Maandag 23/09/2019

Ons denken is een stuk Amerikaanser geworden

In onze postideologische wereld is de pragmatische levenshouding zowat de enige resterende. Peter Venmans ging op zoek naar de wortels en de hedendaagse verschijningsvormen van zowel utilitarisme als pragmatisme. Hij maakte een reis in het bijzijn van Bentham en Rorty, van het panopticon naar de multiculturele bazaar.

Door Marnix Verplancke

'Ik geloof dat er in de beschaafde wereld geen enkel land is waar minder aan wijsbegeerte wordt gedaan dan in de Verenigde Staten. De Amerikanen hebben geen eigen filosofische richtingen en zij maken zich bovendien heel weinig zorgen over al die wijsgerige stromingen die Europa verdeeld houden." Het zouden de woorden kunnen zijn van een sikkeneurige hedendaagse Franse filosoof à la Bernard-Henri Lévy, maar in realiteit zijn ze veel ouder. Ze werden immers neergeschreven door de man die Lévy als zijn gids nam in zijn recente boek American Vertigo: Alexis de Tocqueville. Deze maakte begin negentiende eeuw een reis door de Verenigde Staten en bracht daar uitgebreid verslag van uit in De la Démocratie en Amérique. Wat de Tocqueville zag vond hij niet alleen verschrikkelijk, dat die Amerikaanse democratie volgens hem de weg was die ook het oude continent uiteindelijk zou opgaan, bezorgde hem helemaal koude rillingen. We zouden allemaal kortzichtige en afgestompte individuen worden, zo vreesde hij en - ook al zei hij dit niet expliciet - het probleemoplossende gedrag dat door de Amerikanen filosofie werd genoemd, zou ooit ook ons deel worden.

Twee eeuwen later kunnen we alleen maar bewondering hebben voor de inzichten van de Tocqueville. Onze maatschappij is inderdaad een stuk 'Amerikaanser' geworden en wat de filosofie betreft, zijn we na een paar desastreuze ideologische avonturen van fascistische en communistische signatuur tot het inzicht gekomen dat het van over de Atlantische Oceaan aangewaaide pragmatisme misschien nog wel zo slecht niet is. Oké, het belooft de wereld niet, maar er zijn toch geen miljoenen mensen voor gestorven. We zijn de waarheden die onze bloederige geschiedenis rood kleuren zo stilaan zat en vinden dat het tijd wordt om op zoek te gaan naar wijsheid of naar wat het precies betekent om een goed leven te leiden.

In het uiterst leesbare en filosofisch toch diepgravende essay Over de zin van nut gaat Peter Venmans op zoek naar de historische wortels en de hedendaagse bestaansvormen van utilitarisme en pragmatisme, twee Angelsaksische denkrichtingen - de eerste Brits, de tweede Amerikaans - die lange tijd door beroepsfilosofen afgedaan werden als onfilosofisch omdat ze al te zeer op het handelen en dus niet genoeg op het denken gericht zouden zijn. En inderdaad, utilitarisme noch pragmatisme hebben de pretentie filosofische systemen uit te denken waarvoor je minstens negen banden nodig hebt om ze te beschrijven. Beide hebben daarentegen iets van een voormalig Belgisch premier wiens lijfspreuk luidde dat je de problemen pas moet oplossen wanneer ze zich stellen.

Het utilitarisme werd in de late achttiende eeuw uitgedacht door de Engelsman Jeremy Bentham. Volgens hem was de belangrijkste vraag die de filosofie kon behandelen wat ons streefdoel moet zijn in deze wereld, en hoe we dit ook kunnen bereiken. Nu werd Bentham door zijn beste leerling John Stuart Mill gekenschetst als een man zonder enige verbeelding of inlevingsvermogen, dus het hoeft in feite niet te verbazen dat hij met "het grootste geluk van het grootste aantal mensen" op de proppen kwam en dat hij er vast van overtuigd was dat je geluk kon meten. Het enige wat je als mens dus hoefde te doen om een goed leven te leiden was de weg volgen die, na afweging van de ene daad tegenover de andere, het grootste geluk opleverde.

Bentham was in feite een hedonist. Plezier was volgens hem het grootste goed ter wereld en tot wanhoop van zijn tijdgenoten hechtte hij veel belang aan seks. Voor de maaltijd, na de maaltijd, als het even kon zelfs tijdens de maaltijd; en dat natuurlijk drie keer per dag, zolang het het algemeen nut maar ten goede kwam. En daar wringt het schoentje. Want wat Bentham in feite voorstond, was Aldous Huxley's Brave New World, waar iedereen gelukkig is, maar niemand nog inziet dat die ideale wereld een gevangenis is. Bentham was niet toevallig de bedenker van het panopticon, de stervormige gevangenis waarin de bewakers vanuit een centrale toren iedereen tegelijkertijd in de gaten kunnen houden. Geluk was in Benthams woordenboek een synoniem voor gesmeerde nuttigheid.

John Stuart Mill vond Bentham net om die reden niet veel meer dan een kille rekenaar. Geluk was volgens hem een samengaan van rede en emotie en niet toevallig was hij bevriend met de romantische dichters Coleridge en Wordsworth. Ook hij was ervan overtuigd dat we het grootste geluk van het grootste aantal mensen moeten nastreven, maar dat zou je in zijn visie niet bereiken door louter de maatschappij te veranderen. Daar diende je eerst en vooral jezelf eens goed voor onder handen te nemen. Geen panopticon dus als ultiem doel van het leven, maar wel een politiek systeem dat iedereen in staat stelt zichzelf zo goed mogelijk te ontwikkelen. Mill was een verdediger van het individualisme - voor alle duidelijkheid, niet het egoïsme - en van de liberale staat. Een regime dat het individu vraagt een deel van zijn vrijheid op te geven, is volgens Mill al bij voorbaat verdacht. Er zijn immers maar drie zaken die de menselijke vrijheid aan banden leggen en die hebben alle drie met de vrijheid van de ander te maken. Je mag een ander niet schaden, je moet hem helpen als hij in nood is en - ha, wie we daar hebben,... mijnheer Wilders - je mag een ander niet moedwillig beledigen.

Dit uitstapje naar vandaag is trouwens niet het enige dat Venmans maakt in zijn boek. Zo haalt hij ook drie hedendaagse utilitaristen aan: de technofreak en hedonist David Pearce, basislooneconoom Richard Layard en natuurlijk filosoof Peter Singer, die stelt dat je als mens verplicht bent je rijkdom weg te schenken aan de armen omdat het verdriet van jouw verlies niet opweegt tegen al die gelukkige gezichtjes die je zo te zien krijgt.

Helemaal anders, maar toch een beetje hetzelfde is het Amerikaanse pragmatisme dat de fundamentele onkenbaarheid van de wereld als uitgangspunt neemt. Er is geen eenduidige overeenkomst mogelijk tussen de wereld en het beeld dat wij ervan hebben, zoals Plato het utopischerwijze wou, en daarom moeten we ons niet bezighouden met kenleer of metafysica. Die kunnen toch nooit iets waardevols opleveren. Of zoals Charles Sanders Peirce, de grondlegger van het pragmatisme het zei: "Waarheid is datgene waar een groep van deskundigen op lange termijn in overeenstemt." De waarheid wordt door de mens gemaakt, net zoals het geluk bij de utilitaristen een mensenzaak was. Op de schop dus, die grote systeembouwers, en de eerste die het raam uitging was Hegel, de man waar William James fijntjes over opmerkte dat niet alle hegelianen pedant zijn, maar dat wel alle pedanteriken eindigen als hegeliaan.

Het pragmatisme krijgt nogal eens de kritiek te verduren dat het een bij voorbaat immoreel systeem is. Wie geen onwrikbare waarheid aanvaardt, kent ook geen absolute waarden en is dus een moreel relativist, zo gaat dan de redenering. Maar dat is natuurlijk onzin. De ware pragmatist wil dat iedereen in staat is om de bestaande waarheden ter discussie te stellen. Dat is immers de basis van het hele systeem. Er zit dus wel degelijk een ethiek achter het pragmatisme, die we trouwens al bij Mill terugvonden: dat je niemand in zijn mogelijkheden mag remmen.

Begin twintigste eeuw werkte John Dewey de politieke consequenties van het pragmatisme uit, waarbij hij tot de conclusie kwam dat wat het instrumentalisme - zo noemde hij het pragmatisme - is voor de filosofie, de democratie is voor de politiek. Dewey was een liberal die geloofde in de kleinschalige participatiedemocratie waarbij de burgers van tijd tot tijd samenkomen om te beslissen over wat er met hun gemeenschap moet gebeuren. Net zoals bij Mill zien we daardoor een sterke nadruk ontstaan op de verantwoordelijkheid van het individu, dat volgens Dewey moreel verplicht is zich levenslang te verbeteren. Het concept van levenslang leren is dus echt niet een paar jaar geleden uitgevonden in een Brussels partijhoofdkwartier. In New England zijn er trouwens nog een heel aantal steden en gemeenten die deze vorm van participatiedemocratie toepassen. Het grote gevaar was volgens Dewey geld. Hij vreesde dat de homo americanus een homo economicus zou worden die zich om het geld feilloos zou laten gebruiken in een steeds efficiënter wordend productieproces. Op die manier zou de gemeenschap een samenleving worden, stelde hij, waarbij de burgers niet langer gebruik zouden maken van hun stemrecht.

Als hedendaagse pragmatist voert Venmans de vorig jaar gestorven Richard Rorty op, de man die de ironie voorstond en van zijn lezers maar één ding wou: dat ze zouden beseffen dat alles anders had kunnen zijn. Niets ligt vast en de ideale maatschappij is de multiculturele bazaar. De grondhouding van de hedendaagse mens zou volgens Rorty zelfrelativering moeten zijn, wat door filosofische fundi's ongetwijfeld schamperend als aanmodderen wordt afgedaan. Pappen en nathouden zou je het ook kunnen noemen, wat ieder die iets van behangen afweet misschien nog niet eens zo'n slechte techniek zal vinden. In een kamer die aangepakt is door een nietzscheaanse behanger is het immers moeilijk leven.

Peter Venmans

Over de zin van nut

Atlas, Amsterdam, 303 p., 22,90 euro.

We zouden allemaal kortzichtige en afgestompte individuen worden, zo vreesde de Tocqueville, en het probleemoplossende gedrag dat de Amerikanen filosofie noemden, zou ooit ons deel worden

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234