Maandag 21/10/2019

DM.focus

Ondraaglijk geweld in beeld: wat doet dat met jou?

Een scène uit de Holocaust-film Son of Saul Beeld © Ad Vitam

Terwijl journalisten worstelen met de gruwel van IS, gaan cineasten voluit voor wrede scènes. De Hongaarse film Son of Saul, die de Grand Prix won op het jongste festival van Cannes, toont de Holocaust in zijn ultieme wreedheid. Onbevattelijk geweld, het doet wat met een kijker. En toch: "De confrontatie met het ondraaglijke is nuttiger dan onverschilligheid bij een beeld dat niets meer oproept."

Joodse kinderen, vrouwen en mannen worden met perverse leugens en brutaal geweld de gaskamer ingestouwd. Terwijl het vergif zijn werk al doet, gaan hun laatste krachten op aan krijsen en bonken op stalen sluisdeuren. Een korte doodsstrijd is de slachtoffers niet gegund. De Hongaarse Auschwitz-film Son of Saul, met een dramatische Géza Röhrig in de hoofdrol, brengt een jongen in beeld die zichzelf kapot hoest terwijl het opruimen van de 'stukken', zoals joodse lijken met een nazi-eufemisme benoemd worden, al begonnen is.

Een dokter, een door de kampleiding opge-eiste jood die net als Saul van het Sonderkommando deel uitmaakt, termineert het kind eigenhandig, na een summier onderzoek met de stethoscoop. De hele prent lang zitten geweld, gruwel, kreten en gefluister de bioscoopganger op de huid.

De vraag hoe gepast geweld in fictie is, en welk effect het op de kijker sorteert, houdt mediaspecialisten, psychologen en sociologen al decennia in de ban. Van Pulp Fiction over Scream tot Natural Born Killers en The Passion of the Christ, elke gewelddadige film is goed voor nieuwe controverse onder wetenschappers.

"Toch gelooft niet één onderzoeker nog in een pavloviaans effect, waarbij het tonen van geweld de ontvanger van de beelden prompt zelf gewelddadig zou maken", zegt communicatie-expert Benoît Grevisse van het Observatoire de Recherche sur les Médias (Université Catholique de Louvain). "De verpletterende meerderheid van de kijkers wijzigt haar gedrag in geen geval. Nochtans, het wil ook weer niet zeggen dat er volstrekt géén verband zou zijn. Alleen is dat niet eenduidig. Een hele rist factoren bepaalt of iemand onder invloed van dit of dat tafereel zelf ook naar wreedheid grijpt. Zo speelt de familiale context een rol, de sociale omgeving ook, de psychische staat van de persoon en noem maar op. De scènes zijn voor iedereen dezelfde, de perceptie en de inwerking ervan hangen af van mens tot mens."

Overigens blijkt uit onderzoek dat, hoewel het geweld in films en games aantoonbaar toegenomen is, de media-aandacht voor de psychosociale gevolgen ervan al bij al verminderd is. Desondanks blijft het brede publiek ervan overtuigd dat het zien van gewelddadige beelden in één ruk door ook violent gedrag uitlokt.

Voor alle duidelijkheid: het geweld dat Son of Saul te zien geeft, is historisch, industrieel en in dat opzicht bijna onnavolgbaar voor mannen met plannen. De kwestie die hier aan de orde is, gaat dan ook over een tweede aspect: het levend houden van een herinnering, het morele verlangen dat de gruwel zich niet herhaalt en de vraag of het expliciteren ervan bijdraagt tot waakzaamheid. In de Griekse tragedie luisterde het recept naar de naam catharsis.

Grevisse maakt alvast een kanttekening: "De Shoah (Holocaust, LD) is zo sterk gedocumenteerd dat, zeker bij de manier waarop jongeren die zich voorstellen, er sleet optreedt. Een scène in een film over de kampen dreigt op die manier hooguit nog als een plaatje in een geschiedenisboek over te komen. Is Son of Saul anders, waardoor de wreedheid alsnog op het geweten inslaat? Ik heb de film nog niet gezien en wil niet op de zaken vooruitlopen, maar ik ga zeker kijken."

Pornograaf van geweld

Tastbare horreur uit de Tweede Wereldoorlog vinden we overigens niet alleen in de audiovisuele media terug. De deining die het in Cannes met de Grand Prix bedachte debuut onder recensenten wekt (zie kader), doet denken aan de reacties die De welwillenden(Les Bienveillantes, 2006) te beurt vielen, een literair meesterwerk dat de Franse Amerikaan Jonathan Littell enerzijds de prestigieuze Prix Goncourt opleverde, anderzijds het smadelijke etiket 'pornograaf van het geweld'.

Niet alleen beschrijft Littell met chirurgische precisie het oorlogstheater, ook het management van de Endlösung onthult hij virtuoos. Dat doet de auteur aan de hand van een verhaal dat de Holocaust haast op geesteszieke wijze behandelt. Zonder er erg in te hebben kruipt de lezer in de huid van, en identificeert hij zich met, de fictieve protagonist Max Aue, een beschaafde heer die zichzelf als beul ontpopt. Critici, vooral in Duitsland, wreven Littell aan dat hij het principe van de catharsis zélf onderuit had gehaald en enkel nog abjecte leegte in de lezer achterliet.

Anders gezegd: waren De welwillenden nog wel literatuur? Was het niet onzedig om Aue, die en passant ook met Adolf Eichmann samenwerkte, 900 pagina's lang zichzelf te laten goedpraten? Zo alomtegenwoordig is Aues wreedheid dat ze, in de woorden van filosofe Hannah Arendt, "banaal" wordt: de dader denkt niet langer na, stelt geen vragen meer, scheidt goed en kwaad niet meer van elkaar en volstaat met een alles vergoelijkende gehoorzaamheid.

Terwijl Aue het boze schaamteloos belichaamt, zegt Saul het de wacht aan: de hele film lang, met de moed der radeloosheid, gaat hij naar een rabbijn op zoek die zijn dode zoontje volgens de joodse ritus kan begraven. Intussen maakt hij zich onvrijwillig medeplichtig aan massamoord en genocide.

De gruwel van 9/11 werd vrij clean in beeld gebracht Beeld © reuters
Irréversible uit 2002 bevat een reeks choquerende scènes Beeld © rv

Moordscènes

Moeten we geweld laten zien als we een morele boodschap willen meegeven? Mogen we het laten zien als het copycats op ideeën dreigt te brengen? Het is een dilemma dat niet enkel de fictie, maar veel meer nog media en journalisten bezighoudt.

Grevisse: "Het internationale deontologische kader, dat onder meer toegepast wordt door de Raad voor Journalistiek, verbiedt publicatie van onterende of gewelddadige beelden, tenzij zoiets in het hogere belang van het publiek zou zijn. We stellen vast dat Belgische journalisten die regelgeving de jongste jaren steeds vaker respecteren, zowel bij de openbare als privéomroepen."

De voorbeelden zijn legio, en brandend actueel. We hebben dan wel de indruk dat geweld all over the place is, daar in medialand, in werkelijkheid krijgen we buitenproportioneel weinig te zien van wat IS, de Islamitische Staat, allemaal aanricht.

Kranten, tv-zenders en nieuwssites brengen in de eerste plaats vluchtelingenstromen, de schokkende foto van de verdronken Aylan op het strand ook, maar niets - alles welbeschouwd - dat buiten het grote verhaal van elke oorlog valt. Wat ons bespaard bleef, waren onder meer de onthoofdingen en kruisigingen waar de jezidische christenen in Irak het slachtoffer van werden. De terechtstelling van een Jordaanse piloot, die als een levende toorts in een kooi zat, haalde ons scherm al evenmin. Ook de aanslag in Ankara, een week geleden, bleef tot relatief aseptische verslaggeving beperkt.

Verder in de tijd terug, in 2004, zagen we ook niet hoe de joods-Amerikaanse zakenman Nick Berg door zijn radicaal islamitische ontvoerders onthoofd werd, terwijl die beelden heus wel voorhanden waren. Toen op 11 september 2001 de Twin Towers naar beneden kwamen, keken we toe op een ontredderende maar op zich niet bloederige instorting bij heldere hemel. De overschotten van de slachtoffers die uit het raam gesprongen waren, en de anatomische hoedanigheid waarin ze op de grond lagen, zijn nooit getoond. Nochtans, ook dat beeldmateriaal bestaat, al was het maar om forensische redenen, een beetje zoals ook verkeersongelukken of moordscènes op de gevoelige plaat worden vastgelegd.

Beeld © rv
Beeld © reuters

Sensatiebelust

Wat belet journalisten om de terreur onverbloemd op straat te gooien? De motivaties zijn talrijk. Zo willen we slachtoffers niet ontmenselijken - slachtoffers en hun nabestaanden zijn om begrijpelijke redenen de eersten die klacht indienen als het wel gebeurt. Mediaprofessionals hoeden zich er ook voor om voor voyeurs door te gaan of het stempel 'sensatiebelust' opgeplakt te krijgen. Zeker in het geval van IS willen kranten en tv-zenders bovendien vermijden dat ze de jihadisten in de kaart spelen door als doorgeefluik, zeg maar onbedoelde rekruteurs, dienst te doen.

Alleen, zo waarschuwt Grevisse, is aan dat beleid ook een risico verbonden: "We constateren een groeiende kloof tussen de journalisten en het brede publiek. De paradox is dat hoe voorzichtiger de journalisten omgaan met geweld, hoe ethischer ze zich dus opstellen, hoe meer sommige lezers of kijkers zich net door datgene aangetrokken voelen wat niet getoond wordt. Het volstaat dat een zender meldt dat hij dit of dat beeld niet zal uitzenden, om uitgerekend datzelfde beeld even later op het internet te zien verschijnen. Daar is het niet langer controleerbaar en wordt het bruikbaar voor propagandadoelen."

Een bijkomend probleem is dat het achterwege houden van bepaalde content als de bliksem tot complottheorieën leidt. Bij de aanslag op Charlie Hebdo, in januari dit jaar, stierf ook politieagent Ahmed Merabet. De terroristen, het broederstel Kouachi, schoten hem op straat neer. Op het beeld van zijn lijk, dat vanop een afstand genomen werd, was geen bloed te zien. Prompt heette het dat het om een enscenering ging, dat de aanslag opgezet spel was, bedoeld om de islam in een kwaad daglicht te stellen.

De onthoofding van journalist James Foley, vorig jaar, eveneens op last van IS, lieten de gevestigde media evenmin zien. Toen er op het web toch beelden van de gruweldaad opdoken, waren de boze tongen talloos: de moord was fake, eens te meer bedoeld om de islam te discrediteren.

Vaccin tegen geweld

De vaststelling klinkt haast als een uitnodiging om de werkelijkheid toch maar open en bloot te tonen zoals ze is: rauw, ruw, rood, goor, stinkend, onzindelijk en weerzinwekkend - gewaarwordingen waar we als mens niet langer mee vooruit kunnen en waar we ons als samenleving van hopen te bevrijden.

Dat streven wordt misschien nog het best verwoord door de aan de nazi's ontsnapte, joods-Duitse filosoof Norbert Elias. In zijn standaardwerk Über den Prozess der Zivilisation verkende Elias niet alleen de oorsprong van de beschaafde individuele gedragsvormen in Europa, maar ook de daarmee verbonden ontwikkeling van de westerse samenlevingen.

Ondanks fases van onvoorstelbare regressie - hij beëindigde zijn boek in 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust - zag Elias een opwaartse lijn van de middeleeuwen tot vandaag. "Stukje bij beetje", schrijft hij, "ruilden we onze gewelddadige spontaniteit in voor matige en stabiele gedragingen." In verlichte staten en samenlevingen leidde dat proces bijvoorbeeld tot de afschaffing van de publieke executie, daarna tot een klinische aanpak van de terechtstelling, ten slotte tot de afschaffing van de doodstraf.

Meer dan de liberale, Angelsaksische landen houdt het debat Frankrijk in de ban, de wieg van de guillotine. In het tijdschrift La Vie des idées stelde politicoloog Emmanuel Taïeb deze zomer dat een soortgelijke evolutie onze houding tegenover geweld in de media heeft bepaald. Het feit dat we het geweld niet langer in kranten en op tv dulden, zegt iets over onze samenleving. Door de wreedheid naar de fictieve wereld van cinema, literatuur en games te verbannen, en daar zichzelf te laten zijn, proberen we niets anders dan de realiteit mooier, beter en leefbaarder te maken. Of hoe Son of Saul, als puntje bij paaltje komt, misschien wel een vaccin is.

"Met het risico", zegt Grevisse, "dat op die manier reëel wordt dat geweld uiteindelijk voor iets strikt fictiefs doorgaat, en dat moet vooral niet de bedoeling zijn."

Ook de perceptie dat de klassieke pers een elitair, politiek correct clubje zou zijn dat de massa een rad voor de ogen draait, wint veld, aldus de UCL-academicus. "Journalisten wordt steeds vaker verweten dat ze zich in een geprivilegieerde niche van weldenkende intellectuelen ophouden. Dat zij beslissen wat goed is voor de nieuwsconsument en wat niet. Dat geldt zeker ook voor de omgang met geweld."

"Een derde probleem is dat de pers enerzijds deel uitmaakt van het bedrijfswezen, maar anderzijds gehouden is aan ethische regels die, strikt economisch bekeken, haar rentabiliteit kunnen aantasten." De verleiding om toch maar overstag te gaan, lonkt dus om de hoek.

Mediawijze consument

Taïeb pleit intussen voor een drievoudige aanpak. Ten eerste is hij, voor wat zijn eigen land betreft, voorstander van een door de hele audiovisuele pers onderschreven charter over het gebruik van gewelddadige actuabeelden. Alle deontologische regels ten spijt blijft het vandaag een warwinkel, constateert hij, waarbij elk medium voor zichzelf bepaalt wat kan en wat niet.

Ten tweede moeten journalisten nog duidelijker aangeven dat gewelddadige beelden wel degelijk bestaan, veeleer dan te suggereren dat ze er niet zijn. Dat laatste ondergraaft hun geloofwaardigheid zodra het materiaal via alternatieve kanalen in omloop raakt.

Ten derde, zegt Taïeb, is het aan de zenders, kranten en nieuwssites zelf om hun consumenten mediawijs te maken. "Media moeten hun eigen pedagogie ontwikkelen met betrekking tot het gebruik van gewelddadige beelden. Dat kunnen ze zowel in hun product als op school. Op het moment dat ze een beeld helemaal of gedeeltelijk publiceren, moeten ze uitleggen hoe het tot stand gekomen is, hoe het verspreid werd, wat de inhoud ervan is en waar de redactie voor kiest."

Volgens Taïeb is het verkieslijk lezers en kijkers duidelijk te vertellen wat ze zien, veeleer dan hun een bepaalde foto of passage te onthouden. "Want een confrontatie met het ondraaglijke is nog altijd beter dan onverschilligheid tegenover een beeld dat geen enkele reactie meer oproept."

In Son of Saul, een verbluffend werkstuk, hoeft de kijker zich over dat laatste alleszins geen zorgen te maken.

Son of Saul wordt vanavond op het Film Fest Gent vertoond, in aanwezigheid van regisseur László Nemes en hoofdrolspeler Géza Röhrig. De voorstelling is uitverkocht. Ook op 22 en 23 oktober staat de film geprogrammeerd.

Beeld © AFP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234