Maandag 24/01/2022

'Ons bestaande talent mag niet versnipperd worden'

In De Morgen van 25 september 2002 werden vier politici gevraagd om een snelle reactie over elementen uit mijn toespraak bij de opening van het academiejaar aan de KU Leuven. Hun mening zou een bijdrage zijn tot de discussie als zij mijn toespraak gehoord of gelezen of nog beter, bestudeerd hadden (uitgebreide versie: http://www.kuleuven.ac.be/nieuws/opening/rector0203.htm). Hun reactie was snel maar niet zeer accuraat.

De Europese regeringsleiders hebben ambitieuze doelstellingen, en ze worden daarin gevolgd door de Belgische en Vlaamse gezagsdragers. In de Verklaring van Lissabon en in die van Bologna wordt voor Europa een nieuwe onderzoeks- respectievelijk onderwijsruimte vooropgesteld, om tegen 2010 competitief aan de leiding te staan van de geglobaliseerde kenniseconomie, gebaseerd op mondiale vrijhandel. In die kenniseconomie is het evident dat kenniscreatie, kennisverspreiding en kennisoverdracht een essentiële rol spelen. In Europa worden die taken hoofdzakelijk behartigd door de universiteiten en onderzoeksinstituten (zoals CNRS of Max Planck). Zowel Lissabon als Bologna zijn intentieverklaringen, gegroeid uit het besef dat, als Europa in 2010 de meest dynamische en competitieve kenniseconomie ter wereld wil hebben, het zich juist op kennisvlak ingrijpend zal moeten heroriënteren. Militair heeft Europa immers afgehaakt, en (klassiek-)economisch staan we evenmin nog vooraan.

Mijn toespraak bevat hoofdzakelijk een analyse, uiteraard voorlopig en beperkt, van een aantal aspecten van het Amerikaanse hoger onderwijs, de huidige leider qua kenniscreatie, met bijzondere aandacht voor de topuniversiteiten. Het zijn immers díé instellingen die het verschil met Europa uitmaken, vooral op onderzoeksvlak (kenniscreatie). Onze universiteiten moeten zeker niet onderdoen voor de Amerikaanse wat het onderwijs betreft. Op onderzoeksvlak kan een gemiddelde Europese universiteit een vergelijking met een gemiddelde Amerikaanse universiteit goed aan. Maar de Europese kopgroep blijft op onderzoeksgebied vér achter bij de Amerikaanse top. In de Benelux is er geen enkele universiteit die globaal tot de beste 30 in de wereld behoort, en (voor de slechte verstaanders) dus ook Leuven niet, omdat we daar noch de middelen noch de steun voor hebben. Die top is wellicht volledig Amerikaans, op twee of misschien drie Europese uitzonderingen na, die trouwens het Amerikaanse systeem toepassen.

Dat systeem bewandelt twee sporen. Enerzijds is er de grote meerderheid van de ongeveer 3.500 universiteiten en 'hogescholen' die zorgen voor massaonderwijs, waardoor de VS een hoge participatiegraad aan het hoger onderwijs hebben weten te realiseren, vergelijkbaar met die in Vlaanderen. Maar anderzijds is er een kleine topgroep van ongeveer vijftig universiteiten, waarmee Europa zich níét kan meten. Die instellingen behartigen weliswaar de klassieke drievoudige taak van elke universiteit (onderzoek, onderwijs, dienstverlening), maar met een andere onderlinge verhouding dan in Europa. Undergraduate onderwijs, bijvoorbeeld, krijgt aan de topuniversiteiten gemiddeld minder aandacht, onderzoek veel meer. In die universiteiten zit een grote hoeveelheid middelen geconcentreerd, onder meer door een veel grotere bijdrage van privé-kapitaal dan in Europa. Door hun grote aantrekkingskracht kunnen ze zeer selectief studenten en staf van over de hele wereld rekruteren. Europa, en zeker ook Vlaanderen, heeft op dat vlak duidelijk geopteerd voor een egalitaristische aanpak. Uit de heftigheid waarmee die in de reacties verdedigd wordt, blijkt dat die aanpak moet blijven, ook in Vlaanderen. Ik heb niet gepleit voor een ommezwaai, maar wel voor een kristalhelder besef van de consequenties van die fundamentele politieke optie van de 'massificatie' van het onderwijs. Alhoewel wij grote voorstander blijven van een democratisch toegankelijk hoger onderwijs, voldoende gefinancierd door de overheid, wensen wij toch te onderzoeken of een verzoening tussen beide systemen haalbaar is. .

Daarnaast heb ik in mijn toespraak nog gewezen op een aantal andere verschillen, bijvoorbeeld met betrekking tot de aandacht voor behoorlijk en onafhankelijk bestuur, de andere verhouding met de bedrijfswereld, het grotere belang dat aan positieve competitie gehecht wordt, enzovoorts. Die competitie wordt onder meer belichaamd in de veelbesproken rankings - niet van universiteiten, maar per studiedomein. Die rankings (die ook bij ons niet onbestaande zijn) informeren de aanstaande studenten, en wellicht meer nog de aanstaande onderzoekers. Dat kan gebeuren met objectieve criteria, die meer en meer gebaseerd kunnen zijn op meetbare onderzoekskwaliteit per onderzoeksgroep en per wetenschapsdomein.

Ik heb in mijn toespraak slechts twee aanbevelingen uitgesproken. Ik heb willen oproepen tot grondige studie van de Europees-Amerikaanse verschillen, om op grond daarvan mogelijkerwijs tot beleidsadviezen te komen. Verder heb ik een voorzichtige aanzet willen geven tot een gesprek over institutionele taakverdeling, gericht op een optimale inzet van middelen. Ik ben ervan overtuigd dat de associaties daar een eerste aanzet toe zijn. Ik herhaalde met mijn voorstel in feite wat de vroegere onderwijsminister Van den Bossche al zei, namelijk dat het geen zin heeft dat elke universiteit alles wil doen. Eén of maximum twee instellingen op hetzelfde onderzoeksdomein, één of maximum twee die een bepaalde specialisatieopleiding aanbieden, is veel nuttiger, wat níét betekent dat alles geconcentreerd moet zijn in éénzelfde universiteit. Die oude stelling verdient meer aandacht dan ooit. Ons bestaande talent mag niet versnipperd worden.

Mag men uit mijn analyse concluderen dat de Europese universiteiten slecht presteren? Uiteraard níét. Zeker voor de Vlaamse en Nederlandse universiteiten is de micro-efficiëntie, de "wetenschappelijke output per geïnvesteerde euro", goed tot zeer goed - en die van de Vlaamse zelfs beter dan de Nederlandse. Nederland neemt echter wel voorsprong wat betreft de macrodoelmatigheid. Onze institutionele en dus financiële versnippering speelt ons duidelijk parten. Dat geldt natuurlijk ook op ruimere schaal. Qua wetenschapsfinanciering en schaalgrootte is Europa erg versnipperd, waardoor concurrentie met het federale niveau van de VS op dit ogenblik zeer moeilijk is.

Het engagement van onze regeringsleiders om 3 procent van het bnp voor te behouden voor wetenschappelijk onderzoek, is mooi maar onvoldoende. Immers, onze bewindslieden rekenen in de eerste plaats op de industrie om daar twee derden van te leveren. Dat lijkt irreëel. De grootste bedrijven, zelfs ook de Europese en Japanse, investeren inderdaad veel in onderzoek, maar niet in Europa, wel in de VS... Ik pleit dus allerminst voor een privatisering van de onderzoeks- en onderwijsfinanciering, integendeel.

Het personeel aan onze universiteiten werkt zeer hard en vele uren. Jammer genoeg is dat geen garantie voor een optimaal globaal resultaat, zolang het bestuurlijke en financiële kader ontbreekt om die grote inzet te kanaliseren en optimaal te doen renderen.

Dat alles samengenomen brengt mij tot de conclusie dat het streven van onze toppolitici om een vooraanstaande rol te spelen in de kenniseconomie lovenswaardig en zonder meer noodzakelijk is en ons aller steun verdient, maar dat de realiteit bescheidenheid dicteert. De eerste plaats is nog lang niet voor Europa.

Professor André Oosterlinck is

rector van de KU Leuven.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234