Vrijdag 03/12/2021

One...

two...

three...

GO!!

Op 12 november bestaat de benji-sport officieel tien jaar. De Morgen nam de proef op de som en trok naar het verre Nieuw-Zeeland, naar Queenstown, zowat de avontuurlijkste stad ter wereld en epicentrum van het benji-wezen. Hart en maag in de keel trillen als rietstengels en rampenscenario's flitsen onafgebroken door het hoofd. Waarom?! Omdat 's werelds hoogste benji-brug zo'n 102 meter te hoog was. Daarom! Verslag vanuit hogere sferen. 'Don't think, mate... JUMP!!'

"Nee, dank u."

"C'mon man, go for it!"

"Nee, dank u, zei ik"

"Aaah, chickenshit!"

Half mei 1998. Op de benji-site in Queenstown wordt al een uur geschamperd om mijn aanwezigheid op de Pipeline-brug, de naar verluidt hoogste brug ter wereld waarop aan benji-springen wordt gedaan. Ik hang wat voorover op de gammele 155-meter lange brug, met enigszins toegeknepen ogen kijkend naar jongelui die zich met veel theatraal gekrijs naar beneden storten en die zo'n vijf meter voor een enkeldiep beekje met een flinke ruk terug omhoog worden geschoten en vervolgens nog wat gezellig aprés-jojoën. Van de vijf mensen die op deze afgelegen plek zijn afgezet door de benji-organisatie - mijn reisgezel Billy en drie jonge vakantiegangers die we eerder die dag ontmoetten - ben ik de enige die weigert te springen.

Een kleine drie uur eerder had de hele groep uitgelaten plaatsgenomen op een weegschaal, zodat de installateurs later kunnen bepalen hoe ver het touw mag uitrekken - niet onbelangrijk, dat spreekt vanzelf. Me trachten overtuigen doet niemand. Iedereen is - en zeker na het zien van de brug boven Skippers Canyon - te zeer met zichzelf bezig. Eigen remmingen opzij zetten, het steeds ratelende denkproces afzetten en het doen. Iedereen beseft ook dat je de beslissing zelf moet nemen. En niemand is een bengerik omdat hij niet springt. Nu, ik bepaal zelf waar ik sta, ga en spring en doe dat al jaren -dank u -, en dit valt wat mij betreft onder de enge noemer 'kort kicken'. En daar heb ik geen zin in. Zegt me niets.

Drie uur geleden heb ik mijn eerste tandemskydive-sprong vanuit een vliegtuig gevierd. Ik vond het zalig. Prachtig. Fenomenaal. Drie kilometer omhoog met een gammel sportvliegtuigje, dan met het hoofd naar beneden springen uit een gat waar ooit een deur stond, een vrije val tegen 120 km/u, angst die meteen plaatsmaakt voor een overweldigend gevoel, te danken aan de immense pracht van de mij omringende natuur. Na duiken, mijn mooiste ervaring. Maar dit...?!

Er is een nog belangrijker reden waarom ik de stap niet waag: ik heb absoluut geen vertrouwen in technologie. Nul-komma-nul. Niente. En in de zeldzame momenten dat ik me er toch door laat vangen, trek ik steevast de kwaliteiten in twijfel van het individu dat die technologie begeleidt. Maarr... euh... als ik heel eerlijk mag zijn: er speelt nog iets mee. In gedachten zie ik mijn reisgezel Billy straks met veel gevoel voor drama aan alle andere vrienden en vriendinnen vertellen dat hij wél en ik nièt gedurfd heb. En argument nummer vier: ik mag hier gratis springen en krijg die kans nooit meer.

Even later spring ik van 102 meter hoogte de dieperik in. Jamiroquai galmde loeihard door de luidsprekers en dan weigeren mijn voeten steeds vaste grond te raken.Vandaar. Enfin, ik zei ja en dan moet je ook de gevolgen maar dragen. Een weegschaal wordt onder mijn voeten geschoven -'Mijn god, laat dit ding alsjeblieft niet dezelfde gebreken hebben als de onze thuis' -, een handdoek wordt rond mijn voeten gedrapeerd, musketons worden aangebracht en vastgehecht aan mijzelf en het ongeveer vier centimeter dikke benji-touw, en flauwe ingestudeerde grapjes worden uitgespuugd, genre: "Jezus Christus, ik ben moe, ik zou wel eens fouten kunnen maken".

"Where are you from? ," begint de hyperkinetische instructeur zijn standaardgesprek.

"Belgium," zeg ik droog.

"Ah, Belgium. Wait a minute. Belgium?! Yeah, what's his name? Dutroux, isn't it?! "

"Yes," zucht ik, toch maar zo vriendelijk mogelijk, want het laatste wat ik wil is deze mens, deze uit flauwe grappen opgetrokken zeikerd, in het harnas jagen. In feite wil ik dat Zeikerd aan niets ander denkt dan zijn knooptechnieken.

Mijn sprong is de laatste van die dag. "Als jij springt kan ik naar huis", zegt Zeikerd. "Enfin, tenzij het touw breekt, natuurlijk. Want dan kan ik hier nog wel ettelijke uren blijven. De flikken, het gerecht, de hulpdiensten... je kent dat wel. En erg goed op mijn cv staat dat niet," knipoogt hij schijn-samenzweerderig. De lul. Ik mag rechtstaan, met vastgebonden voeten naar de opening in de brugleuning huppelen, rustig schuifelen naar een soort springplank en balanceren op het uiteinde ervan. 'Als ik nu niet van mijn hoogtevrees afraak, zal het wel nooit lukken,' bedenk ik. (Eerlijk waar: terwijl ik dit schrijf bekruipt me nog steeds datzelfde onbehaaglijk gevoel van die dag in mei.) De volgende bedenking is: 'Ik had dit nooit mogen doen!' En dan roepen de aan weerszijden opgestelde instructeurs: 'Don't think... don't look down, just jump at three! Okay?! Ready?!'

'One...'

Hartslag in overdrive. "Zwaai nog een laatste maal naar de camera voor het thuisfront, mate! (Geen zin in.)

'Two...'

Zal ik proberen met de armen te fladderen, dat staat namelijk stoer op de video achteraf. Mijn voeten schuifelen onbewust naar achter.

'Three!'

Nu of nooit. Zeikerd mag blij zijn. Ik behoor niet tot de één op vijftien die niet springen. Maag klotsend in de keelholte, blaas die dreigt over te lopen, kurkdroge mond. En daar gaan we: zo'n honderd meter loodrecht naar beneden, na eerst nog enkele seconden wat in de lucht te hebben gefladderd. WOEF! De lucht fluit langs mijn oren, geluiden die vreemd vervormen, het enkeldiepe beekje dat dreigend op mij af komt en, jawel, een krachtige terugslag die me opnieuw naar boven zwiept - leuk, want dat betekent dat het touw het heeft gehouden. Conclusie op de begane grond: 'Moet ik nu na zo'n sprong niet een euforisch kickgevoel krijgen of komt dat pas later?' "Maar gij zijt toch ne rare, zeg," reageert mijn reisgezel Billy glimlachend én verbaasd. Hijzelf is nog steeds ondergedompeld in De Gouden Roes, iets wat nog dagen zal duren en de lachkuiltjes in zijn wangen houdt. Maar hij heeft al eens gesprongen. Hij is een koele kikker. Hij stort zich sowieso blindelings op al die kicksporten. Ik daarentegen, ik sta daar maar te staren, naar een soort springplank waar ik enkele seconden geleden nog stond bang te wezen. Honderdentwee meter hoog. Stel u voor dat ik met mijn schedel los in het ondiepe water was terechtgekomen. Ik had het verdomd niet eens geweten. Honderdtwintig kilometer per uur. Dat is, tja, snel. Dat is levensgevaarlijk snel. En ik zou verdomd de eerste niet zijn, hé - zo, làp met mijn hoofd in de rivierbedding?!

Benji heeft al slachtoffers gemaakt, zo leer ik diezelfde avond van Pipeline-manager Andy 'I did over 600 jumps' Brinsley (33). Hoeveel dat er zijn wil of kan hij niet vertellen, maar enig aandringen leert dat in de Verenigde Staten jaren geleden nog op honderden sites werd gesprongen, terwijl dat er nu nog slechts enkele zijn. "Tja", aldus een schouderophalende Brinsley, "je kent die Amerikanen. Zodra er zich een klein ongevalletje voordoet, dreigen ze met schadeclaims. De verzekeringsbedragen zijn nu zo hoog geworden dat niemand er nog aan wil beginnen." Zo'n twee jaar geleden hebben er er zich ook twee zware ongelukken voorgedaan op twee sites van de beroemde A.J. Hackett, hier in Queenstown, waar deze Hackett ooit zelf de eerste sprong maakte. Hoe het de eerste ongelukkige is vergaan kan of wil hij niet zeggen. De tweede, een jonge vrouw, is volgens hem niet gestorven. "Ik heb horen zeggen dat haar ruggengraat gebroken is dat ze zich nu in een rolstoel verplaatst. Maar zeker weet ik het niet." "Maar", relativeert Andy snel, "afgaande op het aantal geslaagde sprongen is dit een enorm veilige bezigheid. Zelf hebben we nog nooit iets ernstigs meegemaakt." Later die nacht komt het hele gezelschap bijeen in een plaatselijke, uit hout opgetrokken pub. Ervaringen worden uitgewisseld. De kwestie is: waarom springt een mens eigenlijk, terwijl je het, staande op die springplank, bijna in je broek doet van de schrik? Een uur gaat voorbij, twee uur gaan voorbij. Nieuw-Zeelands bier en Amerikaanse cola worden achterover geslagen. Antwoorden blijven in de lucht hangen. Andrew, een Ierse jongen van een jaar of vijfentwintig, kijkt verdwaasd voor zich uit terwijl hij zijn bierviltje laat rondtollen. Voor hem was deze sprong een persoonlijke afrekening met zijn eigen angsten, maakt hij duidelijk. Lichamelijke angsten, om precies te zijn. We hadden het al eerder gemerkt: Andrew heeft af te rekenen met een serieuze heupblessure. Hij hinkt zwaar en sleept bijwijlen zijn linkerbeen achter zich aan. In zijn geboorteland werd hem al op het hart gedrukt dat de kracht van zo'n benji-sprong zijn heup ernstige, om niet te zeggen blijvende schade zou kunnen berokkenen. "Maar dan kan ik nooit iets meer doen," schudt hij het hoofd. En dan lacht hij breed, terwijl hij zegt - juicht bijna - dat hij niets gevoeld heeft. "Niets! Wacht tot mijn broertje dit hoort. Die wilde mij altijd meenemen naar van die avontuurlijke kicksporten en ik moest die altijd aan me voorbij laten gaan." En Andrew komt pas op dreef, want eerder die dag gaf hij zich over aan tandem-skydiving en morgen gaat hij raften op een van de gevaarlijkste rivieren ter wereld. "Ook slecht voor mijn heup, want je moet je benen in zo'n rubberboot blokkeren om er niet uit te vallen. Maar ik wil het echt."

Carolyn, een jonge vrouw van vooraan in de twintig, die enige uren eerder afscheid nam van het kleine viaduct onder een luid mamaaaaaaaa, zegt het nooit meer te zullen doen. "Never ever again," maken haar grote kijkers duidelijk. Haar vriendin twijfelt. "Het is duur," zegt ze (bijna 3.000 frank), "maar die euforie, he?!... Ja, ik denk dat ik het er de volgende keer toch weer op waag." Nicole, een Britse twintigjarige, omschrijft het als "een heel klein beetje zelfmoord". "Voor een klein moment zeg je 'fuck it!' tegen de wereld. Het enige wat je nog met die wereld verbindt is een touw aan je voeten en het besef dat het maar voor even is." Ze schaamt zich een beetje voor die uitleg, maar vreemd genoeg kunnen we er ons allemaal wel ergens in vinden. De conclusie: drie van de vijf springers zouden het zonder twijfel opnieuw doen. Eentje twijfelt, en voor nog een andere (moi) is het de laatste keer geweest. Aan de andere kant... misschien, heel misschien, moet ik toch nog maar eens springen om te achterhalen waarom ik deze ervaring eigenlijk maar magertjes vond. En van mijn hoogtevrees ben ik ook nog altijd niet verlost. Misschien, maar dan heel misschien, moet ik dan toch nog maar eens...

(Foto's Isopress)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234