Woensdag 19/01/2022

Ondanks de bruggen

Lokaal cdH-voorzitter Jean-René Degand: 'Als de internationale inwoners van Wezembeek ons bezig zien, met die cinema rond pastoor Verstraeten of die rondzendbrieven, denken ze dat wij Belgen wel degelijk gek zijn. En misschien hebben ze geen ongelijk'Weer een cliché dat op de vuilnisbelt van de communautaire geschiedenis mag: het cliché van de Brusselse rand waar ingeweken Franstalige bourgeoisburgers de 'eenvoudige' Vlamingen verdringen

Het oude België is dood en het nieuwe nog niet geboren. Dat zie je veertig jaar na de betonnering van de taalgrens het best in de 'groene' rand rond Brussel. Daar zucht en kraakt het land. Daar vervelt het dorp. Een portret van Wezembeek-Oppem, stadsdorp met zes bruggen, drie kerken en veel meer gezichten dan de communautaire maskerade laat vermoeden. 'In het park van burgemeester de Grunne speelden wij Reinaert de Vos', zegt Charles (89), Ridder in de Orde van het Gulden Masker.

Filip Rogiers

Foto's Stephan Vanfleteren

Woensdagmiddag in de lege Sint-Pieterskerk van Wezembeek-Oppem. De kerststal is opgebroken. Jozef, Maria, Jezus en de Drie Koningen staan netjes op een rij, als wachten ze op een busje. "Ze moeten weg, want morgen hebben we alweer de eerste begrafenis van het nieuwe jaar", zegt een parochiaan die nu en dan de kerk komt schoonmaken. "Vroeger stond de deur altijd open, nu niet meer."

Pastoor Jos Verstraeten zal er de mis niet langer lezen, maar het leven en sterven gaat gewoon door. Zonder camera's, zonder Vlaamse leeuwen.

"Dertig jaar geleden had Wezembeek-Oppem een slogan. Een toffe gemeente. En dat was het ook", zegt Sylvain Vangrunderbeek. "Die van Kraainem, dat waren de vechters. En Tervuren, daar raakte je niet binnen. Maar Wezembeek-Oppem, daar zaten de bon vivants. Ik spreek nu misschien tegen mijn commercie, maar het is niet geestig om dat te zien aftakelen."

Sylvain is begrafenisondernemer, veertig jaar in het vak. Zoals vijf van zijn zes broers. "Normaal gezien moest de koning peter geworden zijn van de jongste, maar hij had de pech om in 1950 op de wereld te komen. In volle koningskwestie: Leopold III was koning af, en Boudewijn moest nog komen."

Sylvain heeft veel schoon volk begraven. Staatslui met veel marmer, maar ook arme luizen. Voor de prijs van het hout, plank over plank, kruis erover.

Hij begroef ook Loubna Ben Aissa, in 1997 kortstondig het frêle gezicht van een ander, nieuwer België. Wit was in die dagen niet alleen de kleur van rouw. Heel even liet het de Belgen in een flits zien dat dit land nog wel iets meer is dan geel-rood, voor wat Waals of Frans is, en zwart-geel, voor wat Vlaams is. De puzzel van dit land laat zich niet langer leggen in dat soort grove stukken.

En toch leek Wezembeek-Oppem zich daar de afgelopen weken weer tot te verengen. Ieder speelde weer zijn rol in een tricolore spel. Er was een Vlaamsgezinde pastoor, Jos, door de Franstaligen Don Camillo genoemd. Er was een tweetalige pastoor, afkomstig van het Gentse maar met een Franse naam, Benoît Goubau. Ideaal dus voor de Vlamingen om als schurk te casten. In de coulissen zat een "Fransdolle" burgemeester, François van Hoobrouck d'Aspre, in het dorp al eens Jef Matrak genoemd sinds hij tijdens de gemeenteraadsverkiezingen zwoer zijn affiches met doorslaggevende argumenten te zullen verdedigen tegen Vlaamse wildplakkers. En ten slotte was er in Mechelen ook nog een kerkvader die de kerk in het Belgische midden probeerde te houden. Hij zond Herman Boon uit: zoon van flaminganten, maar aalmoezenier voor de Belgische burgerluchtvaart. Deus ex machina.

"Ach, pastoor Jos", zegt Sylvain. "Een sympathiek man. Zeer geleerd. Hij studeerde in Italië, kent een taal of drie. Dat hij Vlaamsgezind was, stak hij niet onder stoelen of banken, maar hij deed ook missen voor de Walen. Al wou hij er altijd een beetje Nederlands in, want Wezembeek ligt nu eenmaal in Vlaanderen. En wie alleen maar Frans wilde horen, stuurde hij door naar Sint-Jozef, in de volksmond: de kerk van de velouren vest. Zo genoemd naar de inhoud van de garderobe van pastoor Vermeulen, die het liefst Frans sprak.

"Pastoor Benoît, die verdiende beter dan in de kranten als boosdoener te worden afgeschilderd. Die jongen werkt zich te pletter. Hij doet vijf missen in een weekend, in het Nederlands en het Frans, trouwfeesten op zaterdag, en zondag nog een paar dopen ook. Kan geen 'nee' zeggen, in geen enkele taal. En daar gaat het om. Pastoors hebben te veel werk. Ze hebben geen leven meer. Ook voor hen is het hier niet langer tof."

Het conflict heeft vele wortels, maar weinig politieke. Dat kwam er pas later bij, mede door de Vlaamsgezindheid van pastoor Jos, op zijn beurt aangestoken door de politieke hoogspanning tussen het exclusief Franstalige gemeentebestuur en de Vlaamse voogdijoverheid.

Tot voor enkele jaren vierden de Franstaligen om negen uur hun mis in Sint-Pieters, om tien uur was het de beurt aan Jos en zijn Vlaamse schapen. In de Vlaamse mis ging het er bedaard aan toe. De pastoor nodigde de mensen hoogstens uit om elkaar rechtstaand de vredesgroet te brengen. Maar de Franstaligen zijn iets jovialer in die dingen. Stoelen aan de kant of in een ronde, het altaar een kwartslag gedraaid, de micro van hand tot hand. Gezellig. En als pastoor Jos dan om vijf voor tien de kerk binnenstapte, leek zijn heiligdom herschapen in iets waar alleen in het Frans een gepaste naam voor bestaat: "C'était le bordel." De wrevel groeide dus. Pastoor Jos sloot dan al eens de kerk af. Later verving hij ook de sloten. Volgens de enen om de Franstaligen te pesten, volgens de anderen om kerkdieven buiten te houden. Want dit is geen dorp meer, het is een stad.

En dat is het echte verhaal van Wezembeek-Oppem. Het is een gemeente zonder kern. Enkel het kerkpleintje van Sint-Pieters geeft nog een dorpse, pittoreske indruk. Begrijpelijk dus dat de Franstalige gelovigen hier graag bleven komen, al waren er in de directe omgeving in andere kerken nog Franstalige missen genoeg. De kerk waar pastoor Jos drie weken geleden afscheid nam met een Vlaamse Leeuw, is een Fremdkörper.

Vlieg per helikopter over de omgeving en zoom langzaam uit. Van het dorpse kerkje en dat handvol smalle straatjes naar het ommeland, met z'n Mechelse Steenweg, neonlicht van pizzatenten en benzinestations, groen oplichtende wegwijzers, invalswegen naar de autosnelweg, tramsporen, villa's met zwembad verderop richting Tervuren, eender witte sociale huizen en blokken van de wijk Ban-Eik.

Twaalf procent van de bevolking behoort tot wat de autochtonen hier "de internationalen" noemen. In de wijk Klein Holland woont het grootste contingent Duitsers van België, dichtbij de Deutsche Schüle Brüssel. Veel Engelstaligen ook, rond de British School of Brussels in Tervuren.

Dit is Wezembeek-Oppem, met zijn laag overscherende vliegtuigen van Zaventem, en zijn immer de hoogte inschietende grondprijzen: in vijftien jaar tijd van 3.000 naar 10.000 oude Belgische franken per vierkante meter.

En met zijn bruggen. Zes op enkele honderden meters. Overbruggingen voor het infarct dat in 1976 in deze hoek van Brabant dreigde te worden aangericht door de aanleg van de Grote Brusselse Ring. Een jaar later werd het aantal gemeenten in België van meer dan 2.500 tot 589 gereduceerd, en tien jaar eerder zong Wim Sonneveld: "Wat leefden ze eenvoudig toen, in simp'le huizen tussen groen, met boerenbloemen en een heg. Maar blijkbaar leefden ze verkeerd. Het dorp is gemoderniseerd en nou zijn ze op de goeie weg. Want ziet, hoe rijk het leven is: ze zien de televisiequiz, en wonen in betonnen dozen."

Een gemeente zonder kern - om nog maar te zwijgen van de cafés: ooit waren het er 35, nu nog 9 -, verliest haar ziel. Sylvain heeft in zijn lange carrière bij wijze van spreken het hele dorp afgelegd. "Je vindt geen drie huizen waar ik níét over de vloer ben geweest." Hij kijkt in zijn agenda. Morgen is het de beurt aan Pierre Sylvain Ruelens, vijfentachtig jaar. Pierke, een Waal die een mooie uitvaartdienst moet krijgen in de kerk waar hij het grootste deel van zijn leven 'gediend' heeft: Sint-Pieters.

II. Léon Degrelle en Paul Van Zeeland

Reeds vroeg werd ik ertoe gebracht belang te stellen in de lokale politiek. Mijn oom Xavier en mijn vader Eugène losten mekaar af als burgemeester van Wezembeek-Oppem. Ze spraken slecht Nederlands maar onderhielden zich toch met de inwoners in hun eigen taal en ze waren mild voor de gemeente. Ze hadden uitstekende contacten met de landbouwers en de arbeiders van deze honderd procent Vlaamse gemeente. Een bevolking die hen daar dankbaar voor was. (Baudouin de Grunne, telg van het geslacht dat in Wezembeek-Oppem de burgemeester leverde van 1918 tot 1994, opgetekend door Guillaume Vandervorst)

Frans, dat heeft hij met pap en patatten naar binnen gekregen. Maar het dialect van Cyriel Buysse, daar heeft hij moeten op sjieken. "Drie weken heb ik er les voor gevolgd", vertelt Charles Van Cauwenberghs (89). "Om boer van Paemel in Het gezin van Paemel te kunnen spelen. Zeven keer heb ik het gespeeld. Het was mijn favoriete toneelstuk. Maar het komiekste, dat was toch De Harmonie van Meulenbeek, in het Brussels dialect."

"Aan tafel, Charles!"

Charles sloft naar zijn plaats. Ze zijn met zo'n twintig in het sociaal restaurant voor senioren, elke dag kleden ze zich op om een vorkje te steken. Vier euro voor een warme maaltijd, elke dag vers.

Na twee lepels soep sloft Charles opnieuw onze richting uit. "Ik heb drie jaar bij het Vlaams Volkstoneel gespeeld. In het park van de Grunne speelden we 's zomers in de open lucht Reinaert de Vos. Toen ik veertig jaar op de planken stond, heb ik een eerste onderscheiding gekregen van het ministerie van Cultuur. Tien jaar later een tweede keer, en na zestig jaar nog eens, van Patrick Dewael."

Hij keert weer naar zijn tafel, schept nog eens op en sloft dan terug.

"Het belangrijkste zou ik nog vergeten. Ik ben Ridder in de Orde van het Gulden Masker." Dat is de hoogste toneelonderscheiding in de provincie, slechts weggelegd voor enkelen, want de Orde mag nooit meer dan 63 leden tellen.

"Jaja, 't gaat voorbij hé?"

Zijn blik dwaalt af naar de deur. Iemand heeft er de rouwbrief van Pierke op vastgepind. Ook hij was hier tot voor nieuwjaar klant, nam deel aan de tafelgesprekken, aan die stoemp van Frans en Vlaams-Brabantse dialecten.

Het restaurant ligt in wat de ouderen het niemandsland noemen: de overgang tussen wat ooit Wezembeek en Oppem was. Het waren tot diep in de jaren vijftig twee werelden apart. "In Oppem woonden vooral bouwvakkers en kleine boeren. Wezembeek, dat was van de heren", zegt Guillaume Vandervorst. "Maar Oppem leefde het meest. Verenigingen, sporttoernooien, wielerkoersen, cafés. Het is de laatste tien jaar allemaal in sneltreinvaart verdwenen."

Guillaume was voorzitter van het OCMW van 1971 tot 1983, het restaurant is zijn geesteskind - "het eerste in zijn soort in België" -, daarna schepen tot 1995. En bovenal: voorzitter van de Koninklijke Fanfare Kunst en Vaderland. Koperblazers. Ze bliezen voor het laatst vorig jaar, na meer dan een eeuw. De oorspronkelijke banier staat nu op zolder bij de zoon van Guillaume.

Op een foto uit de gloriejaren staan ze met z'n allen te glunderen. Ze zijn met honderdenzeven, opgesteld in vijf rijen. Het is 1948 en ze hebben zonet de eerste prijs gewonnen van het Muziekfestival van Stokkel. Ze staan er op met naam en toenaam. Guillaume zelf staat bekend als Jom van Pie van 't Maseurke, kleinzoon van een uit het klooster getreden nonnetje. Op de foto staat ook Baudouin de Grunne, ook hij had een bijnaam: den Burger. "Elk jaar schonk hij de fanfare een instrument", vertelt Guillaume. "Als dank heb ik vorig jaar voor zijn Gouden Jubileum een huldeboek over hem geschreven."

Baudouin werd in de Grote Oorlog geboren in het Franse dorpje La Roche-en-Brenil, Bourgogne. Moeder Alix d'Ormesson was erheen gevlucht, terwijl vader Eugène aan de IJzer vocht. Er waren veel kloosterlingen in de familie, maar "gelukkig is er nooit sprake geweest van kwezelarij". Het geslacht zette de twintigste eeuw vrijdenkend en liberaal in, maar overdreef in niets. Al was de Grote Depressie nodig om de familie tot nederigheid te dwingen. In de zotte jaren twintig stond er op de oprit van het kasteel van Oppem een Buick te blinken, en binnen was het alle dagen feest met een Franse kok, een maître d'hôtel en ettelijke Vlaamse boerenmeisjes als keukenhulp. Na de ineenstorting van de beurs reed vader Eugène met de kar rond, eigenhandig de melk van zijn boerderij slijtend op de rijke Tervurenlaan.

Woelig werd het ook nog in de jaren dertig toen oom Xavier zich tot Rex van Léon Degrelle bekende en het tot senator schopte. Ook Eugène zag aanvankelijk wel wat in Adolf Hitler en hoe die in een mum van tijd van een geruïneerd land een economisch paradijs scheen te kunnen maken, maar volgens zijn zoon veranderde hij radicaal van gedacht na lectuur van Mein Kampf. Hij verzeilde bij de vereniging Belgique toujours, die in 1936 actie voerde voor Paul Van Zeeland tegen Degrelle. Xavier en Eugène woonden beiden op het kasteel en het gebeurde weleens dat de ene broer beneden Degrelle ontving, terwijl de andere op hetzelfde moment op de eerste verdieping met Van Zeeland of Paul-Henri Spaak zat te praten. Een veldwachter regelde dat delicate diplomatieke verkeer aan de ingang van het park, en leidde de bezoekers via verschillende ingangen naar binnen.

Nog voor het uitbreken van de oorlog bekeert ook Xavier zich: het fascisme à la belge van Rex had hem nog kunnen bekoren, maar de manier waarop Degrelle zijn ziel aan de nazi's verkocht, was er te veel aan. Beide broers gaan onder de Belgische wapens. Eugène sneuvelt in 1940 bij de Slag aan de Leie, Xavier raakt gewond in de Ardennen, valt in handen van de Gestapo en sterft in 1940 in een Pools concentratiekamp.

Baudouin werd in 1947 burgemeester van Wezembeek-Oppem, en maakte ondertussen carrière op ministeriële kabinetten en in de unitaire PSC-CVP. Nederlands leert hij au fur et à mesure door de omgang met studenten, politici en kunstenaars.

De Grunne is uit Frans-Belgisch marmer gehouwen, maar Vlaams dooraderd. De verpersoonlijking van de belgitude zoals ze door historicus Henri Pirenne in zijn Histoire de Belgique gewild was. 11 juli 1302, de Guldensporenslag, was in dat universum nog geen Vlaamse, maar een Belgische hoogtijdag. Daar viel in Wezembeek-Oppem in 1951 nog altijd niet mee te spotten. Zo ondervond Vlaams CVP-minister Albert Coppé, die in dat jaar getuige mocht zijn op het huwelijk van Baudouin met Anne de Renesse. Op 11 juli 1302 vochten naar verluidt aan de 'Belgische' zijde ook Zeelandse ridders mee onder aanvoering van ene Jan van Renesse. Coppé omschreef in zijn toespraak de bruid als "een afstammelinge van een roemrijke familie uit de Vlaamse annalen, die sinds 1302 niets meer gedaan heeft". Stamvader Renesse was in alle staten, daagde Coppé bijna uit tot een duel. In 1951 kon dat nog perfect. De Belgische wet ter zake is pas recent afgeschaft.

In dat België richt Baudouin de Grunne zijn taalgemengde politieke lijst van de burgemeester, Gemeentelijke Eendracht, op. Op het moment dat Guillaume Vandervorst via die weg in 1971 in de gemeentepolitiek stapt, is er niet alleen op het platteland maar ook in de Belgische wet al veel beton gestort. Ter 'pacificatie' van dit land waar mensen met een verschillende moedertaal moeten samen werken en leven. In 1963 werd de taalgrens vastgelegd. Vlaanderen vond dat nodig, al sinds de jaren dertig. De vele dialecten die samen het 'Vlaams' werden genoemd, zouden misschien nog wel enkele generaties hebben overleefd als straattaal, maar het sterkere Frans zou de voertaal geworden zijn.

Nog in de jaren vijftig was het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) voor vele Vlamingen iets ongewoons, een stijf wit hemd dat over een doordeweeks lijveke moest worden getrokken. Dat was de taal van Voltaire natuurlijk ook voor het gros van de Vlamingen, maar dat het op z'n minst een taal wás, daar twijfelde geen Belg aan. Van het Nederlands wist men dat toen nog niet zo zeker. Dat het, zoals het Frans, een vehikel voor school, werk en commercie kon en moest worden in België, dat kwam nog niet in alle geesten op. Het Frans vloeide, het Nederlands kraakte en harkte zoals in de stem van Jan Boon die de N.I.R., de voorloper van de Belgische Radio en Televisie, mee uit de grond stampte. Het is zijn zoon, Herman, die vanaf 1 februari de mis zal opdragen in Sint-Pieters.

Het Nederlands had in België een couveuse nodig, een vaste lap grond waar het kon bloeien zonder door het Frans overwoekerd te worden. Jaar na jaar schoof de cultuurhistorische taalgrens noordwaarts, als een olievlek. Dus werd ze in 1963 afgeblokt door een politieke grens. Wezembeek-Oppem en vijf andere gemeenten in de groene gordel rond Brussel vormden eerst nog enkele jaren een apart eilandje rond de hoofdstad, maar in 1970 - jaar waarin premier Gaston Eyskens (CVP) ietwat voorbarig het unitaire België dood verklaarde - kwamen ze ook "eens en voor altijd" in Vlaanderen te liggen. Omdat er tegen die tijd al zoveel Frans werd gesproken, kwamen er evenwel 'faciliteiten': het bestuur en andere openbare diensten van de gemeente moesten zich te allen tijde tot de Franstalige inwoners kunnen wenden in hun moedertaal.

"De eerste inwijkelingen kwamen er in de jaren dertig door de aanleg van de spoorlijn Brussel-Tervuren", vertelt Guillaume. "Ze bouwden op de landbouwgronden die burgemeester Xavier de Grunne al in de jaren twintig had laten onteigenen of opkopen door Electrobel, de voorloper van Electrabel. Toen de trein er kwam, stegen die gronden in waarde. Daar kwam de wijk Bel Air. Er kwamen ambtenaren uit Brussel wonen. Envoyéekes, zoals we ze noemden. Ze kwamen hier om te slapen en te eten, maar namen niet deel aan het verenigingsleven.

"In 1970 waren de Franstaligen met zo'n 35 à 40 procent, vandaag is dat gemakkelijk het dubbele. De Vlamingen sterven uit. De jongeren verlaten de gemeente, en er komen Franstaligen in de plaats. In Klein Holland, vroeger een hoofdzakelijk Vlaamse wijk, hoor je nu vooral Frans. En Duits. Er zijn vandaag meer Duitsers in Wezembeek-Oppem dan tijdens de oorlog. Maar we hebben er minder last van. Integendeel, de turnclub van de Kristelijke Werknemers Beweging (KWB) mag de gymzaal van de Duitse school gebruiken."

In 1994 waren Baudouin de Grunne en de lijst Gemeentelijke Eendracht uitgespeeld. Vlamingen en Franstaligen kwamen apart op, respectievelijk met Democraten Wezembeek-Oppem (DWO) en Union des Francophones (UF). Ze vormden eerst samen een coalitie, maar DWO stapte eruit omdat UF de rondzendbrief-Peeters naast zich neerlegde. Met die brief wilde de Vlaamse regering de Franstalige gemeentebesturen in de rand verplichten om niet langer automatisch alle paperassen in het Frans te bezorgen aan hun inwoners. Nederlands is de voertaal van Vlaanderen, en wie in die gemeenten zijn officiële papieren in het Frans wil, moet daar telkens opnieuw uitdrukkelijk om verzoeken. Bij de eerstvolgende verkiezingen, in 2000, haalde UF, met François van Hoobrouck d'Aspre de absolute meerderheid.

"Als je de Vlaamse belangen écht wilt verdedigen, moet je op een tweetalige lijst gaan staan", besluit Guillaume Vandervorst. "Dat is toch zo klaar als een klontje? De Vlamingen hebben François van Hoobrouck gemaakt, zoals in Voeren de gebroeders Happart. Kom dan niet klagen dat ge gepest wordt!"

Maar de tijd van Guillaume is ingehaald door de communautaire architectuur van het land. Behalve in Brussel tolereerden de politieke krachten die de staatshervormingen uittekenden, geen flou artistique meer op en rond de taalgrens. Niet dat ze tegen twee- of meertaligheid waren, maar wel tegen dat mengtaaltje dat er op en rond de taalgrens heerste: dat particuliere, Belgische mengsel van Frans, een beetje gekuist Nederlands en wat Vlaamse dialecten. Omdat, zo leerde de ervaring van de jaren dertig tot vijftig, dat finaliter toch uitmondde in dominantie door de overheersende taal en cultuur en dus verfransing.

In Wezembeek-Oppem verdwijnt het Belgische mengsel met het dorp zelf, het gaat op in de stad, in een federaal en eigenlijk zelfs nu al sterk confederaal land. Het verdwijnt over de ganse taalgrens samen met de generatie die de zestig ver voorbij is. De kleinkinderen zijn eentalig Frans of Nederlands. Als ze tweetalig worden, is het in de eigenlijke betekenis van het woord: dan leren ze er naast hun moedertaal een tweede standaardtaal bij. Niet op straat, maar op school. Twee talen, Frans en Nederlands, die niet meer langer alleen op papier, maar ook in de geesten van de Belgen erkende standaardtalen zijn.

Ondanks het overweldigende aantal Franstaligen in Wezembeek-Oppem moet je al ver gaan zoeken om vandaag nog een franskiljon te vinden die meent dat het Nederlands géén cultuur- en standaardtaal zou zijn. Je vindt er makkelijker kansarme, Franstalige jongeren die Nederlands willen leren. Niet langer omdat dit, à la de Grunne, nodig zou zijn om contacten te leggen met de 'autochtone' Vlaamse "landbouwers en arbeiders", maar om zelf een job te vinden in dit stadsdorp, of over de bruggen, in de hoofdstad.

III. het plakkertje van kapitein Haddock

Of en wanneer hij een cursus Nederlands kan volgen, vraagt een jonge Franstalige adolescent aan de balie van het Vlaams Gemeenschapscentrum De Kam. De Kam is een van de zes centra die tien jaar geleden in de Brusselse randgemeenten door de Vlaamse regering met veel poen werden opgezet om de "positie van de Vlamingen" te versterken. En om diensten te verlenen die de Franstalige burgemeesters nalaten uit balorigheid, enkel en alleen omdat die diensten van Vlaanderen komen. Daarom staat de WIS-computer van de VDAB bijvoorbeeld niet in een gemeentelijk lokaal, maar in De Kam.

"Vandaag zijn er zo'n honderd Franstalige taalcursisten", zegt centrumverantwoordelijke Marc Snoeck. "En de afgelopen jaren krijgen we ook almaar meer 'internationalen' over de vloer. Ook de burgemeester komt af en toe naar een tentoonstelling, maar door de klassieke taalpolitieke stellingen blijft het water voor dat segment van de bevolking toch vrij diep."

Bizar, ondanks de vele bruggen is de communautaire polarisering de afgelopen jaren alleen maar toegenomen. En dat viel samen met de verscherping van de Vlaamse politieke stellingen, door onder meer de rondzendbrieven van Leo Peeters. Ook Jean-Pierre Butaye, een jong gemeenteraadslid voor het christen-democratische cdH, ziet die paradox. "Het gros van de Franstaligen heeft geen voeling meer met die oude communautaire strijd. Ze sturen hun kinderen meer en meer naar Nederlandstalige scholen, er is zelfs een comité van Franstalige ouders dat ijvert voor tweetalig onderwijs, wat in België nog altijd niet officieel kan. Hoe komt het dan, vraag ik me af, dat ondanks die evoluties toch zoveel mensen op Union des Francophones stemmen en niet langer op de tweetalige lijst van Gemeentelijke Eendracht?"

"In de dagelijkse praktijk verloopt het leven hier in de gemeente tweetalig en met het Engels erbij zelfs drietalig", zegt ook lokaal cdH-voorzitter Jean-René Degand. "In de winkel, bij de apotheker of de dokter. De problemen komen van buitenaf, van mensen die nog altijd in schema's van de jaren vijftig denken. Zowel de Franstalige als Nederlandstalige inwoners hebben daar de buik van vol."

"Het liet zich toch raden dat de rondzendbrief-Peeters een averechts effect zou hebben, dat het de francofone scherpslijpers weer zou versterken?", zegt Butaye. "Nu en dan komt het communautaire hier aangewaaid. Het is irritant, het kleeft op een werkelijkheid die geen uitstaans meer heeft met het Belgique à papa waar dat communautaire nog altijd op voortbouwt. Het is zoals in dat album van Kuifje waar kapitein Haddock bladzijden lang achtervolgd wordt door een plakkertje. Waar hij ook staat of gaat, het belandt altijd weer op zijn neus of vingers."

PS-voorzitter Elio Di Rupo noemt de taalwetten van 1960 een historische vergissing. En al in de jaren dertig zou een kans gemist zijn om België naar Canadees model integraal tweetalig te maken. Klinkt goed, maar slaat nergens op. Tussen 1930 en 1960 waren die wetten nodig, want tweetaligheid toen zou op het terrein feitelijk verfransing betekend hebben. Het Vlaams lag gewoonweg onder. Wel waar is dat het vandaag misschien een vergissing is om te denken dat die wetten eeuwigheidswaarde moeten hebben.

Dat blijft vooralsnog vloeken in de Vlaamse kerk, want daar heeft de bril nog altijd maar twee glazen, geel-rood en zwart-geel. Denken dat je door na veertig jaar de faciliteiten af te schaffen vooralsnog Franstaligen in de rand zou kunnen 'vervlaamsen', getuigt wel van extreme blindheid. Het zal niet gebeuren, zoals ook de Vlamingen zich niet langer laten 'verfransen'. In het beste geval worden beide groepen gewoonweg tweetaliger, los van de communautaire, staatkundige connotaties.

"De taalwetten hebben hun werk gedaan voor het gros van de provincies", zegt Jean-René Degand. "Daar is het nu tenminste duidelijk, Vlaanderen en Wallonië, Nederlands en Frans. Maar Brabant is een embroglio. Het mocht niet volledig tweetalig zijn, en het kan niet eentalig Nederlands of Frans zijn. Als de internationale inwoners van Wezembeek ons bezig zien, met die cinema rond pastoor Verstraeten of die rondzendbrieven, denken ze dat wij Belgen wel degelijk gek zijn. En misschien hebben ze geen ongelijk. Kan er iemand één reden verzinnen waarom het op deze kluit niet mogelijk zou zijn om over de taalgrens heen de overlast van Zaventem of van de Ring aan te pakken?"

Ban-Eik. Eendere huizen, enkele grote blokken en garageboxen. Een oudere klusjesman van de gemeente herstelt in de vrieskou voor de zoveelste keer een lamp. "Vandalisme". Het is een oud-Belg, van voor 1963, hij behoort tot de generatie van de mengelaars. "Mijn grootvader kwam van Herent, mijn grootmoeder van Tervuren. Ze zijn naar Wallonië getrokken om te werken. Daar hebben ze Frans geleerd en daarna zijn ze afgezakt naar deze contreien. Ik heb hier Nederlands geleerd."

Ban-Eik is de armste wijk van Wezembeek-Oppem en omstreken. In schril contrast met wat wel eens het Beverly Hills van de eurocraten wordt genoemd. In de blokkendozen wonen voornamelijk Franstaligen. Weer een cliché dat op de vuilnisbelt van de communautaire geschiedenis mag: het cliché van de Brusselse rand waar ingeweken Franstalige bourgeoisburgers de 'eenvoudige' Vlamingen verdringen.

Deze wijk vertelt een ander verhaal. Er is niets. Hij lijkt op een van die vele troosteloze wijken in Noord-Belfast, maar dan zonder muurschilderingen. De tralies van de enige superette in de wijk zijn onlangs voorgoed neergelaten. Tot voor kort was er ook een markt, maar ook die is opgedoekt. Niemand doet hier nog voor iemand de boodschappen ofte commissies. Het schooltje is triest, en overal zie je sporen van vernieling en brandstichting.

Sinds enkele maanden heeft het OCMW er een kringloopwinkel. 'Het magazijn/Le magasin'. Eén blok is recent gerenoveerd, een tweede volgt nog. Maar de bewoners morren toch, want ze moeten er straks tijdelijk uit en niemand kon hen tot nu toe vertellen waar ze heen moeten. Het is de grootstad, een faubourg ervan.

Een terugflits, één kilometer verder in dezelfde gemeente. Het is donderdagochtend. In het oudste café van de gemeente, café Iö Vivat, op een steenworp van de Sint-Pieterskerk, zwaait de achterdeur open. Sylvain Vangrunderbeek stapt binnen met in zijn kielzog twee 'kraaien', handlangers. In de kerk wordt afscheid genomen van Pierke. Net genoeg tijd voor de begrafenisondernemer om zich even te versterken. Buiten staat de thermometer op min zeven. Borrel op en direct weer de voordeur uit, want ook Pierke moet nu snel worden besteld. Voor er geen spade meer in de bevroren aarde kan worden gedreven.

"Weet je wat nog de beste oplossing ware geweest voor die affaire met pastoor Jos?", zei Sylvain daags voordien. "Dat ze alle missen voortaan weer in het Latijn zouden doen. Maar ja, dan kwam er natuurlijk niemand meer over de vloer."

Wie kent er nog Latijn in dit stadsdorp? Wat betekent in godsnaam Iö Vivat? Het komt uit een Hollands studentenlied dat naar verluidt in de negentiende eeuw naar België overwoei. En het refrein gaat zo: "Ons leven is niet lang genoeg en 't bitter einde komt te vroeg. Gezondheid, ha! (Iö Vivat dus, FR) Gezondheid, ha! Wie ons ter harte gaat."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234