Maandag 03/08/2020

Onderzoekscrisis dwingt Franse universiteiten tot bezinning

'Aan de Franse universiteiten werd uitmuntendheid lange tijd met elitarisme verward. Na '68 mocht je vooral niet ernstig zijn en zeker niet de beste of de origineelste. Gelukkig verandert de zaak''In Frankrijk zijn de vorsers aan strikte barema's gebonden. Die maken het hun onmogelijk over hun salaris te onderhandelen. Velen vertrekken daarom of gaan in de priv�-sector aan de slag''Veel buitenlanders denken nog steeds dat de Sorbonne een grote universiteit is, terwijl het hooguit een historisch gebouw is dat door een rist universiteiten gedeeld wordt. Een kat vindt haar jongen niet terug in zo'n bestel'

Zelfs aan de Sorbonne is mei '68 voorbij

In de top-500 van beste universiteiten ter wereld komt de eerste Franse universiteit op de 41ste plaats. Naar de redenen daarvoor moeten de Franse wetenschappers niet lang zoeken: een hopeloos ingewikkeld, volstrekt onleesbaar systeem. 'Of we het nu leuk vinden of niet, we zullen een betere beurt moeten gaan maken.'Lode Delputte

foto's yann bertrand

Hij heeft zijn plekje wel gekozen, Olivier Houdé. "Ik wou gewoon aan de Sorbonne zitten", zweert de jonge veertiger. Vanaf zijn bureau op de vierde verdieping van het 19de-eeuwse gebouw aan de rue Saint Jacques, in volle Quartier Latin, kijkt hij uit over de daken van Parijs en de torens van de Notre Dame. "Niet slecht, hé?"

In Houdés kantoor, zeg maar de zetel van zijn laboratorium voor cognitieve functie en ontwikkeling, hangen de klassieke affiches die studenten en collega's-professoren op nakende colloquia of nieuwe publicaties wijzen. Er liggen stapels boeken, waaronder zijn eigen La psychologie de l'enfant uit de onvolprezen Que Sais-Je-reeks. Of dat andere werk van hem, Cerveau et psychologie, een kanjer van 600 pagina's die de Belgische vorser samen met de dokters Mazoyer en Tzourio pleegde. "Ik bof. Ik heb alles kunnen doen waar ik zin in had."

De Sorbonne, het rommelige paleis waar al ruim honderd jaar lang hoogwaardig geestesvoedsel wordt bedeeld, heeft in niets nog te maken met de krocht die kanunnik Robert de Sorbon destijds tot zijn beschikking kreeg. Destijds, dat was in 1253, toen Sorbon, de biechtvader van Lodewijk IX de Heilige, zestien arme studenten opving aan wie lessen theologie werden verschaft. In de loop van de eeuwen wist de Sorbonne zich te ontpoppen tot een van de meest prestigieuze universitaire instellingen in Europa. In het college ligt onder meer kardinaal Richelieu begraven, er hangen schilderijen van Philippe de Champaigne en het grote amfitheater is met fresco's van de bekende 19de-eeuwse schilder Puvis de Chavannes georneerd. Op het statige binnenplein staan de beelden van Pasteur en Victor Hugo. De verf die beide heren in mei '68 over zich kregen, is sinds jaren weer verwijderd. De studenten die dezer dagen over de patio lopen, en wier identiteit aan de ingang strikt gecontroleerd wordt, zouden in de sixties voor saaie harken door zijn gegaan.

"De psychologie van het kind en de verschillende etappes van de intellectuele ontwikkeling hebben me altijd al gefascineerd", licht Houdé toe. "Aan de Brusselse Sint-Thomas-normaalschool ben ik eerst onderwijzer geworden. Daarna ben ik psychopedagogie gaan studeren in Mons. Vanaf mijn derde jaar ben ik in het Franse systeem aanbeland. Het zou normaal geweest zijn als ik ergens in Noord-Frankrijk terecht was gekomen. Maar ik heb snel carrière kunnen maken en kwam hier te zitten."

Een positie die de bevlogen vorser naar eigen zeggen onder meer te danken heeft aan het "excellente, excellente" universitaire onderwijs in België. "Toen ik in Frankrijk arriveerde, had ik twee jaar voorsprong op mijn Franse collega's. Ook nu ik naar aanleiding van de Bologna-hervorming lid was van de commissie voor puntentransfer van mijn universiteit is me opgevallen hoe goed de Belgen het doen."

Houdés universiteit is trouwens niet zomaar de Sorbonne, wel dat gedeelte ervan dat aan de Université Paris 5 René Descartes toebehoort, een van de vele universiteiten waarin de vroegere 'école' na mei '68 - démocratisation et décentralisation obligent - werd opgesplitst.

Olivier Houdé en zijn Groupe d'Imagerie Neurofonctionnelle behoren tot de paradepaardjes van Paris 5. De vorser, groot bewonderaar van de Zwitserse psycholoog Jean Piaget, spreekt honderduit over mentale chronometrie, magnetische resonantie en de tomografie van positron-emissies. Voor leken is hij hiermee bezig: met het in beelden vertalen van hersenprocessen.

"Wat er precies in uw hersenpan gebeurt als u bijvoorbeeld een berekeningsfout maakt", licht hij toe, terwijl hij de hersenlobben op zijn computerscherm laat dansen. In zijn laboratorium krijgen testpersonen een onschadelijke nucleaire substantie toebedeeld. Zo wordt in hun hoofd de regionale bloedconcentratie zichtbaar. Welke neuronen hoeveel glucose opslurpen en welk neuronennetwerk bij welke denkoefening precies geactiveerd wordt.

"Die processen zijn extreem complex. Eén deskundige kan nooit de deskundigheid bijeen krijgen die nodig is om het hele procédé te controleren." Vandaar dat Houdé voor zijn laboratorium een beroep doet op nucleaire dokters, mathematici, informatici, psychiaters, fysici, psychologen en noem maar op. Een pluridisciplinair programma dat hem stukken van mensen heeft gekost.

"Ik heb me er problemen met sommige collega's mee op de hals gehaald, ik ben voor carrièrist en arrivist versleten, ik heb een hele bureaucratische hiërarchie links moeten laten liggen om rechtstreeks met visionaire oversten te praten, anders was het laboratorium er niet gekomen. Anders had Nature ons nooit gepubliceerd, hadden we nooit zoveel buitenlandse vorsers aangetrokken en hadden we nooit deze graad van excellentie bereikt."

Het hoge woord is eruit: excellentie, iets waar ze in Frankrijk nog steeds bang voor zijn, aldus Houdé. "Ik stem voor links. Maar dat neemt niet weg dat er aan de Franse universiteiten lange tijd een negatieve post-'68-sfeer is blijven hangen, waarin uitmuntendheid met elitarisme verward werd. Na '68 mocht je vooral niet ernstig zijn en zeker niet de beste of de origineelste. Gelukkig verandert de zaak."

Houdés laboratorium bezoeken moet maar op een andere keer. Het ligt dan ook niet in Parijs, maar in Caen, in de regio Basse-Normandie, waar het makkelijker was om regionale en Europese fondsen los te weken. Naar het lab van professor in de experimentele psychologie Kevin O'Regan, in een modern gebouw in de Parijse voorstad Boulogne, is het echter hoop en al 40 minuten met de metro.

Ook O'Regan is aan Paris 5 verbonden, ook O'Regan is pleitbezorger van excellentie en selectie ("het gebrek daaraan is een uiterst ernstig probleem") en ook O'Regan is buitenlander, Amerikaan nog wel. Maar aan zijn Frans blijkt dat allerminst te horen. "Ik heb eigenlijk altijd al in Europa gewoond. Mijn doctoraat heb ik aan de universiteit van Cambridge behaald."

De minzame, grijzende O'Regan windt er geen doekjes om: "Levenscomfort, de mensen, een specifieke en erg interessante cultuur, de savoir-vivre. Daarom ben ik hier. Daarom keren Franse wetenschappers uit de VS terug. Daarom was een collega van me bereid om hier in Frankrijk te blijven, terwijl zijn salaris in het buitenland twee tot drie keer hoger geweest zou zijn. Het is zonneklaar: vanuit puur wetenschappelijk oogpunt ben je in de VS veel beter af, zelfs als we op de keper beschouwd niet hoeven onder te doen voor de VS."

O'Regan geeft een rondleiding: grosso modo bestaat zijn laboratorium uit een reeks donkere kamertjes waarin proeven worden gedaan met complexe apparatuur, onder meer omtrent oogbewegingen. Experimentele psychologie, legt O'Regan uit, heeft niets met geestesgezondheid te maken. Zijn vakdomein leunt bij de robotica aan en bij de artificiële intelligentie. "Wij kijken hoe een hoop neuronen in ons hoofd ja of neen kunnen zeggen, kunnen rekenen, kunnen redeneren", vat hij vulgariserend samen.

"Het drama van Frankrijk", herhaalt de braingainer, "is die gebrekkige concurrentie in de lonen. In dit land zijn de vorsers, die van het CNRS bijvoorbeeld (Centre National de Recherche Scientifique, een overheidsmastodont waar 26.000 onderzoekers in de meest uiteenlopende vakgebieden aan het werk zijn, LD), aan strikte barema's gebonden. Die maken het hun onmogelijk over hun salaris te onderhandelen. Velen vertrekken daarom of gaan in de privé-sector aan de slag. Maar dan nog, in fundamenteel onderzoek als dit, de experimentele psychologie, is de industrie niet geïnteresseerd."

Buiten, op een boogscheut van de Porte de Saint-Cloud en het Parc des Princes, raast het verkeer. In het laboratorium is het ochtendpauze en wordt er koffie gedronken bij het koffieapparaat. Het ontlokt O'Regan de bedenking dat de financiering in de VS danig eenvoudiger is.

"Een koffiezet kopen, of een elektronisch onderdeel, noem maar op. Hier wordt alles gebureaucratiseerd. En hoe. Centen krijgen voor een project is in Frankrijk een hels karwei. Het Franse systeem is te ingewikkeld, het is ondoorzichtig, onrechtvaardig en onderhevig aan kabinetswissels. Geef mij dan maar het Europese beleidsniveau."

O'Regan herhaalt het graag, er verschijnt zelfs optimisme op zijn gezicht: het enorme vertrouwen dat hij in Europa stelt, zijn hoop dat de Unie, waar hij via twee contracten bij betrokken is, het veel beter kan doen dan Frankrijk. "Europa is onze toekomst", orakelt hij. "Ik heb echt de indruk dat er op Europees niveau ernstige inspanningen worden geleverd."

Frankrijk maakt, in de ogen van zijn wetenschappers, maar een belabberde beurt. Toen de laboratoria vorig jaar niet tijdig hun centen kregen van de staat ontaardde de ingehouden woede in protest. Onder de slogan 'Sauvons la recherche' werd het debat opengegooid. Jarenlang opgekropte frustraties braken zich een weg naar buiten, naar pers en opinie, naar de politiek ook. Dat het een schande was, dat het ongehoord was, dat de Franse staat bijvoorbeeld meer geld uitgeeft per leerling middelbaar onderwijs dan per universitair. Er werd geklaagd en gestookt, gestaakt en betoogd. Een enkele commentator opperde zowaar dat mei '68 wel terug leek van nooit weggeweest. Maar dat was fout: de vorsers bleven keurig en beschaafd. Heel beschaafd, al te beschaafd zelfs, verliep ook het debat dat zich even later aandiende: de magere score die Frankrijk op de Shangai-hitlijst van 500 beste universiteiten ter wereld achter zijn naam kreeg.

"Ik was toen actief binnen de Conférence des Présidents d'Université en was verbaasd over de weinige reacties die de ranglijst bij ons opriep", zegt voormalig president ('rector') en economist Pierre Daumard. "Ik ben een van de weinigen die er echt op gehamerd heeft."

De ex-rector ontvangt zijn gasten in het naar boenwas ruikende Louis XVI-salon van het hoofdgebouw van Paris 5 René Descartes. De universiteit heeft haar naam niet gestolen. Het pas gerestaureerde achttiende-eeuwse Collège de Chirurgie, aan de rue de l'Ecole de Médecine, ademt voluit cartesiaanse redelijkheid. Een mens zou er zo Descartes' Discours de la méthode gaan opdiepen, "pour bien conduire sa raison et chercher la vérité dans les sciences".

Dat Frankrijk aan dat laatste nog steeds ruimschoots toekomt, staat voor Daumard vast. Maar Shangai was een welverdiend waarschuwingssalvo. "Ik hoorde zeggen dat Frankrijk onheus behandeld was en zo, maar dat is onzin. De lijst is vrij objectief en er is grote consensus over de toptien. Als we slecht scoren, dan moeten we kijken naar de redenen en de handen uit de mouwen steken."

Aan praatjes over de geldigheid van de Shangai-lijst heeft de rector een broertje dood. "Toen de eerste rode Michelin destijds in de winkels lag, nam niet één restaurateur de zaak ernstig. Tot ze snapten dat hun klanten zich wél op de Michelin baseerden. Intussen wil iedereen er gewoon in. Met Shangai is het evengoed zo. Of we dat nu leuk vinden of niet, die ranglijst zal door studenten en navorsers gelezen worden. Dus je kunt er maar beter een goede beurt maken."

Waarom Frankrijk het dan zo slecht gedaan heeft? Pierre Daumard lacht, alsof de vraag al te zeer voor de hand ligt. "Eén probleem is dat de humane wetenschappen niet in rekening genomen werden, een terrein waarop Frankrijk erg goed scoort. Het tweede pijnpunt is de onleesbaarheid van ons universiteits- en onderzoekssysteem. Veel buitenlanders denken nog steeds dat onze Sorbonne een grote universiteit is, terwijl het hooguit een historisch gebouw is dat door een rist universiteiten gedeeld wordt. En dan is er de complexe structuur met Grands Organismes (zoals het CNRS, LD), Grandes Ecoles (toponderwijsinstellingen waar alleen de allerbeste studenten toegelaten worden en die veel meer prestige genieten dan de universiteiten, LD) en universiteiten (waar de drempel erg laag ligt en niet zelden de term 'université-poubelle' of 'universiteit-vuilnisbak' gebruikt wordt, LD) Een kat vindt haar jongen niet terug in zo'n bestel."

Een van de door Shangai gehanteerde criteria is dat van het aantal publicaties. In Frankrijk levert alleen dat aspect al verwarring en problemen op. Want bijna elke onderzoeker blijkt aan verschillende instellingen verbonden. Het visitekaartje van Olivier Houdé spreekt in dat opzicht boekdelen: CNRS, Commissariat à l'Energie Atomique, Université de Caen, Institut Universitaire de France, Université Paris 5 René Descartes. Signeert professor Houdé zijn artikels systematisch met alle vermeldingen, dan blijkt zeker in de medische richtingen lang niet iedereen dat te doen. Op die manier ontstaat er chaos. Daumard: "Dankzij Shangai is het duidelijk geworden dat we dringend een ondertekeningsnorm nodig hebben. Alleen zo vermijden we dat een auteur bij de tellingen door de mazen van het net glipt."

Maar de ex-rector is niet te beroerd om er nog een schep bovenop te doen. Wellicht wordt er aan andere universiteiten hoe dan ook stukken méér gepubliceerd. "In de Angelsaksische landen", haalt hij de schouders op, "is het een kwestie van publish or perish, publiceer of verdwijn. Niet publiceren is je baan op het spel zetten." In Frankrijk gebeurt dat niet: het onderzoek is verregaand verambtelijkt.

Maar er is nog een heikele kwestie. De tijdsbesteding van de wetenschapsprofessionals. Neem de richting psychologie: duizenden studenten voor een vorming waar, cru gesteld, nauwelijks maatschappelijke vraag naar is. Het viel in debatteksten te lezen, in vele wandelgangen te horen: "Door de grote toevloed van studenten die na twee, drie jaar afhaken, mensen die in de eerste plaats in een studentenkaart geïnteresseerd zijn omdat je zo goedkoper naar de cinema kunt, mensen ook aan wie je helaas massaal veel lesuren moet besteden en die de overheid veel geld kosten, blijft er geen tijd meer over voor efficiënt onderzoek."

Pierre Daumards opvolger, rector Jean-François Dhainaut, kent het probleem maar al te goed: "Niet alleen de wetenschappers lijden eronder, de studenten zelf ook. Waar is het in godsnaam goed voor 6.000 psychologen op te leiden als je weet dat er amper banen zijn voor 200 onder hen?"

Dhainaut is een drijvende kracht achter de stille revolutie die zich sinds 'Sauvons la recherche' aan het doorzetten is. "Dit land", zegt ook hij in een salon waar de geest van Voltaire hangt, "is langzamer aan de hervormingen begonnen dan de andere landen. Maar geloof me vrij: we komen eruit. De Franse universiteiten hebben toekomst. Ze werken hard aan hun imago. De bewustwording bij het publiek groeit gestaag."

Een van de hete hangijzers die Dhainaut identificeerde, is de lauwe samenwerking tussen onderzoekers. "Dat is niet eens de schuld van die wetenschappers. Ze kunnen elkaar gewoon niet kennen omdat ze zo verspreid zijn. Alleen in de regio Ile-de-France bevinden zich zeventien universiteiten, met inbegrip van elf medische faculteiten."

Alles samen produceren die aardig wat, maar ieder in zijn eigen veilige hoekje. Eigenlijk, vindt Dhainaut, zou er veel meer gefuseerd moeten worden. "Wij op Paris 5 zijn bijvoorbeeld al een heel stuk tot Paris 7 genaderd. Alleen als we ons beter organiseren, naar de synergieën en convergenties op zoek gaan, kunnen we aan aantrekkingskracht winnen. Alleen zo kunnen we onderzoekers uit de VS terughalen. Ik zet daarom heel hoog in op pluridisciplinariteit."

Een voorbeeld voor de lezers misschien? "De overconsumptie van medicijnen. Dat gigantische probleem kun je als dokter alleen niet aanpakken. Het gaat om een maatschappelijke plaag. Dus moet je er ook psychologen, sociologen, apothekers en andere betrokkenen bij halen."

Dhainaut, in zijn vrije tijd pianist en lid van een groep binnen- en buitenlandse musicerende vorsers in Parijs, nipt voorzichtig aan zijn koffie en somt de geplande of al gerealiseerde moderniseringen op aan Paris 5: een draagbare computer voor elke student, soepele lesuren om pakweg topsporters een medische opleiding te geven, de oprichting van een Europa-cel om doeltreffender te zijn in de aanvraag van EU-kredieten. "Want vind je het niet gortig dat Frankrijk en Duitsland bijna evenveel vorsers tellen, terwijl de Duitsers toch dubbel zoveel Europees geld in de wacht slepen als wij?"

Dhainaut wou het anders. Voor hij rector werd, was hij decaan van de faculteit geneeskunde. "Hij haalde de mosterd bij wat hij aan het MIT in Boston heeft gezien", lacht Stéphanie Lefebvre, adjunct-directeur van Paris Biotech. "Op zijn initiatief is de 'incubateur Santé' van Parijs geboren."

De jonge ziekenhuiswetenschapster laat de fonkelnieuwe infrastructuur zien in het Cochin-ziekenhuis, op loopafstand van de Jardin du Luxembourg. Drie jaar na de oprichting van dit 'moederhuis' voor hoog gespecialiseerde, investeringsintensieve start-ups in de gezondheidstechnologie, spin-offs zeg maar, is er sprake van een heus succes: "We zijn geboren uit een verregaande samenwerking tussen Paris 5, het Cochin-ziekenhuis, het Inserm-onderzoeksinstituut, de Ecole Centrale de Paris, waar ingenieurs opgeleid worden, en het Essec, een handelsschool. Onze opzet? Vorsers met een briljant project vooruithelpen om hun ding op de markt te brengen en zo het verband leggen tussen onderzoek en economie."

In drie jaar tijd heeft Paris Biotech 21 projecten begeleid, een financiering van 40 miljoen euro voor elkaar gekregen en 60 banen geschapen. Het ministerie van Onderzoek, de stad Parijs, de regio Ile-de-France: allemaal steunen ze Paris Biotech, want allemaal zijn ze zich bewust van de internationale aantrekkingskracht die de bio- en gezondheidstechnologie uitoefent. "Ook op dit vlak hadden de Fransen een achterstand in te lopen", zegt Lefebvre. "Wist je dat er pas in 1999 een eind gekomen is aan het verbod voor vorsers om een bedrijf op te richten?"

Frankrijk is dus aan een inhaalbeweging bezig. En probeert aantrekkelijk te worden voor vorsers die heus wel voor wat anders komen dan gastronomie, opera, concerten, musea en stadsleven à la parisienne.

"Ik ben voor het onderzoek gekomen", bevestigt de 29-jarige Edmundo Plasencia, gezeten op de rand van het bed naast zijn bureau. "Ik doctoreer aan Paris 6 in de hydrogeologie. Toen ik in Mexico studeerde, was Frankrijk daar de referentie. Goed, het gros van mijn collega's is natuurlijk naar de VS vertrokken, maar ik wou Parijs. Op mijn terrein, dat van de onderaardse waterlagen en de vervuiling ervan, is de Franse school absolute wereldtop. Kijk maar naar de wiskundige vergelijkingen, die dragen allemaal namen van Franse wetenschappers."

Plasencia krijgt een beurs van 1.000 euro per maand en een woonsubsidie van de Caisse d'Allocation Familiale. Logeren doet hij in een uiterst geprivilegieerd oord: het modernistische Mexico-huis op de fraai gerestaureerde Cité Internationale Universitaire de Paris. Deze groene universiteitsstad is na de Eerste Wereldoorlog ontstaan op initiatief van een groep idealistische, kosmopolitische, van democratische vredesgedachten doordrongen grootindustriëlen. De Rockefellers uit de Verenigde Staten, of de Belgisch-Nederlands-Canadese financier Biermans-Lapôtre.

"Ik krijg hier een puike begeleiding", knikt Plasencia. "Het papierwerk voor de verblijfsvergunning en studentenkaart was in een handomdraai geregeld. Prima dus. Ik ga elke dag naar het laboratorium, werk er in het Frans met mijn collega's-wetenschappers en kom 's avonds hierheen terug. Om te studeren."

Over het Franse leven kan Plasencia, die al een jaar in Frankrijk verblijft, helaas niet veel vertellen. "Ik weet ook niet zo goed wat ik moet doen om me hier te integreren. Het is ontzettend moeilijk om mensen te leren kennen in Parijs."

Véronique Gillet-Didier van het Bureau d'Accueil des Chercheurs Etrangers ('BACE') weet er alles van. Zelf studeerde ze een tijd in Cambridge, is ze doctor in de geschiedenis en promoveerde ze op de Dode Zee-rollen. Vandaag praat ze over de begeleiding van buitenlandse post-doccers op de Cité. Ze doet dat in het kader van het onder ex-eurocommissaris Busquin opgerichte ERA-MORE-netwerk, een groepering van mobiliteitscentra voor Wetenschappers in Europa.

"We hebben ons eerste werkjaar achter de rug en 500 mensen begeleid. Ze staan te dringen om op de Cité binnen te kunnen, maar we willen natuurlijk niet het slachtoffer worden van ons succes. Onze criteria liggen dan ook ontzettend hoog, hoger zelfs dan wat de Europese Commissie aanbeveelt."

Administratieve, financiële en menselijke coaching, ziedaar de pijlers van de ERA-MORE-gedachte. "We begeleiden de vorsers en hun familie voor ze arriveren, tijdens hun verblijf in Frankrijk en blijven ze ook daarna nog volgen", licht Gillet-Didier toe. "Huisvesting, verblijfsvergunning, de sociale zekerheid, de belastingen en noem maar op." Het Parijse mobiliteitscentrum zoekt ook banen voor de partners van de wetenschappers en zorgt ervoor dat hun kinderen aan een Franse school ingeschreven raken.

"Meestal loopt het vrij goed, niet iedereen heeft onze diensten nodig", stelt Gillet-Didier. "Maar soms rijzen er problemen, vorsers zijn ook maar mensen. Soms moeten we hun psychisch begeleiden omdat ze er niet in slagen vrienden te maken, de Franse taal maar niet onder de knie krijgen of overmand worden door heimwee naar huis. Dat gebeurt helaas, ja."

De universiteit waar Plasencia overdag aan de slag is, is Paris 6, aan de place Jussieu. Paris 6 is volgens Shangai de beste universiteit van Frankrijk, een positie die onze zuiderburen zelf meer dan terecht vinden. Vreemd, dan toch, dat uitgerekend deze unief, ook een Sorbonne-poot, er zo belabberd bij ligt. Eerder dit jaar beschreef The Economist in de beste Frans-kritische Economist-traditie de Franse universiteiten als sovjetgedrochten. Hier, op Paris 6, kun je het zeker op het architecturale vlak met die stelling eens zijn. De goedkope blokkendozen met toren ademen hoofdzakelijk viezigheid: geklad op de muren, vochtigheid en mosvorming op het beton binnenin, onbruikbare pedaal-wc's die aan vroegere wegrestaurants doen denken, her en der bouwwerven om het vele asbest uit het zootje te krijgen.

Krap behuisd in toren 14 zit de gereputeerde Franse geofysicus en voormalig minister van Onderzoek Claude Allègre. Zijn woord is in Frankrijk niet altijd wet - hij heeft een beetje een nukkige persoonlijkheid - maar hij geldt wel als een van de meest gezaghebbende stemmen in Academia. Allègre is ook de beleidsmaker wiens wet in 1999 het klassieke taboe op samenwerking tussen universiteit en privé-sector opbrak.

"Ach, die oeverloze discussie over de staat van het Franse onderzoek heeft ons nog geen stap vooruitgeholpen", zucht hij. "Goed, onze wetenschappers zijn te slecht betaald, de braindrain is daardoor een serieus probleem en er wordt schandelijk weinig gedaan om de excellentie te bevorderen. Ik ben voor een zo groot mogelijke toegankelijkheid en tegen meer inschrijvingsgeld, maar dat mag ons niet beletten (met nadruk) véél meer inspanningen te leveren voor de besten!"

Zoals ze tot nu toe gevoerd is, dreigt de polemiek echter andere problemen aan de aandacht te onttrekken, vreest Allègre. "Jullie Belgen zouden daar eigenlijk erg gevoelig voor moeten zijn, maar weet je wat ik nu eens écht een ramp vind?" De ex-minister, die de ecologische afkeer van bijvoorbeeld ggo's mee de schuld geeft voor de tanende interesse voor wetenschap, briest erbij. "Dat Philippe Busquin niet langer Europees commissaris voor onderzoek is. Hij heeft het onderzoek toch op de Europese kaart gezet? Alleen als we ons op EU-niveau organiseren, kunnen we ons onderzoek nog redden. Welnu, Busquin wordt opgevolgd door de een of andere Sloveense mijnheer wiens gewicht binnen de Commissie stukken lichter is dan dat van Busquin. Als signaal kan het wel tellen. Ik kan hooguit hopen dat ze Busquin straks aan het hoofd van het toekomstige Europese Onderzoeksagentschap zetten. Als je het mij vraagt, is zijn vertrek bij de Commissie een ca-ta-strofe! Ik zeg het u, een ca-ta-strofe!"

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234