Donderdag 19/09/2019

Ondraaglijke nietigheid

Het is niet omdat we moreel respect moeten opbrengen voor het moeilijke besluit tot zelfdoding van een persoon en medeleven moeten hebben met de nabestaanden, dat we de zelfdoding als maatschappelijk verschijnsel niet zouden mogen problematiseren, stelt Koen Raes.

Koen Raes

In Vlaanderen plegen ieder jaar zo'n 1.100 mensen zelfmoord en ons land staat aan de Europese kop wat het aantal zelfdodingen in verhouding tot het bevolkingsaantal betreft. Behoorlijk wat mensen in onze samenleving hebben geen enkele zin meer om te leven. Behoorlijk wat mensen verkiezen de dood boven het leven, vinden het of toch hun leven uitzichtloos. Duizend honderd medemensen! Die zich kennelijk geen medemens meer voelden. Men heeft voorwaar voor mindere zaken al parlementaire onderzoekscommissies opgericht. Maar voor zelfdoding? Nauwelijks voorpaginanieuws. Kom nou, politici. Dit is een teken aan de wand. Dit is een samenlevingsprobleem. Dit vraagt om de waarom-vraag, antwoorden én therapieën. Wie durft er nog beweren dat het met Vlaanderen goed gaat, wanneer zo velen zelfs liever dood gaan dan hier te leven? Het leven is mooi? Iedereen is mooi? Had het diegenen die de hand aan zichzelf sloegen, misschien eerst eens gevraagd.

Het gaat bij zelfdoding kennelijk vooral om adolescenten en bejaarden. Bij adolescenten is het zelfs de tweede doodsoorzaak en wellicht is dat bovendien een onderschatting, want bij de eerste doodsoorzaak - verkeersongevallen - schuilen waaarschijnlijk ook talrijke zelfdodingsacties.

Het is niet omdat we moreel respect moeten opbrengen voor het moeilijke besluit tot zelfdoding van een persoon en medeleven moeten hebben met de nabestaanden, dat we de zelfdoding als maatschappelijk verschijnsel niet mogen problematiseren. Iedere zelfdoding is een mislukking, een mislukking voor een samenleving die kennelijk aan zovele mensen geen levenszin meer weet aan te reiken. Iedere zelfdoding is cultuurkritiek. De beslissing mag dan al allerpersoonlijkst zijn, het maakt het niet minder tot een politiek probleem.

Het probleem van de zelfdoding wordt momenteel al te sterk gemedicaliseerd. Zo'n beetje zoals het probleem van het seksueel misbruik van kinderen. Ongetwijfeld doen de vertrouwensartsencentra, mede door hun laagdrempeligheid, uitstekend werk. Niettemin is seksueel misbruik natuurlijk niet in de eerste plaats een medisch probleem, de verzorging van de misbruikten niet te na gesproken. In dezelfde zin is het niet omdat het in de eerste plaats artsen zijn die geconfronteerd worden met zelfdodingen of pogingen tot zelfdoding, dat zelfdoding een medisch probleem zou wezen. Nee, het gaat hier in de eerste plaats om maatschappelijke en psychologische problemen, om problemen die iets te maken hebben met het toenemend aantal mensen dat geen zin meer weten te vinden in het leven vandaag. Zelfdoding is een ethisch en politiek probleem (en volgens sommigen een cruciaal filosofisch probleem). Hoe komt het toch dat onze welvaartsmaatschappijen die uitpulken van de geluksbeloften blijkbaar zo velen onbevredigd en desolaat achterlaten? Hoe komt het toch dat maatschappijen die de ene hype na de andere - the show must go on - de wereld insturen bij een deel van de bevolking net een tegenovergestelde reactie uitlokken?

Emile Durkheim had dit een eeuw geleden al door. Als telg uit een ondanks alle revoluties katholiek gebleven Franse cultuur kende hij het belang van sociale netwerken voor het welbevinden van mensen. Een doorgedreven individualisering leidt tot zijns- en zinverlies, want mensen hebben de anderen nodig voor hun zelfbesef. In Le suicide stelde hij vast dat het zelfdodingscijfer in oorlogsperioden daalde. Men zou natuurlijk kunnen beweren dat potentiële zelfdoders dan immers de kans krijgen om op het front hun leven te laten, maar dat is volgens Durkheim niet de verklaring. In oorlogssituaties worden mensen weer een deel van een maatschappelijk project dat hen overstijgt: hun land verdedigen, de natie versterken, anderen beschermen. In een dergelijk project overstijgen ze de eigen nietigheid en eindigheid, en putten ze moed uit een nieuwe deelachtigheid in een groter geheel. Durkheim bedoelde dat niet als een pleidooi voor de oorlog, maar wees wel op het belang van projecten en netwerken waaraan mensen zich kunnen optrekken en waarin ze zichzelf kunnen transcenderen. Ontdaan van ieder dergelijk project vallen mensen terug op hun eigen individualiteit, waarvan alleen de eindigheid een absolute zekerheid is. Van leven ga je (toch) dood.

Dat is hoogst actueel, want wordt het einde der grote verhalen niet juist bejubeld door de protagonisten van het postmodernisme? Maar wat betekent dat precies, leven zonder 'groot verhaal'? Was de mens van de grote verhalen een gedreven mens, dan heeft de postmoderniteit de ironische mens verwekt. De ironische mens, aldus Richard Rorty in zijn Contingency, Irony and Solidarity, is iemand die zichzelf nooit geheel ernstig neemt, omdat hij zich ervan bewust is dat alles veranderlijk is en dat zijn woordenschat, en dus hijzelf, op toevalligheid en kwetsbaarheid berust. Een ironisch zelfbesef, zo schrijft ook Richard Sennett in The Corrosion of Character, is het logische gevolg van het leven in een flexibele tijd zonder vaste regels, normen of verantwoordelijkheden. Het is de ingesteldheid van de figuren uit Yves Simons La dérive des sentiments, die zonder ankers leven in het hier en nu, zonder historisch tijdsbesef, zonder grootse plannen, zonder een stabiel ikbeeld, dat slechts bestaat uit een nimmer voltooide verzameling fragmenten. Het zijn jongeren die leven zoals de maatschappij hen behandelt: tijdelijk inzetbaar wanneer het uitkomt, permanente interimarissen voor wie alle hechtingen gevaarlijk, want broos zijn. Objecten van processen die hen ontgaan, eerder dan subjecten van zelf ontworpen en transparante levensplannen.

Maar ook al verdedigt Richard Rorty de ironie als enig mogelijke geestesgesteldheid in dit tijdperk van onzekerheden, tegelijk erkent hij dat een samenleving niet door ironie bijeen kan worden gehouden en dat het onmogelijk is een jeugd op die manier te socialiseren dat zij voortdurend aan haar eigen socialisatieproces twijfelt. Precies! Ironie, zegt Richard Sennett, stimuleert mensen er niet toe de macht uit te dagen en leidt finaal tot zelfvernietiging. Wie zich blijft wentelen in de onzekerheid dat niets vaststaat, wordt alleen nog maar geconfronteerd met de eigen nietigheid, de eigen zinloosheid, de eigen eindigheid, de volstrekte inauthenticiteit. En dan verandert de ironie in melancholie, in het verlangen naar een harmonische en transparante ordening waarvan men weet dat ze niet kan bestaan. Het zal wel geen toeval zijn dat de hedendaagse jeugd, zoals Susan Sontag opmerkte, zo verlekkerd is op zwarte kledij, als vertoeft zij in permanente rouw om wat verloren ging: de illusie van de hoop.

Wanneer de culturele psychiatrie ons tijdperk als the age of melancholy kenschetst en wanneer de Wereldgezondheidsorganisatie voorspelt dat depressie de belangrijkste ziekte - niet de belangrijkste geestesziekte, maar de belangrijkste ziekte - wordt in de westerse cultuur van de eenentwintigste eeuw, wordt duidelijk dat er behoorlijk wat misloopt in deze samenleving, die met haar welvaart niet in staat blijkt het welzijn te verhogen. Deze samenleving is schizofreen. We leven en studeren steeds langer, maar boven de vijftig jaar werkt de helft van de bevolking al niet meer. Opgebrand, afgedankt. We hebben steeds meer vrije tijd die we steeds minder vrij kunnen invullen. We hebben steeds gesofisticeerder communicatietechnologie, maar praten steeds minder met elkaar. We kunnen hoogbejaarden wel in leven houden, maar wensen er verder niets mee te maken te hebben. We dragen de ziel van het kind hoog in ons vaandel maar maaien er ieder jaar enkele honderden neer in het verkeer. En ga zo maar door. Genoeg om depressief van te worden. Het optimistische levensgevoel dat iedere reclamespot uitstraalt, maakt de werkelijkheid alleen maar goorder. Wellicht is het dat wel: het leven wordt alsmaar mooier in de fictie die we tijdens onze vrije tijd consumeren. Het leven zelf blijkt daarentegen steeds minder zin te hebben. En zin, daar is men precies naar op zoek.

Nu heeft het natuurlijk geen zin om zin te gaan geven aan wat geen zin heeft, al heeft men er, aldus Rik Pinxten, wel enige ('goddelijke') fantasie voor nodig. Dat hebben de existentialisten terecht betoogd. Maar kan iets wel 'zin' hebben buiten de wil van een mens? God? Die is dood. De natuur? Dat is al een even eindeloze verzameling wreedheden als een verzameling prachtigs, dat we in versneld tempo aan het uitroeien zijn. De geschiedenis? Idem dito. Ik zou geen calculus willen maken of al de schoonheid die werd gecreëerd wel opweegt tegen het schouwspel van al haar gruweldaden. Sedert het marxisme als historistische religie heeft afgedaan, ligt de zin van de geschiedenis-als-bevrijding-en-vooruitgang op de schroothoop. De mens, dan maar? Tja, respect en mededogen verdient hij wel, maar voor het overige is het een dermate bonte verzameling creaturen - men leze er La nausée van Jean-Paul Sartre op na -, dat ik niet zou weten wat 'de' mens precies inhoudt. Nee, de zinsvraag wordt niet altijd zo absoluut gesteld, en misschien is juist haar koppeling aan absolute grootheden wel verantwoordelijk voor haar uitholling, omdat we ondertussen weten dat absoluutheden niet van deze wereld zijn. We moeten wellicht af van al die zingevingen van de hoop, want hopen is per definitie ongelukkig zijn, wachten, missen, onbevredigd zijn en machteloos verlangen. Maar sommigen vinden wel degelijk zin in het zoeken naar waarheid, zonder te hoeven geloven in de (enige) absolute waarheid, sommigen scheppen wel degelijk schoonheid, zonder absoluut schoonheidsideaal. Sommigen vinden wel degelijk verbondenheid, zonder daarom meteen 'de' mensheid te omarmen: zij vinden die dan juist in het medeleven met het zeer concrete lijden van grote delen van die universele grootheid, in de solidariteit met zeer concrete anderen of in bewondering voor wat weer andere concrete anderen hebben gepresteerd. Ze vinden, zoals Luc Ferry verdedigt in De god-mens of de zin van het leven, precies zin in de uniciteit van de andere waarmee men zich diep verbonden voelt: "De laatste realiteit, de enige die ertoe doet als het gaat om de zin van het bestaan, is niet die van het 'exemplarische' maar die van een uniek, onvergelijkelijk individu."

Verbondenheid, daar gaat het, denk ik, vooral om, ook waar het zoeken naar waarheid of schoonheid het leven leidt. Verbondenheid enerzijds in de philia, de diepe vriendschap voor enkele unieke anderen en anderzijds in de dike als de zorg om universele gerechtigheid of de caritas, als het medeleven met alle slachtoffers van onrecht. Je kunt niet zonder de anderen. Heel wat jongeren voelen zich volstrekt niet verbonden. En voelen zich eenzaam, onbegrepen, ontworteld en gegrepen door een diep gevoel van betekenisloosheid. Zij ervaren een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan sociale relaties of aan de kwaliteit daarvan en dat tast hun zelfbeeld aan. In haar studie Eenzaamheid analyseert Jenny de Jong-Gierveld eenzaamheid als een structureel probleem van ons samenlevingstype. Minder netwerken van sociaal-emotioneel ondersteunende relaties blijken voor veel mensen nog voorhanden. De evidentie dat familie-, school-, wijk- of werkverbanden ook betrokkenheid met zich brengt, brokkelt af. De assertieven hebben daar weinig problemen mee, maar voor anderen laat het wegvallen van die evidentie een leegte achter.

Ook bejaarden worden in toenemende mate met vereenzamingsprocessen geconfronteerd en ook bij hen zijn de zelfdodingscijfers hoog. En dan gaat het vooral om vrouwen, gaat u maar eens naar onverschillig welke rust- en verzorgingsinstelling. De oorzaak: vrouwen leven gemiddeld ongeveer acht jaar langer dan mannen. Voeg daaraan toe dat mannen nog steeds de neiging hebben om met vrouwen jonger dan zijzelf te trouwen en je ziet het plaatje al. Man heeft partner nog wanneer hij sterft, vrouw blijft alleen achter. Wanneer de palliatieve thuiszorg ooit op poten staat, zullen mannen de eersten zijn om daarvan te kunnen profiteren, want zij hebben nog een 'mantelzorgende' partner wanneer zij sterven. Hun vrouw, die zal dat in eenzaamheid moeten doen...

Vereenzamende bejaarden, het is hoofdzakelijk een vrouwenprobleem, al hoorde ik ooit een dame de opmerking maken dat haar leven eigenlijk pas was begonnen toen haar man de pijp aan Maarten gegeven had. Ik weet dat ik niet bijster goed geplaatst ben om dit te stellen, maar eigenlijk zouden we, uit zuivere redenen van rechtvaardigheid, jonge mannen moeten overtuigen van de charmes van wat oudere vrouwen. Mochten mannen vallen voor vrouwen die zo'n tien jaar ouder zijn dan zijzelf (en mochten vrouwen vallen voor mannen die zo'n tien jaar jonger zijn dan zij), dan was meteen het vereenzamingsprobleem op latere leeftijd van de baan en zouden vrouwen van tachtig nog vrolijk uit wandelen kunnen gaan met hun man van zeventig. Zou dat niet mooi zijn? Laat ons (enfin, jullie, jongeren toch) daar eens werk van maken! Wil men het verschijnsel van de zelfdoding structureel aanpakken, dan zal men iets aan vereenzamingsprocessen moeten doen. Ideologisch, door de mythe van het individualistisch zelfbeeld door te prikken en te benadrukken dat er niets mis is met collectief beleefde wij-identiteiten en wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen. Maatschappelijk, door ruimten en mogelijkheden tot intermenselijke ontmoeting, verbondenheid en betrokkenheid, maar ook tot conflict en onenigheid - want ook dat zijn fundamentele dimensies van het samen-zijn - te vergroten. In de openbare ruimte, het verenigingsleven, de bedrijven, de vrijetijdssfeer, familieverbanden. "Wie heeft mij nodig" is, aldus Richard Sennett, "een vraag die in het moderne kapitalisme buiten de orde lijkt. Het systeem straalt onverschilligheid uit... door het veroorzaken van afwezigheid van vertrouwen, waar er geen reden is waarom iemand nodig zou zijn." En dat verzwakt het gevoel dat men er als persoon toe doet, dat men nodig kan zijn voor de anderen. Men voelt zich nomade in niemandsland. En vindt dat geen prettige ervaring. Niet iedereen is immers een Lucky Luke, en die heeft overigens nog altijd zijn paard Jolly Jumper als gezelschap.

Koen Raes is ethicus en docent aan de Universiteit Gent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234