Donderdag 29/07/2021

‘Onafhankelijk blijven is dé uitdaging’

In 1994 werkte de Brit Christopher Stokes als vrijwilliger voor Artsen zonder Grenzen België tijdens de Rwandese genocide en de eerste Tsjetsjeense oorlog. Op de dertigste verjaardag van zijn hulporganisatie buigt hij zich vandaag als algemeen directeur over de humanitaire uitdagingen van de 21ste eeuw, tussen terreinbezoeken aan Pakistan en Haïti in. ‘Om de bevolking te helpen moet je met iedereen onderhandelen, ook met de taliban.’

door maarten rabaey

p 25 november 1980 richtte een groepje jonge Belgen, vooral artsen, de Belgische afdeling van Artsen zonder Grenzen op. Vandaag is ze een van de grootste afdelingen van de internationale ngo, met 110 projecten in een dertigtal landen, met 600 internationale en 6.000 lokale medewerkers. Samen verrichtten ze in 2010 meer dan 2 miljoen medische consultaties. Meer dan 70.000 patiënten werden opgenomen in een ziekenhuis, en meer dan 60.000 aids-patiënten kregen een behandeling met aidsremmers.

Dertig jaar geleden waren jullie pioniers, vandaag zijn jullie een multinational in een hulpindustrie waar een bikkelharde concurrentiestrijd woedt. Ngo’s planten hun vlag bij een groep ontheemden, de happy few krijgen hulp, de rest blijft in de kou...

Christopher Stokes: “Ook wij hebben ons in het verleden soms te veel op de situatie in kampen geconcentreerd waardoor we niet zagen wat er daarbuiten gebeurde. Daaruit trokken we lessen. Ik hoop dat het nu niet de happy few zijn die hulp krijgen maar de happy many. Tegelijk moet ik eerlijk zijn: in chaotische omstandigheden bereik je nooit iedereen.”

Hulp wordt steeds meer gepolitiseerd. U bekritiseerde recent in Foreign Policy andere ngo’s, die meeliften met Pakistaanse en VS-legerheli’s...

“Dezelfde heli’s leveren maandag voedselhulp, en schieten dinsdag op doelwitten. Als je daarin stapt, kies je voor één zijde, maar ook voor valse veiligheid. Op een dag betaal je daar in zo’n conflictgebied een prijs voor. Ook de Verenigde Naties. In Afghanistan kozen ze de kant van de regering-Karzai. Overal in het land hebben ze nu gewapende bescherming nodig. Wij geloven niet in escortes of het ‘shoot to feed’-principe waarbij er eerst gevuurd wordt voor het afleveren van voedselhulp. Wij praten met iedereen. Wij onderhandelen dus in Afghanistan met de regering, met de NAVO, met de VS-legerleiding maar ook met de taliban...”

AzG werd opgericht tijdens de Biafracrisis, vanuit het idee dat neutrale hulp van het Rode Kruis alleen niet genoeg was, maar er ook getuigd moest worden. Zo wordt u toch ook een politieke actor?

“Wij geloven dat je nog altijd onafhankelijk getuigenis kan afleggen als je aan alle actoren uitlegt dat je het zal doen, dat je kritisch zal zijn, en je alleen helpt op medische gronden en niet om politieke redenen. Makkelijk is dat niet. Het is een heel dunne lijn. Als mensen niet begrijpen waarom je er bent, heb je snel een incident...”

Omdat er geen bescherming was, lieten verscheidene AzG-medewerkers in de loop der jaren ook het leven, in 2004 nog de Vlaamse Hélène De Beir in Afghanistan...

“Gewapende escortes redden je ook niet in Afghanistan, integendeel. Kijk wat er vandaag gebeurt. We zijn door onze ongewapende opstelling een van de weinige organisaties die nog actief kunnen zijn buiten Kaboel. De ‘embedded aid community’ zit door haar gewapende houding teruggetrokken in de bunkers van de hoofdstad. Ja, wij zijn kwetsbaarder, maar op lange termijn is onderhandelde toegang de enige manier om ons werk te doen. Als wij met de taliban kunnen onderhandelen over hulp, waarom anderen niet?”

Onderhandelen met gewapende rebellen heeft ook zijn prijs: een zwarte bladzijde in jullie geschiedenis is hoe jullie, en vele andere ngo’s, in de vluchtelingenkampen in Goma in 1994 onbedoeld ook de Interahamwé-milities, de daders van de genocide, voedden en verzorgden. Welke lessen trokken jullie daaruit?

“Ik was toen in Rwanda, in april 1994. We hadden toen enorme discussies binnen AzG over onze inzet. Uiteindelijk beslisten we in 1995 een groot deel van onze diensten terug te trekken omdat de Interahamwé de bijstand controleerden. Voor ons is het cruciaal dat we alleen de burgers bijstaan. Daarom willen we ook expats op het terrein, om te controleren of de hulp niet gemanipuleerd kan worden. Voor ons is het essentieel onze omgeving te analyseren, niet naïef zijn of geloven dat goede intenties alleen genoeg zijn. Je kan altijd gebruikt worden. Nog een voorbeeld in Goma: in 1997 hadden we bewijs dat het Rwandese leger onze radioboodschappen afluisterde om uit te zoeken waar de Hutu-vluchtelingen zaten die ze wilden aanvallen.”

Deze week deed AzG een oproep aan Belgische verplegers om in Haïti mee cholera te bestrijden. Waarom kiest u voor ‘expats’ en niet voor lokaal personeel, wetende dat een ziekte als cholera makkelijk te behandelen is en jobcreatie extreme landen helpt?

“Er is een groot gebrek aan opgeleid, lokaal, medisch personeel. Zij met kwaliteiten verlaten het land of werken in de privésector. Deze mensen weigeren in een choleracentrum te werken, waar de omstandigheden verschrikkelijk zijn. We hebben dus weinig keuze. We proberen niettemin, zoals overal, een ratio van één expat per tien lokale medewerkers te hanteren. We doen enkel een beroep op bijkomend buitenlands personeel als de noden enorm zijn. AzG behandelt 80 procent van de intensive care-cholerapatiënten in Haïti, 16.000 van alle gehospitaliseerde 18.000 patiënten gingen door onze handen. Volgende week zullen er dat nog meer zijn. De cholera zal pieken, zeker omdat honderdduizenden mensen naar de stembus trekken zondag, een mobiliteit die het risico op besmetting vermenigvuldigt.”

Hoe komt het dat AzG de meeste patiënten opvangt terwijl er talrijke andere ngo’s actief zijn?

“We vragen al weken meer steun van andere ngo’s. Geld of gebrek aan personeel mag voor hen geen probleem zijn. Er is voldoende geschonken, er is voldoende personeel. We vragen ons af waarom de respons zo traag is, want wij bereiken onze limiet.”

En hoe komt het dat de Verenigde Naties, aanwezig met een vredesmacht en meerdere agentschappen, het heft niet in handen nemen?

“De VN zijn er om te coördineren. Ze laten anderen werken. Helaas verliezen ze te veel tijd aan inefficiënt, bureaucratisch en tijdrovend overleg. Ze zijn onvoldoende actief op het terrein om alle werk gedaan te krijgen. We gaan enkel naar hun vergaderingen om informatie uit te wisselen maar we worden niet door de VN gecoördineerd. Dat weigeren we. Ik vrees dat de hulpgemeenschap te versplinterd is. In 1999 was ik in Kosovo verbaasd dat er enkele weken later 200 ngo’s aanwezig waren. In Haïti stonden er een maand na de aardbeving 2.000 ngo’s op het terrein. Maar, het probleem is dat slechts weinige daarvan over de juiste capaciteit beschikken. Die blijft beperkt tot enkele grote ngo’s, zoals AzG.”

Zit een deel van het probleem ook niet in een scheefgegroeide relatie tussen ngo’s zoals AzG en lokale hospitalen? Zij klagen dat hun artsen en verplegers gaan werken voor de hulpindustrie...

“De weinige lokale chirurgen in hun publieke hospitalen staan vanwege slechte werkomstandigheden en een chronisch gebrek aan middelen voor verscheurende keuzes, ja. Ik begrijp hun probleem. We zijn er ook mee geconfronteerd. In Haïti trainden we vroeger anestesisten. Velen vertrokken daarna naar de VS of Canada. Om dat te vermijden trainen we nu alleen anestesieverplegers, omdat zij geen anestesist mogen zijn in het buitenland. De meesten van onze chirurgen zijn nu buitenlanders.”

Toch neemt AzG soms de facto de plaats van de publieke zorg in. Is dat geen signaal aan de betrokken staat om zich van zorg niets meer aan te trekken?

“Dat is één van de paradoxen van humanitaire hulp. Wij richten ons daarom alleen op de kwetsbaarsten. Zij zijn meestal de laatsten die door de staat geholpen worden. Maar er is een ambiguïteit, dat geef ik toe. We moeten opletten dat onze vervangingsdienst staten niet deresponsabiliseert. We analyseren onze omgeving voortdurend. Als het land stabiliseert, vertrekken we, zoals nu uit Liberia.”

Meer dan 70 procent van de internationale hulp voor Haïti bereikte nog altijd niet de bevolking. Hoe verklaart u dat?

“De meeste hulpgelden zijn opzijgezet voor langetermijnprojecten. Op het terrein zie je nauwelijks iets veranderen. In een week tijd zie je in Haïti nu soms maar twee bulldozers aan het werk. De hulpoperatie is te bureaucratisch en vertraagt omdat er te veel ngo’s actief zijn. Het is een paradox die ik ook elders zag. In crisissituaties is het soms beter met minder ngo’s te werken die méér slagkracht hebben. Daar moet de hulpsector over nadenken.”

Zijn alle giften aan AzG in Haïti beland?

“In Haïti worden we alleen door privéschenkingen gefinancierd. Negentig procent van alle AzG-hulpgelden zijn privé, in Haïti was dat 100 procent - of een bedrag van om en bij 100 miljoen euro voor de hele organisatie. Daarvan hebben we nu 95 procent uitgegeven, en de komende weken zal alles op zijn. We wachten uit principe nog met een nieuwe oproep. We besteden altijd eerst wat we kregen. Dat geld vloeit nu naar de cholerabehandeling en een nieuw containerhospitaal dat tijdelijk ons verwoest hospitaal vervangt.”

Een minder bekende rol van AzG is jullie invloed als lobbygroep, in de strijd voor goedkope, generische geneesmiddelen voor hiv/aidspatiënten bijvoorbeeld. Investeren jullie daar verder in?

“We wonnen de eerste veldslag, maar de oorlog nog niet. De prijs voor generische eerstelijnsmedicijnen voor hiv/aidspatiënten in arme landen verlaagde met 90 procent, nu zijn we de strijd begonnen om tweedelijnsmedicijnen goedkoper te maken. Er zijn nog gelijkaardige gevechten die we willen aangaan, zoals het streven naar gratis gezondheidszorg voor extreem armen in ontwikkelingslanden. Te veel mensen blijven wereldwijd nog uitgesloten van universele gezondheidszorg.”

Tegen welke uitdagingen kijkt Artsen zonder Grenzen aan in de 21ste eeuw?

“Onze grootste uitdaging is de onafhankelijkheid van onze humanitaire bijstand bewaren. Dat betekent dat we harde keuzes moeten blijven maken. Zo kiezen wij om geen geld te aanvaarden van regeringen die betrokken zijn in een oorlog, zoals Afghanistan. Slechts 9 procent van al onze giften komt van institutionele donoren zoals de EU. Niets van hun geld wordt gebruikt in conflicten, dat is alleen ‘publieksgeld’. Daarom danken we vandaag het publiek en onze vrijwilligers. Zonder hen kunnen we niet onafhankelijk werken.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234