakt. Alles lijkt chaotisch te verlopen in vergelijking met de strikte manier waarop hier een huwelijk geregeld is. Kinderen en gasten lopen rond tijdens de plechtigheid en ik wist helemaal niet wat ik moest doen. Maar precies door dat informele voelde ik me nogal vlug op mijn gemak."

Ajit: "Niemand weet wat hij moet doen. Je volgt gewoon de instructies van de priester."

Wisten jullie toen al waar jullie zouden gaan leven?

Ajit: "Mijn vader had voor mij een plan uitgewerkt. Met het oog op zijn pensioen had hij grond gekocht in Bangalore. De stad ligt 1.000 meter boven de zeespiegel en heeft een heel aangenaam klimaat. Daardoor trok het vooral gepensioneerden aan. In de jaren zeventig woonden er ongeveer anderhalf miljoen mensen en was het leven er inderdaad prettig. Vandaag is het niet meer te herkennen. Het is de grootste concurrent geworden van de Californische Silicon Valley. Bepaalde delen van de stad bestaan uitsluitend uit glas en beton en er wonen vijf miljoen mensen. Mijn vader zou op zijn grond een huis bouwen en mij helpen om een eigen bedrijf op te starten voor de fabricage van onderdelen voor de scheeps- en vliegtuigbouw. Christine en ik hebben er uiteindelijk acht maanden gewoond, maar daarna zijn we teruggekeerd naar Europa."

Christine: "Wanneer je in die tijd in India een beroepsactiviteit wilde opstarten, liep je tegen een muur van bureaucratie aan. Ze wilden bij wijze van spreken het wiel zelf nog eens uitvinden. Daar zagen we enorm tegen op en het heeft ons doen besluiten om het in het Westen te proberen. Nu is de situatie in India helemaal omgedraaid. Een eigen zaak opzetten wordt er enorm gestimuleerd. Mochten we toen de kansen hebben gekregen die men nu aan ondernemers geeft, waren we er misschien wel gebleven."

U bent geboren in een geprivilegieerd gezin. Hebt u zich nooit gestoord aan het onrechtvaardige kastensysteem?

Ajit: "In de steden speelde dat al geen rol meer en nu is India een melting pot geworden. Je kunt er net als in Amerika vanuit een arme positie morgen heel rijk worden en omgekeerd. Het feit dat je in een oude familie bent geboren, stelt niet zoveel meer voor."

Christine: "De regering heeft quota's ingevoerd aan de universiteiten, waardoor ook kastenlozen mogen studeren."

Ajit: "En net als in Amerika is er een positieve discriminatie aan de gang. De regering doet echt een inspanning om de kastenlozen op alle niveau's aan het werk te krijgen."

U richtte geen bedrijf op in het Westen, u ging opnieuw studeren in de Verenigde Staten. Waarom?

Ajit: "Toen ik mijn doctoraat metallurgie achter de rug had, wist ik al dat ik niet mijn hele leven in een laboratorium wilde doorbrengen. Waar ik werkte, zag ik voornamelijk materialen, geen mensen. Ik had natuurlijk professor kunnen worden, ik gaf best graag les, maar een universiteit leek me ook een gesloten gemeenschap. Daarom besliste ik een andere richting in te slaan. Ik heb eerst een paar maanden in België gewerkt en kreeg toen het bericht dat de Carnegie Mellon University in Pittsburgh een plaats had voor een MBA-opleiding. We vertrokken voor twee jaar."

Christine: "Ik ging er ook opnieuw studeren, avondlessen technische vertaling. Overdag werkte ik als van alles en nog wat. Vertaalster, secretaresse, lerares Frans."

Wanneer hebt u dan de beslissing genomen om bij Janssen te gaan werken?

Ajit: "Aan Carnegie Mellon solliciteerde ik bij Procter & Gamble en de moeder van Christine had aan dokter Paul verteld dat we misschien in de Verenigde Staten zouden blijven. Dokter Paul had het plan opgevat om Janssen uit te bouwen tot een grote multinational. Hij zocht mensen die filialen konden opstarten in verschillende Europese landen, in Azië en in Amerika. Ons enige bezit is heel lang één koffer geweest, zodat we meteen konden verhuizen als het nodig bleek te zijn. Maar door de komst van onze dochter moesten we ons nomadenbestaan een beetje bijschaven. Het leek ons beter om ons in België te settelen dan in de Verenigde Staten. Procter&Gamble liet me weten dat ze in België geen plaats vrij hadden en dus ben ik op het voorstel van dokter Paul ingegaan."

Het wordt u wel eens verweten dat u het gemakkelijk had, u hoefde zomaar het familiebedrijf in te stappen.

Ajit: "Dat klopt, maar ik had er de kwalificaties voor en de rest van mijn carrière heb ik me wel moeten bewijzen. Samen met andere jonge afgestudeerden, van wie sommigen bij Janssen nog altijd hoge posities bekleden, heb ik traditiegetrouw eerst een training van drie maanden gevolgd. Na afloop kwam ik op de financiële dienst terecht. Financiën boeiden mij omdat op die dienst de waarheid over een bedrijf aan het licht komt, maar op de duur vond ik het toch een beetje saai.

"Het plan dat we hadden uitgewerkt voor de buitenlandse filialen van dokter Paul bleek haalbaar en tussen 1979 en 1984 startten we drie, vier bedrijven per jaar op in Europa. Het was een ongelooflijke periode. Janssen had natuurlijk fantastisch goede producten. Dokter Paul was een van de productiefste onderzoekers die er ooit op het gebied van de farmaceutische industrie op de wereld zijn geweest. Hij werd twee keer genomineerd voor de Nobelprijs geneeskunde en die had hij zeker verdiend, maar hij was zonder twijfel ook een goede zakenman. Hij gaf zijn werknemers enorm veel ruimte en werd nooit kwaad. Nu klinkt het misschien banaal en zullen de mensen denken: Shetty heeft het ei van Columbus gevonden, maar al begin jaren zeventig was er bij Janssen innovatie in de cultuur van het bedrijf."

Hoe stond u tegenover het feit dat u in de farmaceutische industrie terecht was gekomen?

Ajit: "Ik heb altijd het gevoel gehad dat we iets produceerden waarmee we de mensen kunnen helpen. Maar het is waar, we zijn niet populair. Op dat vlak verslaan we zelfs de tabaks- en wapenindustrie. Dat hebben we in de eerste plaats aan onszelf te wijten, we hebben ons verhaaltje niet goed verteld. Het motto van de farmaceutische sector moet zijn: save lives, extend lives and improve the quality of lives.

"Sinds de Tweede Wereldoorlog is de levensverwachting van de mens gemiddeld gestegen van 52 tot 78-80 jaar. Daarin heeft de geneesmiddelenindustrie een grote rol gespeeld. Maar elk geneesmiddel dat vandaag actief is, heeft helaas ook neveneffecten. Iedereen reageert anders op een medicijn, artsen moeten dus overwegen aan welke patiënt ze een product al dan niet voorschrijven. Als de risico's te groot zijn, kun je beter een andere oplossing zoeken. Jammer genoeg wordt een medicijn soms voorgeschreven zonder daar rekening mee te houden, met alle gevolgen van dien.

"Een ander niet onbelangrijk aspect voor het negatieve beeld van de farmaceutische industrie is dat we een redelijk grote winst maken. Maar bij Janssen spenderen we een miljard dollar per jaar aan research. Als we geen nieuwe producten ontwikkelen en met winst verkopen, kun je dus uitrekenen in hoeveel tijd je bedrijf failliet gaat. De winst is de motor om research mogelijk te maken en die is almaar duurder geworden. Vijfentwintig jaar geleden kostte het aanmaken van een nieuw geneesmiddel 50 miljoen dollar, vandaag spreekt men van 800 miljoen dollar. Men eist steeds meer veiligheidstests en voor de gemakkelijk te genezen ziekten hebben we alle medicijnen al gevonden. We bevinden ons nu op het moeilijke terrein van kanker, ouderdomsziekten en hiv.

"Toen ik Janssen leidde in Amerika, spendeerde ik enorm veel tijd in Washington bij de Food & Drug Administration. Die moet haar goedkeuring geven vooraleer een medicijn op de markt mag komen. Ik herinner me dat we een nieuw dossier per vrachtwagen opstuurden, het was vijftigduizend pagina's dik. Wie leest dat? En hoeveel tijd kost dat? Je mag gemiddeld rekenen op tien, twaalf jaar eer een product uiteindelijk op de markt komt, met een brevet van twintig jaar. Je hebt dus acht jaar om je investering terug te winnen. Daarna wordt het vrijgegeven en kan het door iedereen gemaakt worden. Elke goede scheikundige kan dat en het kost ook niet zoveel. Vandaar dat iedereen de goedkope generische medicijnen ziet als de witte ridder die ons komt redden van de hoge kosten van de ziekteverzekering. Ik ben er niet tegen, generische middelen hebben ook een rol te spelen, maar die producenten zullen geen producten ontwikkelen tegen alzheimer of aids."

Stel nu dat u morgen het middel vindt om aids te genezen. Dan kunt u het ethisch toch ook niet verantwoorden dat men net in de armste landen al dat geld moet betalen om uw research en ontwikkeling te coveren, laat staan dat ze tien jaar moeten wachten tot het middel generisch wordt?

Ajit: "Dat is zonder twijfel een probleem, ook voor de regeringen in die landen. Het is duidelijk dat we in Azië of Zuid-Afrika geen winst zullen maken met een dergelijk product, die zal moeten komen van de aids-bevolking in Amerika. Met 5 procent van de wereldbevolking vertegenwoordigen de Verenigde Staten 50 procent van de farmaceutische markt. Zij subsidiëren dus de rest van de wereld. We moeten een flexibel prijssysteem ontwikkelen, een vorm van solidariteit op wereldvlak. En al zullen we bij Janssen misschien weinig winst maken met de producten tegen aids, toch geven we topprioriteit aan de research ervan. Dat past in het credo van Johnson&Johnson, het Amerikaanse bedrijf dat in 1961 Janssen overnam. Zij stelden zestig jaar geleden een aantal richtlijnen op: de zorg voor de patiënt komt eerst, daarna is er het respect voor de werknemer - vooral het evenwicht tussen werk en privé-leven is belangrijk - op de derde plaats moeten we zorgen dat we het milieu niet vervuilen. Als we daaraan voldoen, zijn we de verplichtingen tegenover onze aandeelhouders nagekomen. Dat credo stond dus al lang in schril contrast met het idee dat aandeelhouders altijd eerst komen."

Ligt u wel eens wakker van dit soort problemen?

Ajit: "Neen, ik slaap goed. Wij moeten onze researchers zoveel mogelijk steunen om zo snel mogelijk een goed product te ontwikkelen tegen aids. Iedereen heeft daarin een rol te spelen en soms werken we de klok rond."

Dat is tegen uw tweede credo!

Ajit: "(lacht) Christine en ik hebben de afspraak gemaakt dat we in de mate van het mogelijke altijd samen op reis gaan..."

Christine: "... en de weekends zijn heilig."

Hoe moeilijk is het om met een man te leven die hard werkt en vaak weg is?

Christine: "Je groeit daarin mee. It comes with the territory, zoals ze zeggen. Ik ben nooit een carrièrevrouw geweest. Ik deed mijn werk als technisch vertaalster graag, maar ik wilde er niet tot elke prijs voor gaan. Ik zag al snel dat een carrière voor mijn man wel belangrijk was en dus was de keuze snel gemaakt.

"Toen we in de jaren tachtig terugkwamen van de VS ben ik opgehouden met werken. Ik had er genoeg van, de kinderen werden wat ouder en ik wilde iets anders. Ik ben opnieuw gaan studeren. Psychologie. Het interesseerde mij om te weten te komen wat mensen motiveert en beweegt."

U hebt in India gewoond, in de VS, in België, even ook in Mexico. Wat draagt u mee van al die culturen?

Christine: "Dat er verschillende manieren zijn om naar de wereld te kijken en dat die allemaal gelijkwaardig zijn."

Ajit: "Ik denk veel globaler, ook in management. In 1984 al werd ik in de VS beoordeeld op het feit of ik voldoende vrouwen en zwarte Amerikanen in mijn senior management had opgenomen. Openheid en diversiteit is diep in de bedrijfscultuur van Janssen doorgedrongen. Dokter Paul had die open geest al. Wetenschap kent natuurlijk geen taal- of landsgrenzen. De grotere diversiteit onder het personeel zorgt voor een rijkere aanpak."

Wat maakt van uw man zo'n goed manager, denkt u?

Christine: "Hij is gedreven en begaan met de mensen met wie hij werkt. Hij staat open voor andere meningen en heeft goede leiderskwaliteiten. Hij weet waar hij naartoe wil en kan goed motiveren."

Hebt u dat van nature of hebt u dat moeten leren?

Christine: "(snel) Van nature."

Ajit: "Ik heb veel van Paul Janssen geleerd. Zijn belangrijkste woord was: wij. Wij zijn ook maar zo sterk als de ploeg die we hebben. Daarom geef ik de mensen ook veel ruimte, uiteindelijk behalen zij de resultaten. Ik probeer gewoon alles te coördineren en ervoor te zorgen dat we in dezelfde richting lopen."

Mist u India nog wel eens?

Ajit: "Niet bepaald, maar we keren regelmatig terug."

Christine: "Misschien zullen we er vaker verblijven als je niet meer actief bent."

Denkt u aan uw pensioen?

Ajit: "Hoe ouder je wordt, hoe meer je daaraan denkt. Ik wil in ieder geval meer gaan reizen voor mijn plezier en daar meer van genieten. Maar ik zal ook blijven werken. Met vrienden in België proberen iets te doen aan de werkloosheid. Jobs helpen creëren. Dat lijkt me nog een hele uitdaging."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234