Zaterdag 23/11/2019

Ondergrondse fuifzaal

Ze hebben me naar Turnhout gestuurd. Ik zal dus wel een slecht mens zijn. Op de drempel van de overnachtingsplaats die de autoriteiten me hadden toebedacht, besefte ik opeens dat ik hier louter was terechtgekomen omdat ik mislukt was, zondig, een nutteloos lid van de samenleving, en uit wanhoop over de vergeefsheid van mijn leven barstte ik in snikken uit.

Hier in de Kempen mopperen ze dat ze altijd al de sloppenwijk van België zijn geweest, de plaats waar de kanslozen aan het werk worden gezet. De dronkaards. De halve criminelen. Nauwelijks was de staat België opgericht of ze stuurden alle kunstenaars en andere avonturiers naar de Kempen om er sloten te graven. Krankzinnigen werden van heinde en verre naar Geel gedreven, bedelaars werden gearresteerd en op transport gesteld naar Wortel en Merksplas. Eigenlijk, zeg ik tegen mezelf, moet ik nog dankbaar zijn dat ik op deze trieste en regenachtige maandagmiddag naar de grote stad van Turnhout ben gebracht. Niets dan mildheid van de autoriteiten. Ergens in Brussel is iemand me welgezind, zoveel is zeker. Toch weet ik niet goed wat ik van mezelf moet denken, nu ik hier compleet doorweekt op de drempel van het Begijnhof sta. Een loodzware tas in mijn rechterhand en het briefje met het adres in mijn linker. Wat is er fout gegaan, dat ik niet gewoon ergens behaaglijk op een kantoor zit en rapporten schrijf? Als ik mezelf zo haveloos op straat zie staan, barst ik in huilen uit, de tranen vermengen zich met de regen.

Een paar maanden daarvoor was er een brief gekomen uit Brussel. 'Mijnheer', stond er. 'We hebben ons oog op u laten vallen. We verwachten u in Turnhout aan het begin van de zomer. Het adres is bijgevoegd, u weet wat u te doen staat, we rekenen op uw vrijwillige medewerking.' Hoewel er een zekere dreiging uitging van dit bericht, was er ook het vooruitzicht van de reis, de belofte me zelf te leren kennen; een onderneming waarvoor ik Turnhout zou gebruiken ongeveer zoals een pelgrim de hindernissen op zijn weg naar Santiago gebruikt om zichzelf te ontmoeten. Hoe genadelozer de katoenen beddenzak met stro hem 's nachts wakker houdt te Lourdes, hoe hardvochtiger zijn medereizigers hem in zijn rug trappen tijdens het stenigen van de duivel te Mekka, hoe dichter de bedevaartganger zijn doel nadert. Daarom nam ik de dreiging voor lief en ik liet me naar de kolonie sturen; vandaar dat ik nu hier ben, en hier goed ben. Het begin van De man die zijn haar kort liet knippen, de laconieke oneliner waarmee Johan Daisne een psychiatrisch patiënt zijn plaats in de inrichting wijst, zingt in mijn achterhoofd. 'Vandaar dat ik nu hier ben, en hier goed ben, zoals ieder wel zal zijn op de plaats waar hij eigenlijk hoort.'

Al meteen als ik op mijn kamer ben gearriveerd, binnengelaten door een vriendelijke bewaker, zie ik de problemen voor me op tafel liggen. Voor iedere schade die ik aanricht, staat in de huisregels te lezen, word ik aansprakelijk gehouden. Maak ik iets vies, dan dien ik het onverwijld op te ruimen. De huisbaas kan ieder moment van de dag of de nacht binnenvallen om te controleren of ik naar behoren gebruik maak van het licht en de verwarming. 'Enjoy your stay' staat er. Ik loop naar het raam om naar het uitzicht te kijken. Maar er is geen uitzicht.

lll

Turnhout, het moet gezegd, is geen luxeoord. Geen residentiële pleisterplaats voor de verwenden en de zenuwzwakken. De stad bestaat geheel en al uit ploeteren en streven. Er wordt gewerkt. De winkelmeisjes poetsen de toonbanken met bewonderenswaardige gretigheid en de obers bedienen je met ijver. De onderwijzeressen voeden hun leerlingen met verstand en kalme toewijding op. 'Niet schreeuwen op straat', zeggen ze. 'Niet treuzelen, doorlopen.' Vol overtuiging wordt hier in het centrum gebouwd aan schouwburgen en musea. Al dit meedogenloze zwoegen van generaties arbeiders en voorvechters van de emancipatie heeft gezorgd voor een haast dorpse vriendelijkheid die voelbaar in de straten van de provinciestad hangt. Maar met die vriendelijkheid van de hardwerkende klasse komt ook het gevoel miskend te zijn en achtergesteld. Een boek vol interviews, uitgegeven nu Turnhout is uitgeroepen tot Cultuurstad van Vlaanderen, zet in de inleiding meteen maar de stad in al haar gêne neer. Een van de eerste zinnen luidt: 'Turnhout - en de Kempen in het algemeen - kunnen zelden rekenen op erkenning vanuit Brussel.'

Het is duidelijk, de titel van Cultuurstad maakt Turnhout trots en verlegen tegelijk. Een kunstenares die speciaal voor de gelegenheid dagen heeft rondgezworven langs de plaatsen van haar jeugd biecht aan de krant op dat haar vrienden Turnhout zien als een 'vuile stad'. Zelf denkt ze daar genuanceerder over. De stad is wel degelijk mooi hier en daar, je moet alleen van goede wil zijn, moeite doen, tijd nemen, weken onvermoeibaar rondzwerven en een kunstenaarsoog ontwikkelen om de schoonheid te zien. Geen Turnhoutenaar die rondom het thema van de Cultuurstad niet spreekt over achterstand. Complexen. Minderwaardigheid. Schaamte.

En het is precies deze besmuikte zelfhaat, deze fascinatie voor de eigen benepenheid en de historie als dumpplek voor Vlaams afval, die in het interviewboek wordt omschreven als een 'ietwat miserabilistische invalshoek'. Ik spring op als ik het lees. Miserabilistisch! Ja, dat is het woord dat ik zocht. Er is iets geknechts aan deze cultuur - nergens allure, nergens een groot gebaar dat de vreemdeling verleidt en binnenhaalt. Al was het maar een Grand Café, een triomfboog of een viriele fontein die zich niets aantrekt van complexen. Als ik na een dag rondlopen nog steeds geen plek heb gevonden waar ik met goed fatsoen kan neerstrijken en uitrusten, dringt het besef met kracht tot me door. Dit zijn geen zuiderlingen, hier in Turnhout, dit zijn noordelingen! Ik loop nog een paar keer vergeefs om het kasteel en ga in het gras zitten. Vermoeid staar ik naar het bord tegenover me: 'Stad Turnhout bouwt Ondergrondse Fuifzaal'. Jawel. Natuurlijk. Een ondergrondse fuifzaal.

lll

Nee. U hebt gelijk. Geen kwaadsprekerij. Geen gemakkelijke beledigingen aan het adres van de dappere stad Turnhout en zijn brave bewoners. Het zal allemaal nog veel erger worden, dit bezoek van mij, uiteindelijk zelfs echt heel erg, en dat zal dan allemaal mijn eigen schuld zijn, niet die van de Belgen. Kijk. Is het Begijnhof niet wonderschoon? Zelfs in de regen? In de Lourdesgrot glinsteren de lichtjes voor Maria, die ons geneest en die onze voorspreekster is. Overal kaarsen en ex voto-bordjes. 'Uit dankbaarheid, Odette'. Op het bankje naast Maria zit de zwerver met de poolhond, maar in mijn verlangen mezelf te ontdekken zie ik hem niet. Het is vandaag de eerste keer dat onze wegen elkaar kruisen; hij met zijn rode bandana en zijn tatoeage van Jesaja 14:14, ik in mijn Utrechtse burgermanskleren, mijn schoenen nog gepoetst en mijn witte overhemd nog schoon uit de koffer. Ik kijk onverschillig langs hem heen.

lll

Vanochtend heb ik besloten mezelf en mijn kamer op te vrolijken: ik ga een koffiezetapparaat kopen. De functionarissen hebben me na mijn aankomst ondergebracht in het kantoor van de bibliotheek waarin het Corpus Christianorum is gehuisvest, helemaal bovenin, op een verloren zolderkamer, en natuurlijk, dat is in theorie een verstandige beleidsmaatregel van hen geweest. Ik ben hier tenslotte tewerkgesteld. Maar het heeft wel het praktische nadeel dat ik sinds mijn aankomst al nachten geen oog dicht heb gedaan. De kerkvaders houden me wakker. In dit zwaarbewaakte pand van het Corpus staan op alle planken kostbare, christelijke boeken uit de middeleeuwen en de patristische periode onder het strenge toezicht van beveiligingscamera's; tegen mij hebben de bewakers gezegd dat ik 's nachts een beetje uit het zicht van die beveiliging moet blijven, en van de weeromstuit durf ik na kantoortijd niet meer naar de wc. Die hebben ze me ten behoeve van mijn karaktervorming ergens verderop in het pand aangewezen. Zodra het donker wordt, ga ik dus liever in de dakgoot staan en pis met een boog tegen het beton dat hoog oprijst boven de heilige hallen van dit convent. Er is, zeggen ze, geluk dat moeilijk valt te onderscheiden van tragiek, en het moment waarop ik in triomf de muur tegenover me raak is hetzelfde moment waarop diep in mijn innerlijk de ijzige stilte van de vernedering inzet.

Hoewel het zware veiligheidsregime kennelijk mij en de inbrekers de stuipen op het lijf jaagt, maakt het allemaal geen enkele indruk op de kerkvaders. Die spoken 's nachts naar hartenlust rond. Zo gauw ik vol spanning op mijn brits lig, hoor ik beneden de apocriefe schrijvers de deuren openbreken; als ze over de gang fladderen, floept het automatische licht aan en uit, ik hoor het tikken van de minuterie. Het is nu niet alleen meer de vergeefsheid van mijn leven die me aanvliegt; het is acute paniek over mijn godverlatenheid in deze geavanceerde gespecialiseerde onderzoeksbibliotheek voor Latijnse teksten die, zo weet ik inmiddels, Turnhout en uitgeverij Brepols over de hele wereld beroemd heeft gemaakt. Het zweet breekt me uit. Ik zoek naar een schemerlamp, maar er is geen schemerlamp. Ik heb de keuze tussen het tl-licht dat hier hangt in het kader van het ultramoderne, kritische en computerondersteunde onderzoek - of een nacht in het duister met de kerkvaders, die dwars door het alarm kunnen lopen en toch onopgemerkt blijven. En terwijl ik in het duister op mijn knieën val en een mij onbekende god om bijstand bid, besluit ik de komende nachten mijn kleren aan te houden als ik ga slapen.

's Morgens sluip ik naar beneden en loer in de keuken van de wereldvermaarde onderzoekers. De kerkvaders hebben briefjes op de koelkast gehangen. 'Alea iacta est' staat er, en 'mens sana in corpore sano'. Maar er staan ook vriendelijker berichten op. Dat vergissen menselijk is. 'Errare humanum est.' En dat liefde alle dingen overwint.

Nu ga ik dus de stad in om een koffiezetapparaat te kopen. Aan de slag! Er ligt veel werk voor me uitgestippeld in Turnhout, want de stad is bezig een Cultuurstad te worden, of beter gezegd, een cultuurstad te blijven. Je ziet dat de bewoners hun best doen het arbeidersverleden achter zich te laten en het inferioriteitsgevoel tegenover andere steden - Brussel! Antwerpen! - af te schudden. Alles welbeschouwd is er voor schaamte immers geen enkele reden. Is de anticonceptiepil niet uitgevonden in Turnhout? Is de vrouw er niet bevrijd? Wordt de speelkaart er niet gedrukt? Nou dan. Het wemelt hier in de regio van de plannen en projecten. In het dossier dat me namens de autoriteiten is overhandigd gaat het over niets anders dan strategische plannen, position papers, projectorganisaties, streekmanagement, reflectiegroepen, toekomstgerichte sectoren. Aan de arbeid! Maar eerst koffie.

De regen is gestopt, en ik loop een rondje, over de Grote Markt, terug langs het kasteel, waar de zwerver met de poolhond en de rode bandana doodgemoedereerd op een bankje zit te picknicken, dan in de richting van de Watertoren. In de winkel met de huishoudelijke apparaten koop ik een koffiezetapparaat dat met de gebruikelijke Turnhoutse vriendelijkheid en properheid voor me wordt ingepakt. Een poes springt op de toonbank en duwt zijn hoofd in de doos om te zien of het wel goed gaat. 'Dat is vreemd, meneer', zegt de vrouw die worstelt met het piepschuim van de verpakking. 'Dat is heel vreemd. De kat komt anders nooit in de zaak. Het is een buitenkat.' Ze spreekt het woord met grote nadruk uit, alsof de boodschap die ze me voor de rest van de dag wil meegeven erin besloten ligt. Buitenkat. 'Soms blijft hij de hele nacht weg', zegt ze, terwijl ze met haar handen op het piepschuim duwt en met haar elleboog het dier verhindert in de doos te klimmen. 'Laatst kwam hij thuis met een gescheurde spier. Hij schreeuwde van de pijn. Zo hard dat je het straten verderop kon horen. We hebben meteen de winkel dichtgegooid en zijn naar de dierenarts gerend, die hem een verdoving heeft gegeven. Het is een buitenkat, meneer. Soms liggen mijn man en ik 's nachts wakker in het donker en vragen ons af waar hij is. Waar gaat hij zo alleen heen?'

Als ik met mijn keurig ingepakte koffiezetapparaat buiten sta, kijk ik rond. De opgeruimdheid van Turnhout. De minzaamheid van de provincie. Hoe komt een buitenkat hier in hemelsnaam aan een gescheurde spier? Het is een raadsel.

lll

Dit is een stad van vrijheid. Zoiets. Ongeveer dát moet mijn conclusie over Turnhout worden. Iets in de trant van vrijheid, emancipatie, partizanendom; een visie waarmee ik de autoriteiten tevreden kan stellen. De vrijheid, preciezer gezegd de vrijheid van drukpers, heeft de grafische industrie hier lang geleden de beslissende impuls gegeven waardoor Turnhout op het gebied van drukwerk nu nog steeds toonaangevend is in de wereld. In het Museum van de Speelkaart - dat deels een museum van de drukpers is - zie je hoe Turnhout al een grandioze voorsprong nam toen de rest van Europa nog in de greep was van de barbarij. Pieter Corbeels drukte ten tijde van de Franse bezetting politieke pamfletten; zijn opvolger Brepols maakte de drukkerij groot, anderen haakten aan, en begin negentiende eeuw kwamen denkers en masse naar België om hun boeken op de vrije persen te drukken. Het museum is plezierig en publieksvriendelijk, maar het schuwt de zelfkritiek niet. De grondwettelijke vrijheid wordt een uitvlucht, lees ik op de bordjes, om copyright te negeren en het werk van anderen te jatten. Vooral bij het ontwerpen en drukken van speelkaarten is privaterij de regel. 'Ook in Turnhout geven kapers de toon aan en de kaartenmakers gebruiken schaamteloos de voorbeelden uit binnen- en buitenland.' Als in de Tweede Wereldoorlog de Duitsers het kaartspel dan ook nog eens 'kriegswichtig' verklaren, is er geen historische rampspoed te bedenken of de drukkers te Turnhout hebben er wel van geprofiteerd.

Tot zover de zelfbeschuldigingen en de strenge blik op het verleden. Turnhout is er, zacht gezegd, goed in. Het is een fase, zullen we maar denken, op de hobbelige weg die vanuit de onderdrukking omhoog voert naar het paradijs. En je kunt er lacherig over doen, je moet toch ook toegeven dat in de musea en tentoonstellingen hier, met hun amusante mengeling van schaamte en trots, heel wat meer bruisend leven zit dan in de verveelde zelfpromotie van veel andere steden.

Uitgeput ben ik inmiddels wel, en verkreukt, ik slaap al nachten met mijn kleren aan om de kerkvaders te slim af te zijn, en overdag loop ik als een gesjeesde dagloner langs de straten op zoek naar een stoel die ik niet kan vinden. Jawel, er is cultuur, jawel, er is participatie. Maar dan voornamelijk voor mensen die de weg weten. Waar staan de bordjes die je naar de musea voeren? Waar zijn de gasthoven, de espressobars, de hotels, de proeflokalen? Na het Museum van de Speelkaart sjok ik door boomloze straten, woestijnen van steen, Jan van Breydelstraat, Patriottenstraat, langs de school-zonder-racisme en de automaat met kant-en-klaargerechten - 'stoofvlees in pot, 500 gram, ambachtelijk bereid' - terug in de richting van de Grote Markt. Sinds Turnhout de miserabilistische houding bij gelegenheid van zich afwerpt in ruil voor een stedelijker pretentie, is er zowaar aandacht vanuit Brussel, kijk, de VRT komt langs en spreekt aardige woorden. De stad voldoet aan alle technische vereisten en is eigenaar van 'een prachtige Grote Markt', zegt de VRT, en dus wordt hiervandaan een seizoen lang het televisieprogramma Villa Vanthilt uitgezonden. Mannen met rode broeken en gekke brillen stromen over het plein. De grootstad is gearriveerd. Jeugdige types die vooral misstaan tussen de volwassenen van Turnhout.

Op een terras zit de zwerver met de poolhond achter een salade geitenkaas en een glas bier. Ik strompel voorbij zonder veel acht op hem te slaan. Bij iedere stap die ik zet is het alsof ik met mijn rechtervoet treed op een tweesnijdend zwaard. Ik heb een peesplaatontsteking.

lll

Ja! Het Begijnhof! Wat is het Begijnhof mooi! Werelderfgoed. Ik vis mijn iPhone uit mijn achterzak en fotografeer de godganse mystiek-religieuze traditie. De Woning van de Grootjuffer. Het Graf van de Grootjuffer. De Calvarieberg. Vandaag ontbreekt er een knoop aan mijn overhemd, ik oog niet alleen smoezelig, maar ook uitgehongerd en vrij ongezond, ik begin te vermoeden dat mijn pees niet is ontstoken maar gescheurd; veel verder dan de broodautomaat op de hoek van de straat kon ik gister rond etenstijd niet meer komen. Niet verder dan snackbar 'Frituur Begijnhof'.

Ergens tegen een gevel hangt de heilige Johannes van Nepomuk. Een ogenblik sta ik bij hem stil, mijn denkbeeldige pet in de hand; en omdat ik achter de ramen van de begijnen de loerende blikken van de autoriteiten vermoed, probeer ik met heel mijn haveloze gestalte onschuld uit te stralen, zet mijn boekentas neer, wapper met mijn handen, trek de manchetten van mijn overhemd onder de mouwen van mijn colbert vandaan, voilà, niets aan te geven. Met bestudeerde nonchalance buig ik me voorover naar het bordje dat onder het heiligenbeeld hangt. 'Beschermheilige tegen eerroof en kwatongerij - b.v.o.' Ik zeg het per ongeluk hardop. 'Bid Voor Ons.' Achter de ramen van de begijnen ritselen de gordijnen verontwaardigd. En ik, in mijn verlegenheid, maak een foto van het bijschrift, omdat zoiets me opeens heel belangrijk lijkt. 'Han van Nepomukkan van de metropol te Praag, die weigerde het biechtgeheim te schenden en die daarom in de maldau werd geworpen waar hij verdronk op 20 maart 1393. Feestdag 16 mei. Beeld 18e eeuw. Eigd Kerk Beg.'

De engel op mijn rechterschouder, daar onder invloed van de kerkvaders in nutteloos moreel dispuut verwikkeld met de duivel, roert zich. 'Je bent gewaarschuwd', zegt hij. 'Geen kwaadsprekerij over Turnhout.' Maar de duivel op mijn linkerschouder sist. 'Niet te correct worden. Of ze verzuipen je in de slotgracht rondom het kasteel en maken er een feestdag van.' Terwijl in mijn innerlijk de discussie voortwoedt, dwing ik mezelf de poort uit, de stad in. Bid voor ons, mompel ik. Bid voor ons.

Voort! In mijn ijver om aan het werk te gaan ben ik zo stom geweest de dossiers over de projectorganisaties en reflectiegroepen op de werktafel in mijn kamer te laten liggen, maar ik ben vastbesloten te komen tot een toekomstgerichte visie op Turnhout. Ik heb nog twee dagen voordat ik me bij de autoriteiten moet melden en er vallen nog veel toekomstgerichte Vlaamse verschijnselen te inventariseren. Zo snel als ik kan kreupel ik door de straten. Langs de Broeders van Liefde. 'Klooster Broeders van Liefde. Private Parking. Parkeren enkel met toestemming.' Langs de Ierse Pub.

'Mc Cormack beschikt overal over bewakingscamera's. In geval van geweld en/of beschadiging van eigendom zal het beeldmateriaal in alle gevallen worden overgedragen aan de politie.' Langs de modezaken. 'Elke winkeldiefstal wordt door de politie serieus genomen en zal een gevolg krijgen.' Langs de gevangenis. 'Totaalopdracht voor het bouwen van een nieuwe penitentiaire vleugel'. Langs het justitiehuis voor hulp aan slachtoffers en daders. 'Onbegrip en ontslagen zijn ons loon.' Langs de etalage van de krant. 'Geen toezicht op duizenden criminelen.' Langs de kapel. 'Alle vrijdagen 40 dagen aflaat.' Langs overheidsgebouwen. 'Camerabewaking. Wet van 21 maart 2007. FOD Justitie Directoraat-Generaal EPI Waterloolaan 115 1000 Brussel camera.dgepi@just.fgov.be.'

Ik wankel tegen de ruit van een etalage aan. Het is de etalage van het Vlaams Belang en ik staar naar de foto van een meisje, een peuter met twee kleine staartjes. Het meisje heeft haar onderlip een beetje naar binnen getrokken en ze kijkt vriendelijk maar beslist. Op haar T-shirt staat: 'Als ik later groot ben word ik wat ik zelf wil.'

lll

De avond valt over Turnhout. Vanuit de kosmos bezien is de plaats een lacune, ik sijpel er doorheen en verdwijn; in het park lig ik uitgestrekt onder het bord van de ondergrondse fuifzaal en ik voel dat dit een van die zeldzame momenten is waarop een mens inziet dat de wereld om hem heen slechts een gat is, ik hoef mijn hand maar uit te steken of ik grijp er doorheen en kan de waarheid daarachter aanraken met mijn vingertoppen. Het is een wonder hoe alles zich plotseling aan me openbaart.

Zo weet ik opeens heel zeker dat de autoriteiten me in het oog houden. Zojuist ging er een servicewagen van de Lekopsporing voorbij. Détection de fuites. Het kan niet anders of het busje is me door de stad gevolgd. Ik zie al die dingen nu heel duidelijk en in een helder stralend licht.

Geloof me, in de weken dat ik hier heb rondgelopen is Turnhout me echt zo zeldzaam sympathiek geworden. De stad is niet gemakkelijk, maar er schuilt iets waarachtigs in haar stugheid. Dat kan ik u als conclusie wel mededelen, ook al is mijn herinnering verder wazig en ben ik de rest van mijn wederwaardigheden al weer grotendeels vergeten. Dat komt, denk ik, doordat ik de laatste dagen helemaal niet meer heb geslapen of gegeten. De scheur in de peesplaat van mijn rechtervoet verhindert me te lopen en in mijn vervuilde kleren, waarvan nu bijna alle knopen af zijn, durf ik geen enkel restaurant meer binnen. Daarom ben ik naar de Carrefour gehinkt en ik heb er twee flessen wijn met schroefdop gekocht. Gato Negro. Met die flessen in een papieren zak heb ik nog net het stadspark gehaald en ik ben op de grond gevallen onder het bord van de ondergrondse fuifzaal. Nu zet de schemering voorzichtig in, over het gras lopen een paar mannen die net als ik voor hun eigen bestwil naar de kolonie zijn gebracht, je kunt ze herkennen aan hun onzekere gang, het busje van de Lekopsporing maakt rondjes om het park. In de verte zit de zwerver met de poolhond. 'Hij is geen zwerver', heeft de aardige caissière van het Taxandria Museum me verteld, 'hij is een schrijver die door de autoriteiten is ingehuurd om een stuk over de stad te schrijven'. 'Dat is mooi', zeg ik, 'zelf heb ik ook een paar notities over de stad gemaakt, ze liggen ergens in mijn kamer in het Begijnhof, als de huisbaas ze nog niet heeft weggegooid.' Het is nu tien uur hier in het park, het wordt donker en een paar straten verderop gaat de poort van het Begijnhof op slot. Zonder sleutel en zonder mijn rechterschoen, die ik ben kwijtgeraakt, kan ik niet meer terug naar mijn kamer; maar ik ben nu hier en ik ben hier goed, zoals ieder wel zal zijn op de plaats waar hij eigenlijk hoort. Ik ben in Turnhout, mompel ik, vlak voordat ik op het gras in slaap val. En voorlopig, tot de autoriteiten me naar Geel of Wortel brengen, zal ik hier wel blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234