Donderdag 01/10/2020

Onder komiekenBert Kruismans Herman wereldberoemd in Wallonië en Brussel, volslagen onbekend in Vlaanderen

Een gewone jongen uit Leuven die door een speling van het lot aan de andere kant van de taalgrens terechtkomt. Een cafébaas, dj, restaurateur en vertegenwoordiger die uiteindelijk humorist wordt. Zo laat het leven van Marc Herman zich samenvatten. Dezer dagen viert hij dertig jaar op de planken, en de komende drie jaar brengt hij een tiental nieuwe shows exclusief op RTL-TVI. ‘Ik ben een Franstalige van Vlaanderen. Nen half en half.’

‘Alle taalproblemen, behalve het Brusselse probleem, zijn in België opgelost, als er in Vlaanderen geen Franstalige minderheid meer bestaat.’ Ik pik het citaat uit een beduimeld boekje met de wonderlijke titel De psychologie van de Franstalige in Vlaanderen. Gevonden in de kringloopwinkel. Auteur: Dirk Wilmars. Verschijningsdatum: 1966. Dirk was een profeet.

De Franstalige minderheid in Vlaanderen ging de afgelopen veertig jaar ondergronds, emigreerde of stierf gewoon uit. Enkel de Brusselse rand bleef achter als een zeurend, schrijnend plekje waarmee geen enkele wonderdokter nog raad weet. Veertig jaar geleden vormde ook Marc Maloens een deel van dat taalprobleem. Marc is een gewone jongen uit Leuven die door een vreemde speling van het lot aan de andere kant van de taalgrens terechtkomt. De psychologische grens eerst, de geografische scheiding volgt later. Marc wordt cafébaas, deejay, restaurateur, vertegenwoordiger en dan toch humorist. Uit eerbetoon aan zijn grote voorbeeld Toon Hermans stapt hij het podium op als Marc Herman. Hij bouwt een carrière uit als huiskomiek van RTL en RTBF, beleeft gouden jaren op de Franse televisie en ontwerpt een gezelschapsspel. Dezer dagen viert hij dertig jaar op de planken met een nieuw spektakel en de volgende drie jaar brengt hij een tiental nieuwe shows exclusief op RTL-TVI. Wereldberoemd in Wallonië en Brussel, volslagen onbekend in Vlaanderen. We spreken af in zijn Leuven, in café Den Artiest, noblesse oblige.

Het gesprek kabbelt in het Nederlands, allez kom, in het Vlaams. Een knappe kop is het die deze man als een Waal ontmaskert. Af en toe moet Marc net iets langer naar een woord zoeken, maar eerlijk is eerlijk, ik begrijp hem beter dan sommige Vlaamse comedians die dezer dagen op het podium springen. Marc drinkt koffie en kijkt rond, nostalgie steekt de kop op. “Hier heb ik jaren van mijn leven doorgebracht. Dat was hier de Mac, Chez Mac, en in de kelder was de dancing Mini-Mac. Ik was daar dj.”

Kom je nog vaak in Leuven?

Herman: “Neen, sinds mijn moeder gestorven is, heb ik hier niet veel meer verloren. Ik voel mij geen Leuvenaar meer.”

Je bent hier nochtans geboren.

“Iets verder hier, in de Leopoldstraat, in 1947. Mijn twee oudste broers, die tien en twaalf jaar ouder zijn, zijn in het Leuvens grootgebracht maar in het Frans naar school geweest bij de broederkes aan de Brusselsepoort. Daar was toen nog een Franstalige afdeling. Daarna volgde het pensionaat in Malonne bij Namen en toen werd het Mechelen: elke dag 50 kilometer met de fiets, alstublieft! Zij spraken dus Vlaams, allez Leuvens, met onze ouders maar toen ik geboren werd in ’47 en mijn broer in ’50 hebben ze thuis beslist om ons niet meer in het Leuvens maar in het Frans op te voeden. Dat stond chiquer in de jaren vijftig, het Frans was de taal van de bourgeoisie.

“Mijn ouders hadden een goedlopende zaak gehad in stoffen. Ze verkochten ook iets ongelooflijk nieuws uit Amerika, de nylonkousen. Maar na de oorlog was het gedaan met die zaak. Problemen met de staat, met de administratie, ze zouden veel te veel verdiend hebben in de oorlog. Enfin, wat er precies gebeurd was, weet ik niet. Mijn vader werd dan maar vertegenwoordiger voor een groothandel in textiel. Hij was na een beroerte langs één kant verlamd, maar toch reed hij met zijn kevertje heel België af.

“Enfin, met de twee jongsten spraken mijn ouders Frans, maar wij hoorden hen met mijn oudere broers Vlaams spreken. Mijn jongste broer en ik begrepen natuurlijk alles en dus spraken wij dat ook. Mijn eerste twee talen zijn eigenlijk Frans en Leuvens. Nederlands kwam later. Als kind was ik ervan overtuigd dat iedereen twee talen sprak, ik had nooit anders gezien. Ik heb heel mijn onderwijs in het Frans gedaan. Lagere school in Leuven. Daarna internaat in het Waals-Brabantse Geldenaken, in Jodoigne. Mijn vader overleed plots - een hartaanval - en ik en mijn broer werden naar het internaat gestuurd. Ik heb het wel even geprobeerd bij de Jozefieten hier in Leuven, in het Nederlands. Ik had 23 procent op mijn rapport. Dat ging niet. Het was in het Nederlands, maar er waren nog andere redenen. Ik was dertien jaar, mijn vader was net gestorven, mijn moeder bleef alleen achter met twee jonge kinderen. Er was niemand die mij een beetje volgde. Dat was een moeilijke periode.

“Later ben ik getrouwd met een meisje uit een grote Franstalige familie in Leuven.”

Was het toeval dat je er een Franstalig meisje uitpikte?

“Ik weet dat niet, dat ging vanzelf. Hier in dit café spraken wij tot eind jaren zeventig meestal Frans. Dat was ook zo in de Cambrinus, in den Brasseur, noem maar op. De voertaal was Frans of Leuvens. De moppen, als het om te lachen was, dat was in het Leives.”

“In ‘73 heb ik hier in Leuven samen met mijn vrouw restaurant De Wiering uitgebaat. Dat was elke avond vollen bak, dat waren bijna alleen Franstaligen. In ’75 ben ik een ander restaurant begonnen en ik hing een plakkaat aan de deur: ‘Ouverture le...’, met de datum erbij, uitsluitend in het Frans. Toen zei iemand: ‘Zeg, dat moet hier ook wel in het Nederlands.’ Ik dacht: ‘Ah ja, bon, ik ben dat vergeten’, en ik heb dat aangepast.

“De sfeer veranderde. Vroeger waren hier geen problemen. Toen ik kind was en we gingen naar de winkel, sprak iedereen Frans of Nederlands, dat maakte niet uit en iedereen paste zich aan. Maar na ’68 is dat allemaal een beetje - allez, euhm, réduit - verminderd. En dan waren er weer politieke evenementen en werd het weer een beetje moeilijker. Enfin, veel moeilijker.”

In je show zeg je: ‘We mochten nog Frans spreken in Leuven, maar het moest altijd stiller en stiller.’

“Zo was het echt. Er waren momenten waarop sommigen je agressief bekeken. Er waren winkels met bordjes: ‘Hier spreekt men Vlaams en geen Frans’. Zodat wij Franstaligen zeiden: ‘Hola!’ Dat ging ver. De vroegere Belgische bankbiljetten, die waren langs de ene kant in het Nederlands, langs de andere kant in het Frans. Er waren soms klanten die exigeerden dat de handelaars die biljetten met de Nederlandse kant naar boven lieten zien. Dat werd gewoon onleefbaar. En dan waren we begin jaren tachtig. Ik was getrouwd, had twee kinderen en woonde in Kessel-Lo. Mijn dochter en zoon gingen naar school in het Nederlands, maar thuis spraken we Frans. Op den duur ging dat niet meer, ik voelde dat bij de buren en zo. Van die reacties: ‘Hein? Die spreken Frans!’ In ’84 was ik het beu en ik zei tegen mijn vrouw: ‘We trappen het hier af en gaan naar Beauvechain, naar de Walen.”

Voel jij je buiten gepest?

“(snel) Ja, dat ligt een beetje op mijn maag. (ferm)Je suis foutu à la porte par les Flamands. Want ik ben een Leuvenaar, ik ben fier op Leuven, hier ben ik geboren, hier heb ik mijn jonge leven doorgebracht.

Toen de Vlaamse studenten eind jaren zestig in Leuven plots ‘Walen buiten’ riepen, voelde jij je dan als geboren Leuvenaar aangesproken? Zij waren misschien van Kortrijk of Turnhout, maar jij was van Leuven.

“Ja en neen, want ik ben geen Waal. Ik ben een Franstalige van Vlaanderen. Nen half en half. Op het internaat in Jodoigne deed ik daar mijn voordeel mee. Ik was in sommige matières niet echt sterk. Maar ik liet de Walen al eens piepen bij het examen Nederlands, de Vlamingen bij het Frans en zij hielpen mij met de rest.”

Stel dat je vader toen niet was gestorven, was het dan wel gelukt bij die Jozefieten in het Nederlands? Dan was je nu gewoon een Vlaming.

“Misschien, dat is moeilijk te zeggen. Trouwens, ik had achteraf nog Vlaming kunnen worden. Ik heb gewerkt als tweetalig vertegenwoordiger. En eind jaren zeventig hield ik het café open van de studenten geneeskunde. Daar had ik uitsluitend Vlamingen, want de Walen waren hier allemaal weg. Daar heb ik perfect Nederlands leren spreken, zonder Waals accent. Als ik tegen die gasten zei dat ik Franstalig was, geloofden ze me niet. Ik was daar fier op. Toen had ik zeker nog een show kunnen opvoeren in het Vlaams. Want ik had intussen de grote Toon Hermans ontdekt. Maar goed, in ’81 won ik de eerste humorwedstrijd van Rochefort, ik kwam op de RTB en de bal ging aan het rollen, in het Frans.”

Nooit gedacht aan het Nederlands?

“Ja, ik heb het één keer geprobeerd, in 1982. Ik sprak nog veel en vlot Nederlands en ben mij gaan presenteren op het humorfestival van Knokke. Bij de inschrijvingen vroegen ze: ‘Welke sketches doet u?’ Maar ik had niks in het Nederlands. ‘Eigenlijk werk ik normaal in het Frans. Mag daar ook een Franse sketch tussen?’ vroeg ik. ‘Ik heb geen plaats meer voor u als kandidaat’, zei die verantwoordelijke. Misschien had ik gewoon moeten zwijgen.”

In je show vertel je dat je de faciliteitengemeenten probeert uit te leggen in Marokko. Faciliteiten is een systeem, zeg je, waarbij 20 procent van een gemeente wil dat de andere 80 procent zich aanpast. Toen dacht ik: Marc spreekt geen Vlaams als een Franstalige, maar hij denkt wel als een Franstalige.

“Klopt, ik denk als een Franstalige. Ik zit in de Franstalige cultuur. Wij hebben toch niet dezelfde mentaliteit. Wij zien de Vlamingen toch wel een beetje als dictateurs, begrijp je? Het ís zo en het móét zo. Neem nu Kris Peeters: na dat treinongeval in Buizingen zei hij dat het een grote catastrofe was voor Vlaanderen. Ik dacht meteen: wat zeggen ze nu? Zijn dat geen Belgen meer op die trein? Daar zaten toch ook Franstaligen bij?”

Wat mij opvalt: wij Vlamingen storen ons helemaal niet aan die uitspraak van Peeters. Wij kunnen ons zelfs niet inbeelden dat dit gevoelig zou kunnen zijn voor Franstaligen.

“Dat is het probleem. Als de politiek niet zoveel... Allez, si la politique n’avait pas autant d’influence sur le peuple flamand, eh bien le peuple flamand réagirait en belge et pas en flamand. Dat gevoel hebben we. Dat Vlaanderen echt Vlaanderen wordt, en dat de Vlamingen er niet mee inzitten dat België barst. Maar ondertussen: wat zijn we allemaal? Wij vragen ons ook af wat die Vlamingen alleen gaan doen, alleen zonder België. En wat zal er met Brussel gebeuren? Willen ze Brussel dan ook? Dat is een beetje het gevoel waarmee wij leven.”

Als de communautaire koorts in België weer opflakkert, levert dat dan spanningen op tussen de Vlaamse en de Waalse tak van je familie? Praat je over politiek op familiefeesten?

“Dat doen we niet, want daar komt niks goeds van. Mijn twee oudste broers hebben tegenovergestelde gedachten, omdat zij echte Vlamingen zijn en wij echte Franstaligen. Zij luisteren naar de Vlaamse radio, kijken naar de Vlaamse tv en spreken thuis uitsluitend Vlaams. Bij ons is dat juist omgekeerd. Vlamingen kennen Jean-Marie Bigard of François de Brigode niet. Walen kennen Geert Hoste of André Vermeulen niet.”

Loopt de taalgrens dwars door de familie?

“Ja. Het is geen verschil in ideologie. Dat is te sterk uitgedrukt. Maar het is de taalgrens van de gevoeligheid. Wij en zij hebben niet dezelfde visie op de dingen, op werken en leven.”

Maar jullie komen toch uit hetzelfde gezin?

“Ja, een Leuvense vader en moeder en vier Leuvense grootouders, en iedereen was tweetalig. Maar bij de jongere generatie is dat beginnen veranderen, bij ons en bij hen.”

Spreken jouw kinderen Nederlands?

“Mijn oudste dochter, die anderhalf jaar op een Vlaamse lagere school heeft gezeten, wel. Maar mijn zoon niet meer. Als kind spraken ze wel Nederlands als ze met mekaar aan het spelen waren. Maar dat is bij hem verdwenen. Mijn andere dochter, van mijn tweede vrouw, heeft één jaar in Sint-Truiden geprobeerd toen ze zeventien was, maar het lukte niet. Het niveau lag daar zeer hoog. Ze volgt nu cursussen en leest de krant.”

Ik heb je al een paar keer aan het werk gezien in het theater. Je speelt het Vlaamse accent duidelijk uit. Ben jij voor het publiek een Vlaming of een Waal? Een vrouw zei me achteraf: ‘Marc, c’est un Belge et tout le reste c’est de la politique.’

“Het hangt er allemaal vanaf. Ik ben begonnen bij de RTB in 1980. Jarenlang zat ik daar in humorprogramma’s zoals Zygomaticorama en Le parti d’en rire. Vanaf 1987 zat ik bij France Trois in La classe en toen keerde ik in de jaren negentig terug naar België, naar RTL. Dat was een compleet ander publiek dat mij niet kende. Ik lanceerde een typetje, Luc Dierickx, de zogezegde presentator van de Vlaamse zender TV Tor. In mijn nieuwsstudio interviewde ik in een afschuwelijk Frans de grote Franse sterren, zangers, filmsterren, zoals Jean Lefebvre, David Hallyday, Michel Galabru.

In Nederland had je even later Wendy van Dijk die als de Japanse reporter Ushi internationale sterren op stang jaagde. Maar jouw versie was echt Belgisch. Je las lezersbrieven van mevrouw Staphetaf en meneer Bakkestoe en dat werd dan vertaald als madame Foulkant en monsieur Tagueul. Je leest het gedicht ‘vive mémé patattes et saucisses’, wat gewoon de vertaling is van ‘viva bomma, patatten met saucissen’. En je zegt met een uitgestreken gezicht in het Nederlands: ‘Beste vriend, begrijpt u dat we met uw voeten aan het spelen zijn?’ Dit was een programma voor Vlaamse kijkers!

“Die Franse sterren begrepen er niks van. Zij dachten echt dat ik een Vlaamse reporter was. Daarna ben ik naar de RTBF gegaan voor het legendarische humorprogramma Bon Week-End. Daar heb ik mijn eerste stuut gelanceerd. Ik zei tegen die tv-producer: ‘Bon, on commence chaque fois avec un stuut et après on verra.’‘Un quoi, Marc?’‘Un stuut.’ Ze kenden dat woord niet, tenzij in Brussel.”

Dat is gewoon de Vlaamse uitdrukking ‘een stoot tegenkomen’.

“Voilà, in het Leuvens ne stuut.”

Dat is dus een Vlaamse uitdrukking die jij gelanceerd hebt in Wallonië.

“Ze kenden het een beetje in Henegouwen, daar was het stuud. Maar in Luik dus absoluut niet. Enfin, behalve op tv maakte ik zaalshows met de titel Stuut, en dan Stuut 2, 3 en nu zitten we al aan nummer 5. Mensen kwamen dan naar de show kijken waarbij ik mijn Vlaams accent goed in de verf zette. Sommigen dachten echt dat ik een Vlaming was die zijn show in Wallonië kwam spelen. Maar op het einde van de show laat ik dat accent vallen en dan twijfelen ze weer.”

Hoeveel interviews heb je al gegeven in het Nederlands?

“Dit is mijn eerste. Helemaal in het begin van mijn carrière kreeg ik ooit eens drie lijnen in Het Laatste Nieuws: ‘Vlaamse artiest in Brussels cabaret.’ Dat was het. En één keer heeft een Brusselse radiozender mij opgebeld voor mijn spel.”

Je bent ook de trotse vader van een gezelschapsspel!

“Vijf jaar geleden dacht ik: ‘Waarom geen spel verzinnen waarin de deelnemers woorden van een andere taal kunnen gebruiken, assimileren en vooral uitspreken. En ze kunnen dan zinnen bouwen met die woorden, zelfs in twee verschillende talen.” En voilà, het werkt nu met het Frans, het Nederlands en het Engels. Spikit heet het. Vorig jaar heb ik er de gouden medaille mee gewonnen op de uitvindersbeurs in Brussel, en nu ligt het in de winkel. Ik geef ook demonstratries in speelgoedwinkels. De eerste reactie die ik krijg als ik aan Walen vraag om het spel te spelen, is: ‘Neen, ik kan geen Vlaams, ik kan geen Engels.’ Dan zeg ik: ‘Komaan, we zullen wel zien.’ De kinderen tot een jaar of acht willen altijd meespelen, de volwassenen niet. Hoe ouder ze worden, hoe minder enthousiast.”

Is dat niet het verschil tussen Vlamingen en Franstaligen? Franstalige Belgen zijn onder de indruk van mensen die verbaal sterk zijn.

“Maar een Vlaming die het goed kan uitleggen in het Algemeen Nederlands is nog altijd een beetje ‘nen Hollander’. Vlamingen maken er geen punt van om in hun dialect of in slecht Nederlands hun ding te doen, op televisie of op een podium. Een Franstalige denkt: ‘Oei, ik ga niet proberen om Nederlands te spreken, want ik ga fouten maken.’ Een Franstalige doet het ook wel in zijn patois of in het Waals, maar hij wil het niet proberen in een andere taal, want dan denkt hij: ‘Ik kom over als...’

...een stommerik?

“Un con, voilà, nu zijn we er.”

Hoe ben je in Frankrijk beland?

“In de jaren tachtig heb ik een tv-opname gedaan met de Franse humorist Pompon, een raar type. Hij speelde dat hij halfzat was en had een accent van de Périgord, compleet onverstaanbaar. Die opname was voor RTL in Parijs. Daarna kwam Les jeux de vingt heures voor France Trois, nog altijd met Pompon. Ik logeerde zelfs bij hem. In ’87 begonnen ze dan met La classe. De presentator Fabrice kende mij en mijn sketches. Hij had gezegd: ‘Je veux le Belge.’ Plots werd ik gebeld met de zeer beleefde vraag of ik alstublieft wilde meedoen. Ze excuseerden zich bij voorbaat voor de kwaliteit, maar het zou allemaal beter worden. Ik zei heel ernstig dat ik even moest nadenken - réfléchir. Maar eerlijk gezegd, ik heb niet lang geréfléchisseerd. (lacht)”

La classe was waanzinnig populair. Toch wel dé springplank naar Frankrijk?

“De producent heeft me ooit verteld dat dankzij dat programma veertig humoristen, die eigenlijk amateurs waren, in Frankrijk van comedy hun beroep konden maken.”

En Marc Herman?

“Kijk, ik was in ’81 in België begonnen, maar in ’86 was ik zogoed als gestopt. Ik had niks meer te doen. De tv had mij niet meer nodig. In ’87 ging het zeer traag, ik had mijn job als traiteur weer opgenomen, samen met mijn vrouw. Na één jaar La classe was ik weer populair. Ik had zo’n 150 shows per jaar in België. Ik ging naar een producent in Parijs. Het was simpel: hij wilde mij lanceren in Frankrijk, maar er waren twee vereisten. Ik moest in Parijs wonen en mijn agenda vrijmaken. Alle contracten die ik in België getekend had, moest ik annuleren. ‘Teken maar bij ons, wij betalen alle kosten’, zeiden ze in Parijs. Ik zag dat niet zitten. Je tekent en na een jaar of twee steken ze je daar in Frankrijk in een schuif waar je niet meer uitkomt, en in België moet je dan natuurlijk niet meer afkomen. Ik moest kiezen tussen België en Frankrijk, en heb niet lang geaarzeld. In België was ik bekend, ik kon ervan leven. Ik dacht: ‘Frankrijk, ze zullen me wel komen halen als ze me nodig hebben.’ Ze zijn nooit meer gekomen. (lacht)”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234