Dinsdag 30/11/2021

'Omrijden? Nooit, zelfs niet tijdens de Balkanoorlog'

Elke zomer zetten ruim 100.000 Belgische Turken koers naar de heimat. Meestal hangt daar de jaarlijkse vakantie aan vast, inclusief een autorit van meer dan 3.000 kilometer. Reporter Erik Raspoet en fotograaf Yann Bertrand rijden mee in de karavaan. Bestemming Emirdag, waar Turkse Belgen thuis zijn en een baksteen in de maag hebben.

rijdag 1 juli. De familie Karakaya is er helemaal klaar voor. Dochter Bitül heeft haar rapport gekregen, de PlayStation van zoon Volkan is geladen. Alle koffers zijn in de BMW X5 gestopt, net als de friteuse waarmee ze de familie in Emirdag willen verrassen. Rifan Karakaya (37) weet wat hem te doen staan als we morgen arriveren. Recht naar de moskee, want vanmiddag is het er niet van gekomen. Gisteren, bij het afscheid van de familie in Oudenaarde, klonk hij nochtans vastbesloten. Voor het vertrek zou hij langs de moskee op de Gentse Beestenmarkt passeren. Niet dat hij zo'n vrome moslim is, hij behoort eerder tot het rekkelijke soort. Maar een autoreis van 3.500 kilometer met vrouw en kinderen onderneem je niet iedere dag. Het gebed was een traditie waar hij niet zou van afwijken. Vanmiddag echter, een uur voor de afspraak bij de moskee, klonk zijn gejaagde stem aan de telefoon. "We zijn al vertrokken, de anderen wilden niet wachten. Kom naar de parking op de E40 bij Leuven." Wij meteen in de auto gesprongen. De Grote Trek naar het Oosten begint met een dolle achtervolging.

rijdag 1 juli. De familie Karakaya is er helemaal klaar voor. Dochter Bitül heeft haar rapport gekregen, de PlayStation van zoon Volkan is geladen. Alle koffers zijn in de BMW X5 gestopt, net als de friteuse waarmee ze de familie in Emirdag willen verrassen. Rifan Karakaya (37) weet wat hem te doen staan als we morgen arriveren. Recht naar de moskee, want vanmiddag is het er niet van gekomen. Gisteren, bij het afscheid van de familie in Oudenaarde, klonk hij nochtans vastbesloten. Voor het vertrek zou hij langs de moskee op de Gentse Beestenmarkt passeren. Niet dat hij zo'n vrome moslim is, hij behoort eerder tot het rekkelijke soort. Maar een autoreis van 3.500 kilometer met vrouw en kinderen onderneem je niet iedere dag. Het gebed was een traditie waar hij niet zou van afwijken. Vanmiddag echter, een uur voor de afspraak bij de moskee, klonk zijn gejaagde stem aan de telefoon. "We zijn al vertrokken, de anderen wilden niet wachten. Kom naar de parking op de E40 bij Leuven." Wij meteen in de auto gesprongen. De Grote Trek naar het Oosten begint met een dolle achtervolging.

rijdag 1 juli. De familie Karakaya is er helemaal klaar voor. Dochter Bitül heeft haar rapport gekregen, de PlayStation van zoon Volkan is geladen. Alle koffers zijn in de BMW X5 gestopt, net als de friteuse waarmee ze de familie in Emirdag willen verrassen. Rifan Karakaya (37) weet wat hem te doen staan als we morgen arriveren. Recht naar de moskee, want vanmiddag is het er niet van gekomen. Gisteren, bij het afscheid van de familie in Oudenaarde, klonk hij nochtans vastbesloten. Voor het vertrek zou hij langs de moskee op de Gentse Beestenmarkt passeren. Niet dat hij zo'n vrome moslim is, hij behoort eerder tot het rekkelijke soort. Maar een autoreis van 3.500 kilometer met vrouw en kinderen onderneem je niet iedere dag. Het gebed was een traditie waar hij niet zou van afwijken. Vanmiddag echter, een uur voor de afspraak bij de moskee, klonk zijn gejaagde stem aan de telefoon. "We zijn al vertrokken, de anderen wilden niet wachten. Kom naar de parking op de E40 bij Leuven." Wij meteen in de auto gesprongen. De Grote Trek naar het Oosten begint met een dolle achtervolging.

Dertig uur onderweg

Dertig uur onderweg

Dertig uur onderweg

Een week geleden hebben we kennisgemaakt. Op zoek naar een gastfamilie hadden we onze netten in de traditionele visvijvers uitgegooid. BTV's werden ingeschakeld, Bekende Turkse Vlamingen. Contacten werden gelegd in Genk, Antwerpen, Gent en Beringen, steden vermaard om hun Turkse gemeenschap. Maar uiteindelijk vonden we onze match in Oudenaarde, wat overigens niet belet dat Rifan Karakaya Gents spreekt zoals een rasechte stroppendrager. "Dat ben ik ook", zegt hij. "Geboren en getogen in Sint-Amandsberg. Het is dat mijn vrouw van Oudenaarde is, anders had ik hier niets verloren, want tussen mij en Oudenaarde was het geen liefde op het eerste gezicht. Ze zijn hier weinig buitenlanders gewoon, het heeft zeven jaar geduurd vooraleer ik me hier aanvaard voelde. Aan mijn taal kan het niet liggen. Als ik met Turkse vrienden op café ga, reageren de Vlamingen altijd met ongeloof. Jij een Turk? Je vrienden, die wel, maar jij toch niet? Jawel, antwoord ik dan, ik ben een Turk. Een fiere Turk zelfs."

Tijdens onze belronde sprong de Gentse koetswerkhersteller meteen uit het pak. Dat ook hij de '30-urennorm' hanteerde, was op zich niet verrassend. Alle Turken die we polsten, maakten zich sterk dat ze niet langer dan 30 uur over de rit deden. Meer dan 3.000 kilometer, reken uit de gemiddelde snelheid. Stoppen deden ze alleen om te tanken, een onvermijdelijk oponthoud dat zo mogelijk werd benut om de thuis geprepareerde picknick te verorberen. Voor sommigen was de drang om zo snel mogelijk de heimat te bereiken een reden om ons beleefd af te wimpelen. Zouden we het tempo wel kunnen volgen, vroegen ze zich hardop af. Meer auto's in de karavaan betekende alleszins meer kans op pech en vertraging. Vergeleken daarmee toonde Rifan zich erg tegemoetkomend. "We zullen heus wel rekening houden met jullie", stelde hij ons gerust. "Desnoods wachten we jullie op bij een tankstation." Toch wierp hij een schuinse blik op de gedeukte Kangoo waarmee we die eerste keer naar Oudenaarde kwamen afzakken. Nee, susten we hem, dit was niet de auto waarmee we in zijn slipstream naar Klein-Azië zouden rijden. Met een zucht van verluchting werden we binnen genodigd.

Terwijl zijn vrouw Sükran (40) koffie serveerde, plooide Rifan de kaart open. Zijn wijsvinger gleed over een dikke rode streep. Duitsland, Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Servië, Bulgarije, zo zouden we vrijdag naar Turkije rijden. Nogal wat Turken hadden ons voor deze populaire route gewaarschuwd. In Servië en Bulgarije was het niet pluis. Douane en politie viseren Turkse heimattoeristen. Snelheidscontroles, inspectie van boordpapieren, alle voorwendsels zijn goed om een auto met Duitse, Belgische of Nederlandse nummerplaat aan de kant te zetten. Verhalen over nepagenten zijn legio, uit andere verhalen blijkt dan weer het betrekkelijke verschil tussen nep en echt. Of het uniform nu authentiek of vals is, het geld verdwijnt sowieso in de zakken van de verbalisant. Strenge vermaningen klonken aan de telefoon: nooit overnachten op onbewaakte parkings, want dat is vragen om overvallen te worden. Er zijn alternatieven voor de Bulgarijeroute: via Griekenland en Macedonië, of in Italië de veerboot nemen. Die tracés zijn aanzienlijk langer, de veerboot is bovendien peperduur. Voor steeds meer Turken is dat echter geen bezwaar meer: liever omrijden dan de hel van de Bulgaarse autowegen ondergaan.

Een week geleden hebben we kennisgemaakt. Op zoek naar een gastfamilie hadden we onze netten in de traditionele visvijvers uitgegooid. BTV's werden ingeschakeld, Bekende Turkse Vlamingen. Contacten werden gelegd in Genk, Antwerpen, Gent en Beringen, steden vermaard om hun Turkse gemeenschap. Maar uiteindelijk vonden we onze match in Oudenaarde, wat overigens niet belet dat Rifan Karakaya Gents spreekt zoals een rasechte stroppendrager. "Dat ben ik ook", zegt hij. "Geboren en getogen in Sint-Amandsberg. Het is dat mijn vrouw van Oudenaarde is, anders had ik hier niets verloren, want tussen mij en Oudenaarde was het geen liefde op het eerste gezicht. Ze zijn hier weinig buitenlanders gewoon, het heeft zeven jaar geduurd vooraleer ik me hier aanvaard voelde. Aan mijn taal kan het niet liggen. Als ik met Turkse vrienden op café ga, reageren de Vlamingen altijd met ongeloof. Jij een Turk? Je vrienden, die wel, maar jij toch niet? Jawel, antwoord ik dan, ik ben een Turk. Een fiere Turk zelfs."

Tijdens onze belronde sprong de Gentse koetswerkhersteller meteen uit het pak. Dat ook hij de '30-urennorm' hanteerde, was op zich niet verrassend. Alle Turken die we polsten, maakten zich sterk dat ze niet langer dan 30 uur over de rit deden. Meer dan 3.000 kilometer, reken uit de gemiddelde snelheid. Stoppen deden ze alleen om te tanken, een onvermijdelijk oponthoud dat zo mogelijk werd benut om de thuis geprepareerde picknick te verorberen. Voor sommigen was de drang om zo snel mogelijk de heimat te bereiken een reden om ons beleefd af te wimpelen. Zouden we het tempo wel kunnen volgen, vroegen ze zich hardop af. Meer auto's in de karavaan betekende alleszins meer kans op pech en vertraging. Vergeleken daarmee toonde Rifan zich erg tegemoetkomend. "We zullen heus wel rekening houden met jullie", stelde hij ons gerust. "Desnoods wachten we jullie op bij een tankstation." Toch wierp hij een schuinse blik op de gedeukte Kangoo waarmee we die eerste keer naar Oudenaarde kwamen afzakken. Nee, susten we hem, dit was niet de auto waarmee we in zijn slipstream naar Klein-Azië zouden rijden. Met een zucht van verluchting werden we binnen genodigd.

Terwijl zijn vrouw Sükran (40) koffie serveerde, plooide Rifan de kaart open. Zijn wijsvinger gleed over een dikke rode streep. Duitsland, Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Servië, Bulgarije, zo zouden we vrijdag naar Turkije rijden. Nogal wat Turken hadden ons voor deze populaire route gewaarschuwd. In Servië en Bulgarije was het niet pluis. Douane en politie viseren Turkse heimattoeristen. Snelheidscontroles, inspectie van boordpapieren, alle voorwendsels zijn goed om een auto met Duitse, Belgische of Nederlandse nummerplaat aan de kant te zetten. Verhalen over nepagenten zijn legio, uit andere verhalen blijkt dan weer het betrekkelijke verschil tussen nep en echt. Of het uniform nu authentiek of vals is, het geld verdwijnt sowieso in de zakken van de verbalisant. Strenge vermaningen klonken aan de telefoon: nooit overnachten op onbewaakte parkings, want dat is vragen om overvallen te worden. Er zijn alternatieven voor de Bulgarijeroute: via Griekenland en Macedonië, of in Italië de veerboot nemen. Die tracés zijn aanzienlijk langer, de veerboot is bovendien peperduur. Voor steeds meer Turken is dat echter geen bezwaar meer: liever omrijden dan de hel van de Bulgaarse autowegen ondergaan.

Een week geleden hebben we kennisgemaakt. Op zoek naar een gastfamilie hadden we onze netten in de traditionele visvijvers uitgegooid. BTV's werden ingeschakeld, Bekende Turkse Vlamingen. Contacten werden gelegd in Genk, Antwerpen, Gent en Beringen, steden vermaard om hun Turkse gemeenschap. Maar uiteindelijk vonden we onze match in Oudenaarde, wat overigens niet belet dat Rifan Karakaya Gents spreekt zoals een rasechte stroppendrager. "Dat ben ik ook", zegt hij. "Geboren en getogen in Sint-Amandsberg. Het is dat mijn vrouw van Oudenaarde is, anders had ik hier niets verloren, want tussen mij en Oudenaarde was het geen liefde op het eerste gezicht. Ze zijn hier weinig buitenlanders gewoon, het heeft zeven jaar geduurd vooraleer ik me hier aanvaard voelde. Aan mijn taal kan het niet liggen. Als ik met Turkse vrienden op café ga, reageren de Vlamingen altijd met ongeloof. Jij een Turk? Je vrienden, die wel, maar jij toch niet? Jawel, antwoord ik dan, ik ben een Turk. Een fiere Turk zelfs."

Tijdens onze belronde sprong de Gentse koetswerkhersteller meteen uit het pak. Dat ook hij de '30-urennorm' hanteerde, was op zich niet verrassend. Alle Turken die we polsten, maakten zich sterk dat ze niet langer dan 30 uur over de rit deden. Meer dan 3.000 kilometer, reken uit de gemiddelde snelheid. Stoppen deden ze alleen om te tanken, een onvermijdelijk oponthoud dat zo mogelijk werd benut om de thuis geprepareerde picknick te verorberen. Voor sommigen was de drang om zo snel mogelijk de heimat te bereiken een reden om ons beleefd af te wimpelen. Zouden we het tempo wel kunnen volgen, vroegen ze zich hardop af. Meer auto's in de karavaan betekende alleszins meer kans op pech en vertraging. Vergeleken daarmee toonde Rifan zich erg tegemoetkomend. "We zullen heus wel rekening houden met jullie", stelde hij ons gerust. "Desnoods wachten we jullie op bij een tankstation." Toch wierp hij een schuinse blik op de gedeukte Kangoo waarmee we die eerste keer naar Oudenaarde kwamen afzakken. Nee, susten we hem, dit was niet de auto waarmee we in zijn slipstream naar Klein-Azië zouden rijden. Met een zucht van verluchting werden we binnen genodigd.

Terwijl zijn vrouw Sükran (40) koffie serveerde, plooide Rifan de kaart open. Zijn wijsvinger gleed over een dikke rode streep. Duitsland, Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Servië, Bulgarije, zo zouden we vrijdag naar Turkije rijden. Nogal wat Turken hadden ons voor deze populaire route gewaarschuwd. In Servië en Bulgarije was het niet pluis. Douane en politie viseren Turkse heimattoeristen. Snelheidscontroles, inspectie van boordpapieren, alle voorwendsels zijn goed om een auto met Duitse, Belgische of Nederlandse nummerplaat aan de kant te zetten. Verhalen over nepagenten zijn legio, uit andere verhalen blijkt dan weer het betrekkelijke verschil tussen nep en echt. Of het uniform nu authentiek of vals is, het geld verdwijnt sowieso in de zakken van de verbalisant. Strenge vermaningen klonken aan de telefoon: nooit overnachten op onbewaakte parkings, want dat is vragen om overvallen te worden. Er zijn alternatieven voor de Bulgarijeroute: via Griekenland en Macedonië, of in Italië de veerboot nemen. Die tracés zijn aanzienlijk langer, de veerboot is bovendien peperduur. Voor steeds meer Turken is dat echter geen bezwaar meer: liever omrijden dan de hel van de Bulgaarse autowegen ondergaan.

Huiververhalen

Huiververhalen

Huiververhalen

Uiteraard kende Rifan de huiververhalen. Sterker nog, hij kon ze één voor één beamen. Maar omrijden? "Ik denk er niet aan", zegt hij. "Zelfs tijdens de Balkanoorlog ben ik dwars door Joegoslavië blijven rijden. Heel Gent verklaarde me gek, maar het is altijd goed afgelopen. Ja, één keer hebben ze met een geweer bedreigd, op de grensovergang van Kroatië en Servië. Mijn Turkse pas was verlopen, ik had enkel mijn Belgisch paspoort op zak. Foute nationaliteit, door de oorlog lag dat gevoelig. Ik was immers niet alleen, zowat alle Belgen, Duitsers, Nederlanders en Oostenrijkers werden aan de kant gezet. Ik heb veel geld geboden, maar de grenswachters bleven onvermurwbaar. Achteraf hoorde ik dat ze niet in Duitse marken maar des te meer in voedsel geïnteresseerd waren. Sommigen hebben hun doortocht met Turkse worst afgekocht! Ik heb mijn familie bij de grens achtergelaten en ben als een gek naar Zagreb teruggereden om een visum te halen. Tevergeefs, want het Belgische consulaat was op zondag gesloten. Bij mijn tweede poging lieten ze me toch binnen, zonder visum. Absurd, zoals de hele oorlog."

De Balkanoorlog ligt al ver in het geheugen, net zoals het hele IJzeren Gordijn, dat roestige symbool dat de proletarische heilstaten van het Oostblok tegen de gevaren en verleidingen van het westerse kapitalisme moest beschermen. Turkse gastarbeiders reden er vanaf de jaren zestig vlot doorheen, op weg naar staal- en steenkoolbekkens in West-Europa om zich, bekeken door het prisma van de marxistische analyse, door het grootkapitaal schaamteloos te laten uitbuiten. "Het communisme is verdwenen", zegt Rifan schamper. "Maar de corruptie in de Oostbloklanden niet. Ik heb altijd een bundeltje vijf eurootjes in mijn borstzak zitten. Als ze me tegenhouden, deel ik een briefje uit. 's Nachts stop ik nooit voor een controle, ze mogen flitsen en zwaaien wat ze willen. Als ze me verderop toch tegenhouden, val ik uit de lucht. Een controle? Niks van gemerkt."

De 11-jarige Volkan zit met schitterende ogen naar zijn vader te luisteren. Het avontuur wenkt, hij telt de dagen af. Van de laatste autoreis naar Turkije kan hij zich maar weinig herinneren. De afgelopen negen jaar is de familie Karakaya met het vliegtuig naar Turkije afgereisd, een keuze waarmee ze niet alleen staan. Steeds meer Belgische Turken zien op tegen de slopende autoreis, een kleine helft van het heimattoerisme verloopt tegenwoordig per vliegtuig.

Slopend? Dan moet je Rifan over de zomervakanties uit zijn kindertijd horen. "We deden er in die tijd drie dagen over. De wegen waren slechter, en de auto's veel trager. Mijn vader had een camionette, een Ford Transit zoals de meeste Turken. Die werd volgestouwd met cadeaus en spullen voor de familie in Turkije. Koelkasten, televisies, matrassen, allemaal goederen die je ginder moeilijk kon krijgen. Ik heb drie broers en één zus, we zaten dus met zevenen in een propvol geladen wagen. Je kunt het je zo inbeelden. De hele weg ruzie tussen de kinderen, moeder die het gehuil op de achterbank niet meer kon aanhoren. Het was afzien van de eerste tot de laatste kilometer, en toch keek ik er ieder jaar naar uit. De eerste nacht sliepen we altijd in de buurt van München, de tweede nacht in Joegoslavië. Nooit in Bulgarije, daar mochten we niet stoppen, alleen doorrijden. Transit Istanbul, stond overal op de bordjes."

Uiteraard kende Rifan de huiververhalen. Sterker nog, hij kon ze één voor één beamen. Maar omrijden? "Ik denk er niet aan", zegt hij. "Zelfs tijdens de Balkanoorlog ben ik dwars door Joegoslavië blijven rijden. Heel Gent verklaarde me gek, maar het is altijd goed afgelopen. Ja, één keer hebben ze met een geweer bedreigd, op de grensovergang van Kroatië en Servië. Mijn Turkse pas was verlopen, ik had enkel mijn Belgisch paspoort op zak. Foute nationaliteit, door de oorlog lag dat gevoelig. Ik was immers niet alleen, zowat alle Belgen, Duitsers, Nederlanders en Oostenrijkers werden aan de kant gezet. Ik heb veel geld geboden, maar de grenswachters bleven onvermurwbaar. Achteraf hoorde ik dat ze niet in Duitse marken maar des te meer in voedsel geïnteresseerd waren. Sommigen hebben hun doortocht met Turkse worst afgekocht! Ik heb mijn familie bij de grens achtergelaten en ben als een gek naar Zagreb teruggereden om een visum te halen. Tevergeefs, want het Belgische consulaat was op zondag gesloten. Bij mijn tweede poging lieten ze me toch binnen, zonder visum. Absurd, zoals de hele oorlog."

De Balkanoorlog ligt al ver in het geheugen, net zoals het hele IJzeren Gordijn, dat roestige symbool dat de proletarische heilstaten van het Oostblok tegen de gevaren en verleidingen van het westerse kapitalisme moest beschermen. Turkse gastarbeiders reden er vanaf de jaren zestig vlot doorheen, op weg naar staal- en steenkoolbekkens in West-Europa om zich, bekeken door het prisma van de marxistische analyse, door het grootkapitaal schaamteloos te laten uitbuiten. "Het communisme is verdwenen", zegt Rifan schamper. "Maar de corruptie in de Oostbloklanden niet. Ik heb altijd een bundeltje vijf eurootjes in mijn borstzak zitten. Als ze me tegenhouden, deel ik een briefje uit. 's Nachts stop ik nooit voor een controle, ze mogen flitsen en zwaaien wat ze willen. Als ze me verderop toch tegenhouden, val ik uit de lucht. Een controle? Niks van gemerkt."

De 11-jarige Volkan zit met schitterende ogen naar zijn vader te luisteren. Het avontuur wenkt, hij telt de dagen af. Van de laatste autoreis naar Turkije kan hij zich maar weinig herinneren. De afgelopen negen jaar is de familie Karakaya met het vliegtuig naar Turkije afgereisd, een keuze waarmee ze niet alleen staan. Steeds meer Belgische Turken zien op tegen de slopende autoreis, een kleine helft van het heimattoerisme verloopt tegenwoordig per vliegtuig.

Slopend? Dan moet je Rifan over de zomervakanties uit zijn kindertijd horen. "We deden er in die tijd drie dagen over. De wegen waren slechter, en de auto's veel trager. Mijn vader had een camionette, een Ford Transit zoals de meeste Turken. Die werd volgestouwd met cadeaus en spullen voor de familie in Turkije. Koelkasten, televisies, matrassen, allemaal goederen die je ginder moeilijk kon krijgen. Ik heb drie broers en één zus, we zaten dus met zevenen in een propvol geladen wagen. Je kunt het je zo inbeelden. De hele weg ruzie tussen de kinderen, moeder die het gehuil op de achterbank niet meer kon aanhoren. Het was afzien van de eerste tot de laatste kilometer, en toch keek ik er ieder jaar naar uit. De eerste nacht sliepen we altijd in de buurt van München, de tweede nacht in Joegoslavië. Nooit in Bulgarije, daar mochten we niet stoppen, alleen doorrijden. Transit Istanbul, stond overal op de bordjes."

Uiteraard kende Rifan de huiververhalen. Sterker nog, hij kon ze één voor één beamen. Maar omrijden? "Ik denk er niet aan", zegt hij. "Zelfs tijdens de Balkanoorlog ben ik dwars door Joegoslavië blijven rijden. Heel Gent verklaarde me gek, maar het is altijd goed afgelopen. Ja, één keer hebben ze met een geweer bedreigd, op de grensovergang van Kroatië en Servië. Mijn Turkse pas was verlopen, ik had enkel mijn Belgisch paspoort op zak. Foute nationaliteit, door de oorlog lag dat gevoelig. Ik was immers niet alleen, zowat alle Belgen, Duitsers, Nederlanders en Oostenrijkers werden aan de kant gezet. Ik heb veel geld geboden, maar de grenswachters bleven onvermurwbaar. Achteraf hoorde ik dat ze niet in Duitse marken maar des te meer in voedsel geïnteresseerd waren. Sommigen hebben hun doortocht met Turkse worst afgekocht! Ik heb mijn familie bij de grens achtergelaten en ben als een gek naar Zagreb teruggereden om een visum te halen. Tevergeefs, want het Belgische consulaat was op zondag gesloten. Bij mijn tweede poging lieten ze me toch binnen, zonder visum. Absurd, zoals de hele oorlog."

De Balkanoorlog ligt al ver in het geheugen, net zoals het hele IJzeren Gordijn, dat roestige symbool dat de proletarische heilstaten van het Oostblok tegen de gevaren en verleidingen van het westerse kapitalisme moest beschermen. Turkse gastarbeiders reden er vanaf de jaren zestig vlot doorheen, op weg naar staal- en steenkoolbekkens in West-Europa om zich, bekeken door het prisma van de marxistische analyse, door het grootkapitaal schaamteloos te laten uitbuiten. "Het communisme is verdwenen", zegt Rifan schamper. "Maar de corruptie in de Oostbloklanden niet. Ik heb altijd een bundeltje vijf eurootjes in mijn borstzak zitten. Als ze me tegenhouden, deel ik een briefje uit. 's Nachts stop ik nooit voor een controle, ze mogen flitsen en zwaaien wat ze willen. Als ze me verderop toch tegenhouden, val ik uit de lucht. Een controle? Niks van gemerkt."

De 11-jarige Volkan zit met schitterende ogen naar zijn vader te luisteren. Het avontuur wenkt, hij telt de dagen af. Van de laatste autoreis naar Turkije kan hij zich maar weinig herinneren. De afgelopen negen jaar is de familie Karakaya met het vliegtuig naar Turkije afgereisd, een keuze waarmee ze niet alleen staan. Steeds meer Belgische Turken zien op tegen de slopende autoreis, een kleine helft van het heimattoerisme verloopt tegenwoordig per vliegtuig.

Slopend? Dan moet je Rifan over de zomervakanties uit zijn kindertijd horen. "We deden er in die tijd drie dagen over. De wegen waren slechter, en de auto's veel trager. Mijn vader had een camionette, een Ford Transit zoals de meeste Turken. Die werd volgestouwd met cadeaus en spullen voor de familie in Turkije. Koelkasten, televisies, matrassen, allemaal goederen die je ginder moeilijk kon krijgen. Ik heb drie broers en één zus, we zaten dus met zevenen in een propvol geladen wagen. Je kunt het je zo inbeelden. De hele weg ruzie tussen de kinderen, moeder die het gehuil op de achterbank niet meer kon aanhoren. Het was afzien van de eerste tot de laatste kilometer, en toch keek ik er ieder jaar naar uit. De eerste nacht sliepen we altijd in de buurt van München, de tweede nacht in Joegoslavië. Nooit in Bulgarije, daar mochten we niet stoppen, alleen doorrijden. Transit Istanbul, stond overal op de bordjes."

Alles wordt beter

Alles wordt beter

Alles wordt beter

Komt er een dag dat Rifan en zijn dierbaren deze odyssee in omgekeerde richting moeten aanvatten? Thuis, in Oudenaarde, liet hij er alvast geen twijfel over bestaan: de toekomst van de familie Karakaya ligt in Turkije. "Ik wil terug. Niet meteen, eerst moeten de kinderen afgestudeerd zijn. Maar tegen dan wil ik een eigen zaak in Turkije beginnen. Een garage, waarom niet? Of ik word landbouwer zoals mijn vader. Vroeger was dat armoe troef, maar tegenwoordig verdienen de Turkse boeren erg goed. Ik praat er vaak over met mijn broers. Ook zij willen terug, net zoals vele Turken van mijn generatie. De kinderen? Die gaan mee. Mijn dochter heeft al plannen: ze wil hier geneeskunde studeren en dan in Turkije een privékliniek beginnen. Ik ken er velen die al vertrokken zijn, jonge Turken met goede diploma's. Je ziet het in heel Europa, alleen al uit Duitsland zijn vorig jaar 30.000 Turken definitief teruggekeerd. Zo vreemd is dat niet. Mijn ouders zijn naar hier gekomen om hun kinderen een betere toekomst te geven. Tegenwoordig echter hebben jonge mensen meer kansen in Turkije dan hier. In België is de rek eruit, onze welvaart heeft een plafond bereikt. Dat is het verschil met Turkije, daar kan het alleen maar beter worden."

E40, Haasrode. Opluchting, ze hebben op ons gewacht. Dat afgelaste moskeebezoek? Rifan haalt de schouders op. "Dat maak ik in Turkije wel goed." Hij schiet zijn shorts en sandalen aan, alsof de vakantie pas hier echt begint. Ons konvooi is volledig, vier wagens sterk. We schudden handen met de nieuwkomers, tijd om kennis te maken is er niet. We moeten kilometers maken, misschien raken we nog voor de avondspits voorbij het door automobilisten gevreesde Ruhrgebied. De verkeersgoden zijn ons welgezind, het gaat in één ruk naar Regensburg waar we een eerste stop inlassen. Tijdens de picknick brengen we het reisgezelschap in kaart. Recep Acar hoort bij de blauwe Seat Alhambra en natuurlijk ook bij Ummu Yilmaz, de vrouw met wie hij vier dochters, Neviye, Zehra, Rukiye en Asli, op de wereld heeft gezet. Zijn tweelingbroer Saban Acar, eigenaar van een witte Fiat stationwagen, getrouwd met Zehra Saritas, heeft twee zoons, Cafer en Necef, en één dochter, Kubra. Net als Rifan zullen de broers de hele rit onafgebroken aan het stuur zitten, zonder copiloot. Hoe ze het volhouden? Recep opent de achterklep van zijn monovolume. "Red Bull", zegt hij, wijzend op de indrukwekkende voorraad blikjes. "Vleugels krijg je er niet van, maar je rijdt er wel mee naar het einde van de wereld."

Maandag: rit 2
Een onaangename verrassing wacht aan de Oostenrijkse grens

Komt er een dag dat Rifan en zijn dierbaren deze odyssee in omgekeerde richting moeten aanvatten? Thuis, in Oudenaarde, liet hij er alvast geen twijfel over bestaan: de toekomst van de familie Karakaya ligt in Turkije. "Ik wil terug. Niet meteen, eerst moeten de kinderen afgestudeerd zijn. Maar tegen dan wil ik een eigen zaak in Turkije beginnen. Een garage, waarom niet? Of ik word landbouwer zoals mijn vader. Vroeger was dat armoe troef, maar tegenwoordig verdienen de Turkse boeren erg goed. Ik praat er vaak over met mijn broers. Ook zij willen terug, net zoals vele Turken van mijn generatie. De kinderen? Die gaan mee. Mijn dochter heeft al plannen: ze wil hier geneeskunde studeren en dan in Turkije een privékliniek beginnen. Ik ken er velen die al vertrokken zijn, jonge Turken met goede diploma's. Je ziet het in heel Europa, alleen al uit Duitsland zijn vorig jaar 30.000 Turken definitief teruggekeerd. Zo vreemd is dat niet. Mijn ouders zijn naar hier gekomen om hun kinderen een betere toekomst te geven. Tegenwoordig echter hebben jonge mensen meer kansen in Turkije dan hier. In België is de rek eruit, onze welvaart heeft een plafond bereikt. Dat is het verschil met Turkije, daar kan het alleen maar beter worden."

E40, Haasrode. Opluchting, ze hebben op ons gewacht. Dat afgelaste moskeebezoek? Rifan haalt de schouders op. "Dat maak ik in Turkije wel goed." Hij schiet zijn shorts en sandalen aan, alsof de vakantie pas hier echt begint. Ons konvooi is volledig, vier wagens sterk. We schudden handen met de nieuwkomers, tijd om kennis te maken is er niet. We moeten kilometers maken, misschien raken we nog voor de avondspits voorbij het door automobilisten gevreesde Ruhrgebied. De verkeersgoden zijn ons welgezind, het gaat in één ruk naar Regensburg waar we een eerste stop inlassen. Tijdens de picknick brengen we het reisgezelschap in kaart. Recep Acar hoort bij de blauwe Seat Alhambra en natuurlijk ook bij Ummu Yilmaz, de vrouw met wie hij vier dochters, Neviye, Zehra, Rukiye en Asli, op de wereld heeft gezet. Zijn tweelingbroer Saban Acar, eigenaar van een witte Fiat stationwagen, getrouwd met Zehra Saritas, heeft twee zoons, Cafer en Necef, en één dochter, Kubra. Net als Rifan zullen de broers de hele rit onafgebroken aan het stuur zitten, zonder copiloot. Hoe ze het volhouden? Recep opent de achterklep van zijn monovolume. "Red Bull", zegt hij, wijzend op de indrukwekkende voorraad blikjes. "Vleugels krijg je er niet van, maar je rijdt er wel mee naar het einde van de wereld."

Maandag: rit 2
Een onaangename verrassing wacht aan de Oostenrijkse grens

Komt er een dag dat Rifan en zijn dierbaren deze odyssee in omgekeerde richting moeten aanvatten? Thuis, in Oudenaarde, liet hij er alvast geen twijfel over bestaan: de toekomst van de familie Karakaya ligt in Turkije. "Ik wil terug. Niet meteen, eerst moeten de kinderen afgestudeerd zijn. Maar tegen dan wil ik een eigen zaak in Turkije beginnen. Een garage, waarom niet? Of ik word landbouwer zoals mijn vader. Vroeger was dat armoe troef, maar tegenwoordig verdienen de Turkse boeren erg goed. Ik praat er vaak over met mijn broers. Ook zij willen terug, net zoals vele Turken van mijn generatie. De kinderen? Die gaan mee. Mijn dochter heeft al plannen: ze wil hier geneeskunde studeren en dan in Turkije een privékliniek beginnen. Ik ken er velen die al vertrokken zijn, jonge Turken met goede diploma's. Je ziet het in heel Europa, alleen al uit Duitsland zijn vorig jaar 30.000 Turken definitief teruggekeerd. Zo vreemd is dat niet. Mijn ouders zijn naar hier gekomen om hun kinderen een betere toekomst te geven. Tegenwoordig echter hebben jonge mensen meer kansen in Turkije dan hier. In België is de rek eruit, onze welvaart heeft een plafond bereikt. Dat is het verschil met Turkije, daar kan het alleen maar beter worden."

E40, Haasrode. Opluchting, ze hebben op ons gewacht. Dat afgelaste moskeebezoek? Rifan haalt de schouders op. "Dat maak ik in Turkije wel goed." Hij schiet zijn shorts en sandalen aan, alsof de vakantie pas hier echt begint. Ons konvooi is volledig, vier wagens sterk. We schudden handen met de nieuwkomers, tijd om kennis te maken is er niet. We moeten kilometers maken, misschien raken we nog voor de avondspits voorbij het door automobilisten gevreesde Ruhrgebied. De verkeersgoden zijn ons welgezind, het gaat in één ruk naar Regensburg waar we een eerste stop inlassen. Tijdens de picknick brengen we het reisgezelschap in kaart. Recep Acar hoort bij de blauwe Seat Alhambra en natuurlijk ook bij Ummu Yilmaz, de vrouw met wie hij vier dochters, Neviye, Zehra, Rukiye en Asli, op de wereld heeft gezet. Zijn tweelingbroer Saban Acar, eigenaar van een witte Fiat stationwagen, getrouwd met Zehra Saritas, heeft twee zoons, Cafer en Necef, en één dochter, Kubra. Net als Rifan zullen de broers de hele rit onafgebroken aan het stuur zitten, zonder copiloot. Hoe ze het volhouden? Recep opent de achterklep van zijn monovolume. "Red Bull", zegt hij, wijzend op de indrukwekkende voorraad blikjes. "Vleugels krijg je er niet van, maar je rijdt er wel mee naar het einde van de wereld."

Maandag: rit 2
Een onaangename verrassing wacht aan de Oostenrijkse grens

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234