Donderdag 21/10/2021

Onbewogen als de Borobudur

'Een vaderlijke glimlach en staalharde ogen, waarin geen emotie te bespeuren valt'

Dirk Vlasblom HHET EINDE VAN 'Vader' Soeharto en de indonesische familiestaat

Soeharto was een meester in machtspolitiek en mystificatie. Tijdens zijn lange mars naar het hoogste ambt koos hij in conflicten steeds de winnende kant. Daarbij gaf hij geen blijk van grote beginselvastheid, wel van een niets ontziende koelbloedigheid. In crisissituaties veinsde hij passiviteit en wikte hij zijn kansen. Zo provoceerde hij zijn tegenspelers tot overhaaste stappen, om vervolgens keihard toe te slaan. Achteraf ontstond de indruk alsof het lot deze nederige boerenzoon uitverkozen had voor het steeds hogere.

Soeharto werd geboren op 8 juni 1921 in Kemusuk, een gehucht op twaalf kilometer van Yogyakarta, de hoofdstad van een der Midden-Javaanse 'Vorstenlanden'. Vader Kertosudiro was er ulu-ulu, een dorpsfunctionaris die verantwoordelijk is voor de bevloeiingswerken, een bescheiden maar belangrijke taak in een gemeenschap die draait om natte rijstbouw. Het was geen gemakkelijke jeugd. Een paar weken na zijn geboorte werd moeder Sukirah ziek en werd de baby toevertrouwd aan de plaatselijke vroedvrouw, Mbah Kromodiryo, een zuster van zijn grootvader. Kort daarop gingen vader en moeder uit elkaar, beiden hertrouwden. Van Mbah Kromo leerde Soeharto lopen. Als driejarige ging hij terug naar zijn moeder, die haar tweede man zeven kinderen zou baren. Toen Soeharto acht was, kwam vader Kertosudiro hem halen en werd hij toevertrouwd aan zijn tante. De jongen moest verhuizen naar de desa Wuryantoro, waar hij de lagere school afmaakte. In de hoofdstad van het regentschap volgde hij voortgezet onderwijs aan een islamitisch internaat. Het zijn waarschijnlijk deze nomadische kinderjaren en zijn tweederangspositie als stief- en pleegzoon die Soeharto zijn sterke familiezin hebben bijgebracht: dat zou zijn kinderen niet overkomen. Tot zijn negentiende jaar was Soeharto's wereld beperkt tot het vooroorlogse Midden-Java: een onwrikbare orde, waar iedereen - boeren, ambtsadel en vorsten - zijn vaste plaats had en het leven gehoorzaamde aan het ritme van de rijst: puddelen, planten, wieden en oogsten. Op hoogtijdagen keek de jongen urenlang naar de wayang kulit, het schaduwtheater met leren poppen dat eeuwenoude verhalen vertelt over helden en goden. Uit de verte was hij getuige van de nadagen van het Javaanse koningschap. In Yogyakarta en Surakarta hielden de sultan en de susuhuna, twee nazaten van het huis Mataram, nog op grootse wijze hof, zij het onder curatele van de Nederlandse gouverneur-generaal in Batavia. Van zijn pleegvader Prawirowihardjo, de landbouwvoorlichter van Wuryantoro, leerde de jonge Soeharto niet alleen de grondbeginselen der agronomie, maar kreeg hij ook onderricht in de Javaanse wereldbeschouwing. Van zijn oom moest Soeharto op maandagen en donderdagen vasten, mediteren en buiten slapen onder de dakrand. Soeharto: "In die tijd leerde ik de aja , de drie verboden: aja kagetan, aja gumunan, aja dumeh (schrik niet, verbaas je niet en meet je geen houding aan)," het Javaanse ideaal van onbewogenheid en nederigheid. Soeharto heeft die onbewogenheid ontwikkeld tot een methode om macht uit te oefenen over mensen. Wat eenieder bijblijft die Bapak heeft ontmoet, is de combinatie van een vaderlijke glimlach en staalharde ogen, waarin geen enkele emotie te bespeuren valt. Volstrekte ongenaakbaarheid, de Borobudur - de wereldberoemde boeddhistische tempel op Java - in mensengedaante. Die nederigheid leerde hij hanteren als een mystificatie van zijn macht.

In 1940 liet de werkloze schoolverlater zich inschrijven aan de rekrutenopleiding van het Koninklijke Nederlands-Indische Leger. Toen hij de Kaderschool van het KNIL met de rang van sergeant verliet, was Japan zijn offensief tegen Nederlands-Indië begonnen en werd Soeharto gedetacheerd bij het hoofdkwartier van de landmacht in Bandung. Een week later, op 8 maart 1942, capituleerde het KNIL. Soeharto weigerde zich met de Hollanders te laten interneren, ruilde zijn uniform voor burgerkleren en stapte op de trein naar huis.

Tijdens de Japanse bezetting nam hij dienst bij de politie; hij beëindigde de drie maanden durende opleiding als eerste van zijn klas. Op aanraden van een politieofficier sloot Soeharto zich aan bij het pas opgerichte vrijwilligersleger onder Japanse leiding, de PETA, de 'Beschermers van het Vaderland', waarbij hij wijselijk verzweeg dat hij in het KNIL had gediend. In de PETA klom hij op tot de rang van pelotonscommandant.

Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Het bericht dat de nationalisten Soekarno en Mohammad Hatta op 17 augustus in Jakarta de onafhankelijke Republiek Indonesië hadden uitgeroepen bereikte Soeharto pas veel later, in Yogyakarta. De sultan van Yogya, Hamengku Buwono IX, betuigde zijn steun aan de republiek, de jonge Soeharto verzamelde zijn oude PETA-peloton en het groepje sloot zich aan bij het republikeinse politieleger. Dit was het begin van zijn loopbaan bij de strijdkrachten van Indonesië. Soeharto's actieve deelname aan de strijd bezorgde de halfgeschoolde boerenzoon na de onafhankelijkheid een plaats in het nieuwe officierenkorps. Niemand behalve Soeharto zelf weet wat hem bewoog om te trouwen met een meisje van stand. Hijzelf suggereert dat het niet zijn idee was, maar ook dat kan een mystificatie zijn. Zijn pleegmoeder zou hem hebben geattendeerd op Hartinah ('Tien'), die in Wuryantoro op dezelfde lagere school zat, maar twee klassen lager. Zij was de dochter van de wedana, een lid van de lagere ambtsadel en een verre nazaat van een Solonese prins. Soeharto beweerde later dat hij deze keuze wat te hoog gegrepen vond en dat ook uitsprak: "Moeder, vinden haar ouders dat wel goed? Ik kom uit de kampong en zij is ningrat, van adel." Wellicht had het ouderpaar een vooruitziende blik: de officier won Hartinahs hand. In de jaren vijftig werd de eenheid van de jonge republiek bedreigd door regionale opstanden. In het zuiden van Sulawesi voerde overste Soeharto het bevel over de Mataram-brigade, die de rebellie van de Buginese kapitein Andi Azis en zijn voormalige KNIL-troepen genadeloos neersloeg. Het brigadehoofdkwartier was gevestigd in Makassar, het huidige Ujung Pandang. Daar vonden de Javaanse soldaten een welkom onthaal in de woning van de ambtenaar Alwi Abdul Habibie. De vrouw des huizes stamde uit Yogya, zij kookte voor de jongens en had, volgens hardnekkige geruchten, een verhouding met hun commandant. Toen de oude Habibie een hartaanval kreeg, stond Soeharto aan zijn sterfbed; hij regelde ook de begrafenis. De dertienjarige zoon van de overledene, Bacharoeddin Jusuf Habibie, zou de overste uit Java nooit vergeten. Hij werd Soeharto's opvolger als president.

In maart 1956 kreeg Soeharto een staffunctie in Semarang, het hoofdkwartier van het militaire territorium Midden-Java. Zijn aanstelling tot commandant, zeven maanden later, zou hij te danken hebben aan de inlichtingenofficier ter plaatse, Yoga Sugama. In zijn memoires vertelt Sugama dat hij Jakarta's kandidaat voor het territoriale commando een potentiële splijtzwam achtte, terwijl het garnizoen het hoofd moest bieden aan "communistische ondermijning van het kader". Samen met enkele geestverwante officieren zinspeelde Sugama op "grote militaire onrust in Midden-Java" als men niet zou instemmen met de kandidatuur van luitenant-kolonel Soeharto. 'Jakarta' had al genoeg aan het hoofd en Soeharto werd commandant met de rang van kolonel. Een machtsgreep in het klein, niet van Soeharto zelf - natuurlijk niet - maar van gedreven getrouwen. Na de onteigening van Nederlandse bedrijven in 1957 brachten Soeharto en zijn mede-officieren de Midden-Javaanse plantages en suikerfabrieken onder in een stichting. Die zette een profijtelijke handel op, waarbij de suikeropbrengst van bedrijven werd geruild tegen schaarse rijst. Het clubje officieren dreef zwarte handel met Singapore en verzorgde de foerage in nauwe samenwerking met Chinese leveranciers. In Semarang raakte Soeharto bevriend met een Chinese immigrant, Liem Sioe Liong, die voedsel, kleding en medicijnen leverde aan het regionale commando. De kongsi van beide mannen zou later een centrale rol spelen in het 'economische wonder' van de Nieuwe Orde. In 1959 stelde het legerhoofdkwartier een onderzoek in en de inspecteurs repten van corruptie. Naar goede Javaanse gewoonte werd de betrokkenen gezichtsverlies bespaard: de ondernemende officieren werden niet veroordeeld, maar elders aan werk geholpen.

President Soekarno gaf de Indonesische politiek aan het einde van de jaren vijftig een autoritaire wending. In 1959 ontbond hij de Grondwetgevende Vergadering, hij herstelde de constitutie van 1945 in ere en voerde een presidentieel bewind in onder de eufemistische naam "geleide democratie". In de jaren daarna raakte Indonesië in de greep van een krachtmeting tussen het leger en de communistische PKI, met president Soekarno als machtige arbiter. Het machtsevenwicht was labiel. De strijdkrachten werden verlamd door tegenstrijdige impulsen: een meerderheid beschouwde de PKI als een bedreiging voor de staat en zinde op een afrekening, maar de legertop was - onder voorbehoud - loyaal aan Soekarno. De PKI had een miljoenenaanhang, maar was onder Soekarno salonfähig geworden en had ingeboet aan revolutionaire stootkracht. De president kon rekenen op een immense populariteit en dat stelde hem in staat de rivalen tegen elkaar uit te spelen. Het gerucht ging echter dat Soekarno ernstig ziek was. De twee kampen verdachten elkaar van putsch-plannen voor het geval de scheidsrechter het speelveld zou verlaten.

In 1965 was de in het buitenland nog onbekende generaal-majoor Soeharto commandant van de Kostrad, de Strategische Reserve, een elite-eenheid van de landmacht met haar hoofdkwartier in Jakarta. Hij was op het juiste moment op de juiste plaats. In de nacht van 30 september op 1 oktober lichtten gewapende mannen, gekleed in uniformen van de presidentiële garde, in Jakarta zeven generaals van hun bed. Drie werden ter plaatse doodgeschoten en drie anderen levend ingerekend. Alleen generaal A.H. Nasution, stafchef van de strijdkrachten, wist te ontkomen. De levenloze lichamen van de andere zes werden drie dagen later aangetroffen in het Krokodillengat, een put ten zuiden van de hoofdstad.

Intussen maakten twee bataljons uit Midden- en Oost-Java zich meester van strategische posities in de stad. Even na zevenen meldde Radio Jakarta dat de Dertig Septemberbeweging onder leiding van luitenant-kolonel Untung, een officier van het presidentiële-garderegiment, op eigen initiatief een 'generaalscoup' tegen het staatshoofd had verijdeld en een Revolutionaire Raad had gevormd.

Generaal-majoor Soeharto stond niet op de dodenlijst van de samenzweerders, een even opvallende als noodlottige omissie. Een van de weinige complotteurs die de onderneming overleefden, kolonel A. Latief, verklaarde later dat hij Soeharto tevoren op de hoogte had gesteld van de coupplannen. Als hij gelijk heeft, pleegde de generaal hoogverraad door deze kennis voor zich te houden. Toen de teerling eenmaal was geworpen, toonde Soeharto zich opmerkelijk koelbloedig. In de vroege morgen van 1 oktober haastte hij zich naar het Kostrad-hoofdkwartier. Daar luisterde hij naar de radio-uitzending van de rebellen en begon hij met ijzige kalmte de schaarse informatie te ordenen. Via militaire communicatiekanalen zocht Soeharto contact met andere officieren, onder wie de lichtgewonde Nasution, en verzekerde zich van hun steun. Vervolgens opende hij onderhandelingen met de commandanten van de beide opstandige bataljons; tegen de avond gaven zij zich over. Hun stellingen werden overgenomen door Kostrad-troepen en de volgende morgen bezetten paracommando's het rebellenhoofdkwartier op het vliegveld Halim. Binnen een dag was de coup voorbij en was de Kostrad-commandant in feite legerleider. Op 14 oktober zwichtte Soekarno voor dit voldongen feit en hij stelde Soeharto aan tot opperbevelhebber van de landmacht.

De communistische elementen in het officierenkorps kwamen als overwinnaars uit de crisis en konden zo hun versie tot officiële lezing verheffen: de PKI had een gooi gedaan naar de macht. Dat de PKI-top de coup afdeed als "een interne afrekening binnen de strijdkrachten" kon de partij niet behoeden voor een bloedige liquidatie. De paracommando's van generaal Sarwo Edhie Wibowo, die Halim hadden veroverd op de rebellen, rukten medio oktober uit naar Midden-Java om de aanhangers van de coup te elimineren. Sarwo Edhie's troepen doodden duizenden Javaanse dorpelingen die werden verdacht van communistische sympathieën. Het bloedbad dat vervolgens Java, Bali en delen van Sumatra overspoelde, werd weliswaar bekwaam geregisseerd door plaatselijke legercommandanten, maar was geen louter militaire operatie. Het was ook een uitbarsting van razernij onder moslimjongeren en boeren. De communisten, zo lieten legerwoordvoerders niet na te beklemtonen, vreesden God noch gebod en dreigden zich te vergrijpen aan het kleine eigendom. Zij waren durhaka, een in Indonesische ogen vernietigende aanduiding voor iedereen die in opstand komt tegen het goddelijke, wettige of ouderlijke gezag. Zeker een half miljoen Indonesiërs vond de dood in dit inferno. De mislukte putsch maakte definitief een einde aan Soekarno's gekoesterde machtsevenwicht. De linkerzijde, met nationalisme en islam één van de hoofdstromen van de Indonesische revolutie tegen het Hollandse gezag, werd uitgemoord, verbannen of anderszins de mond gesnoerd. De strijdkrachten manoeuvreerden zich in het centrum van de macht en die positie behouden ze tot de dag van vandaag.

In de eerste maanden na de mislukte coup toonde Soeharto zich een behoedzaam tacticus. Hij weefde geduldig netten waar anderen in verstrikt raakten, totdat hij uiteindelijk de vangst kon binnenhalen. De studenten en scholieren die na 1 oktober de straat opgingen om het aftreden van Soekarno te eisen, speelden hem ongewild in de kaart. Soeharto wenst de wereld te overtuigen dat hij de macht niet heeft gegrepen, maar hem langs constitutionele weg kreeg aangereikt. Soekarno zag het tij keren. Soeharto-getrouwe legeronderdelen gaven het massale jongerenprotest alle ruimte en op 11 maart 1966 werd het staatspaleis omsingeld door paracommando's. De president vluchtte ijlings naar zijn buitenverblijf in Bogor, waar hij nog diezelfde avond bezoek kreeg van drie generaals die hem in opdracht van Soeharto een ultimatum overhandigden. Na een twistgesprek tekende de president een order waarin hij generaal Soeharto machtigde "alle noodzakelijke stappen te ondernemen om rust en orde te verzekeren en een stabiele afwikkeling van het landsbestuur te waarborgen".

Het was een sluipende staatsgreep. Soekarno mocht nog een jaar aanblijven, maar had geen enkele macht meer en sleet zijn laatste maanden onder huisarrest. Tijdens de zittingen van het Volkscongres in 1967 en 1968, die Soeharto achtereenvolgens tot waarnemend en volwaardig president benoemden, waren de studenten die Soekarno hielpen afzetten schromelijk ondervertegenwoordigd. Een historische les die de huidige bezetters van het parlement ter harte zouden moeten nemen.

Soeharto's programma was van meet af aan duidelijk: de economie opbouwen in een politiek stabiele omgeving. De methoden waarmee hij als commandant van Midden-Java had geëxperimenteerd kon hij nu loslaten op het hele vaderland. Hij predikte geen revolutie, maar de terugkeer naar een gemystificeerd Javaans verleden. De grondwet van 1945, die in de woelige revolutiejaren werd geschreven en uit democratisch oogpunt zeker geen schoonheidsprijs verdient, werd tegelijk heilig verklaard - de grote macht van de president moet Soeharto, net als zijn voorganger, hebben aangesproken - en ruim uitgelegd als de legale dekmantel voor een paternalistisch harmoniemodel. De belangrijkste parlementaire spelregel werd "op overeenstemming gericht overleg". Dit consensusbeginsel, doorgaans aangeduid als 'saamhorigheid' en 'familiezin', zou zijn ontleend aan de Javaanse dorpsdemocratie. Maar wat in het klein geldt, gebeurt ook in het groot: bij uitblijvende overeenstemming heeft het dorpshoofd het laatste woord. In een lichaam dat weigert te stemmen, gaat de tegenstem verloren en uiteindelijk richt de familie zich naar 'Bapak'.

Soeharto wilde niet dat zijn Nieuwe Orde een herhaling werd van de "twistzieke" jaren vijftig, toen de staat desintegreerde terwijl het parlement debatteerde. Alle regionale, religieuze en partijpolitieke verdeeldheid moest worden uitgebannen onder de vleugels van de Familiestaat, met één ideologie, één loyale bureaucratie en één vaderlijke leider. Alle ambtenaren en resterende massaorganisaties werden ondergebracht in een corporatistische koepel, de 'Golkar' (acroniem voor 'Golongan Karya', functionele groepen). De partijen op nationalistische en religieuze grondslag werden bij de verkiezingen van 1971 weggevaagd door Golkar - zo gaat dat als het staatsapparaat zelf partij is - en hun drastisch geslonken fracties werden gedwongen te fuseren in twee combinaties: de nationalistisch-christelijke Partij voor Indonesische Democratie (PDI) en de islamitisch georiënteerde Eenheidspartij voor Ontwikkeling (PPP). De boerenzoon met het gezonde verstand bemande zijn kabinetten met loyale generaals en technocraten: de eersten zorgden voor binnenlandse rust, de laatsten voor opbouw van de economie. Daarbij putte Soeharto uit het kennisreservoir aan de 'Universitas Indonesia', waar een generatie westers opgeleide economen stond te trappelen om aan de slag te gaan. Een van hen was professor Emil Salim, die zich enkele maanden geleden gedesillusioneerd aansloot bij de oppositie. Zo verwierf Soeharto zich de erenaam Vader van de Opbouw. Op het platteland van Java, waar in de jaren zestig nog werd gehongerd en gemoord, werd de rijstprijs gestabiliseerd, stegen de inkomens, maar verdwenen boerenbonden en partijafdelingen. De inflatie werd beteugeld, de schulden gesaneerd. Dat alles wekte vertrouwen in het Westen. De aangeboden leningen overtroffen de vraag en uit de sawahs verrezen fabriekshallen. De studenten die in 1966 demonstreerden voor brood en democratie lieten hun tweede eis vallen en gingen in zaken. Zakendoen werd een nationale sport voor de beter gesitueerden, van generaals tot ministers. Etnisch-Chinese ondernemers als Sudono Salim (Liem Sioe Liong) en Bob Hasan (The Kian Siang), die in de jaren zestig goede zaken hadden gedaan met het militaire commando van Midden-Java, verwierven onder Soeharto concessies en monopolierechten en bouwden imperia op in de voedsel-, hout- en bouwbranche. In Soeharto's Familiestaat werden ook de kinderen van de president bevangen door de zakenkoorts. De door hen opgerichte conglomeraten behoren, dankzij concessies en overheidsopdrachten, tot de toptwintig van 's lands bedrijfsleven.

De Familiestaat zou uiteindelijk bezwijken onder twee aanzwellende golven, die niet te keren bleken. De eerste was de mondialisering van de wereldeconomie, waardoor de geprotegeerde kongsi' s van de Nieuwe Orde werden blootgesteld aan internationale druk en concurrentie. De tweede werd in februari zichtbaar in de gedaante van om reformasi roepende studenten. Hun boodschap laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Indonesië is onder de Nieuwe Orde volwassen geworden, zijn burgers zijn veel beter geschoold en zijn het oude paternalisme beu. Verdiensten of niet, vaders worden niet gekozen.

© NRC Handelsblad / De Morgen

Onder Soeharto werd 'zakendoen' een sport voor beter gesitueerden, generaals of ministers

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234