Maandag 23/11/2020

Ongeloof in Huxleys heerlijke, nieuwe wereld

Evenwicht geldt traditioneel als een morele deugd. Maar wie is echt in evenwicht? Om mensen te begrijpen, zo stelt psychoanalyticus Adam Phillips, moet je juist kijken naar hun excessen, naar hun gebreken dus.

De naam Adam Phillips doet bij u hoogst waarschijnlijk geen belletje rinkelen - bij mij ook niet, tot een gunstige wind het boek op mijn bureautafel deed belanden. Alain de Botton, John Banville, Arnon Grunberg en John Gray blijken verzot op zijn werk, dat doordrongen is van het vandaag verworpen psychoanalytische gedachtegoed van Freud.

In Freuds visie hebben neurotische stoornissen alles te maken met moraal. Dit vertellen in een hedendaags psychiatrisch en klinisch psychologisch gezelschap zal je geloofwaardigheid niet erg bevorderen, en voor het aanvragen van onderzoeksfondsen is het absoluut af te raden. Moraal begrijp ik hier als de impliciete en expliciete regelgeving die onze verhouding bepaalt ten opzichte van het lichaam en de ander, beide in de zeer ruime betekenis van het woord. Vandaag overheerst echter het neurobiologische vertoog. Zo vertelde recent een hoogleraar kinderpsychiatrie op de tv dat ADHD grotendeels genetisch bepaald is en alles te maken heeft met gestoorde neurotransmitters. Waaraan ik wil toevoegen dat deze neurobiologische stoornis vreemd genoeg seizoensgebonden is: bij het merendeel van de patiëntjes stopt de aandoening miraculeus zo rond eind juni, om vervolgens even miraculeus weer op te duiken begin september, waarna de behandeling (pillen) eveneens heropgestart wordt. Het zal wel aan mijn onwetenschappelijke benadering liggen, maar als ik ADHD bekijk door mijn freudiaanse bril opgepoetst met Foucaultdoekjes, valt mij vooral op dat een ADHD-kind de klas, excuseer: het klasgebéúren stoort en daarom als gestoord gelabeld wordt. De behandeling is een als therapie vermomde disciplinering ("Hij is veel kalmer met die pillen en doet nu veel beter zijn best"), waarbij de vraag naar het eventuele probleem van dat kind zélf verdwijnt onder het pasklare antwoord. Dat alles heeft niets, maar dan ook niets met moraal te maken ("en zit stil, verdomme"). We leven meer en meer in Huxleys heerlijke, nieuwe wereld (voor de neurobiologen: niet die van Thomas, wel die van Aldous).

Meer menselijkheid

Ikzelf mag graag vertoeven in een andere denkwereld, met minder zekerheden maar meer menselijkheid. En ook vanuit dit denkbeeld kijkt Phillips naar zichzelf en naar ons, zonder antwoorden te formuleren, maar vaak vanuit een net ander perspectief dan gebruikelijk, zodat we glimlachend beginnen na te denken over wat voordien vanzelfsprekend leek. Het boek brengt een verzameling essays die thematisch geordend zijn, gaande van onmatigheid tot sprookjes en moeders. Tussenin vindt de lezer bespiegelingen over de vraag wat er fundamenteel is, hoe we dingen kunnen wegslapen en wat we vandaag nog kunnen begrijpen onder het versleten lemma authenticiteit.

Excessen fascineren ons, vooral die van anderen: te veel of te weinig voedsel, alcohol, liefde, seks, geld, met steevast onze morele verontwaardiging tot gevolg - we kunnen er niet genoeg van krijgen. Daarbij gaat Phillips dieper in op de vraag wat 'genoeg' betekent, ook binnen de context van seksverslaving. Ik kan het niet laten hier Reves antwoord te citeren, op de vraag of hij niet te veel dronk: "Nooit meer dan nodig is." Adams bewaart het beste exces voor het laatst: onszelf te veel zijn, als grond van alle andere vormen van overmaat. "Verdriet herinnert ons er ongeveer net zoals seksualiteit aan hoezeer we onszelf te veel zijn." O ja, en voor ik het vergeet, in verband met die neurobiologische stoornissen die niets met moraal te maken hebben: het meest gebruikte woord in het huidige standaard diagnostisch handboek (de DSM) is het woordje 'te' in alle denkbare varianten ('excessief', 'overmatig', 'overvloedig', enzovoort).

Teveel aan prikkels

De moraal van het verhaal is dat wij hulpeloos grensoverschrijdende wezens zijn, die daarvoor steevast de schuld en de verantwoordelijkheid bij de ander leggen ("Ze heeft me verleid!", "Mijn ouders hebben me te weinig verbod opgelegd!").

Phillips begrijpt hulpeloosheid als overspoeld worden door een teveel aan prikkels waar we geen raad mee weten, en waartegen we ons op een of andere manier teweer moeten stellen. Als baby maakt het ons volstrekt afhankelijk van de ander, en dat zal zo blijven. Wat we daarmee doen, bepaalt ons leven - gaande van de illusie scheppen dat ik onafhankelijk ben en de ander niet nodig heb tot de machtswellust die mijn eigen onmacht verbergt door anderen afhankelijk te maken van mij. Op het einde van de rit die het leven is - en soms al veel vroeger - botsen we onvermijdelijk toch weer op die oorspronkelijke hulpeloosheid. "We kunnen bekwamer worden, maar we moeten ons niet inbeelden dat we minder hulpeloos worden."

Zijn centrale stelling is even verrassend als juist: hulpeloosheid is de eerste voorwaarde voor bevrediging, en legt bovendien de basis voor de menselijke moraal.

"Als we niet kunnen verdragen hulpeloos te zijn, kunnen we ook bevrediging niet verdragen." Via wetenschap en religie heeft de mens een samenzwering tegen hulpeloosheid uitgewerkt, en dat blijkt meteen ook een samenzwering tegen bevrediging te zijn. Bevrediging die wij slechts via de ander kunnen verkrijgen, waardoor we van hem of haar afhankelijk worden. Daarom ligt hulpeloosheid aan de basis van onze moraal, omdat het ons onvermijdelijk confronteert met de vraag wat wij doen met onze afhankelijkheid tegenover anderen, en wat wij doen met mensen die afhankelijk zijn van ons. Met als gevolg "dat onze onvrede met moraal grotendeels voortkomt uit de manieren waarop we met moraal onze aanvankelijke hulpeloosheid willen ontkennen, afschaffen, weigeren, kleineren, bagatelliseren en straffen".

Zijn uitgangspunt leidt tot een heel ander zelfbeeld en tot een heel andere visie op intermenselijke verhoudingen dan de huidige schreeuwerige, pseudo-almachtige boodschappen. De eerste voorwaarde voor psychische gezondheid is kunnen omgaan met mislukking en falen, met tekort. Onze hulpeloosheid neemt niet af met ouder worden, integendeel, ze verschuift van een hulpeloosheid die voortkomt uit een gebrek aan ervaring naar een die voortvloeit uit een teveel aan ervaring.

Het mooiste stukje van het boek is dat over verdwalen, waarbij de auteur vertrekt van een gedicht van Miroslav Holub, 'Beknopte beschouwing over kaarten'. Voor wie wanhopig verdwaald is, helpt elke kaart, zo blijkt, ook die van de Alpen wanneer je ronddoolt in de Pyreneeën. Wanneer ik er straks voor de zoveelste keer niet in slaag een wandelkaart te ontcijferen, zal ik zonder twijfel beginnen glimlachen in de wetenschap dat de belangrijkste kaart naast mij aan het stappen is - met dank aan Phillips. En die uitleg moet u zelf maar lezen, ze is te mooi om samen te vatten.

Warm aanbevolen voor de hulpelozen onder ons.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234