Maandag 25/01/2021

Om te strikken engestrikt te worden

Het moet niet altijd een riad in Marrakech of carpaccio van beenham met gemarineerde ganzenlever zijn die het glanspapier van onze salontafelboeken teisteren. Voor wie alles al heeft en twee à drie van zijn zes zintuigen wil verwennen, maakten we een eigenwijze keuze uit het overweldigende beeldboekenaanbod van het najaar.

Ed. David Campany

Art and Photography

Phaidon, Londen, 304 p., 75 euro.

De titel van dit lijvige boek geeft al aan dat kunst en fotografie niet altijd samenvallen, maar verduiveld veel met elkaar te maken hebben. Het thema dat hier met een overvloed van beelden en teksten (van Proust over Barthes en Derrida tot hedendaagse fotografen als Struth, Goldin of Sherman) wordt ontwikkeld, heeft wortels in de aloude discussie over de artistieke pretenties van het medium dat rond 1840 het licht zag en de wereld stormenderhand zou veroveren. Eigenlijk is het een status questionis, een onderzoek naar de aanwezigheid van het fotografische beeld in de kunst. De goed gekozen stoet van opnamen in het eerste deel (Works), dat in acht thematische hoofdstukken werd ingedeeld, krijgt in het tweede luik een theoretische onderbouw met interviews en teksten uit de canon van het denken over fotografie, die dezelfde indeling volgen. Biografieën van fotografen en auteurs, een forse bibliografie en een index sluiten het album af - het boek heeft zowat alles in huis om een standaardwerk te worden. Wie de imposante namenlijst op de cover leest, weet het wel. Dit wordt een hele klus, maar het zal de moeite waard zijn.

De acht hoofdstukken hangen een vrij volledig beeld op van de diversiteit in de hedendaagse fotografie, opgesplitst in herkenbare categorieën: geheugen en archief, objectieve objecten, sporen van sporen, stedelijkheid en het alledaagse, studio-opnamen, de kunst van de reproductie, 'gewoon kijken' en cultuur/natuur. Misschien is fotografie wel iets als filosofie: een vorm van kennis van (en een zelfbewust of aarzelend commentaar op) zowat al wat gedacht en ondernomen kan worden. Fotografen nemen een standpunt in, leveren kritiek, stutten of ondermijnen de officiële interpretatie, spelen voor megafoon of stoorzender. In de afdeling 'Memory & archives' is het fotografische beeld een hulpmiddel bij classificatie en ordening (van koloniale, medische en juridische fenomenen, vastgoed of wetgeving). Na 1960 vroegen veel fotografen zich af wat ze eigenlijk documenteerden en hoe het publiek met die massa beelden hoorde om te gaan. Waar ligt het onderscheid tussen document en interpretatie ? Soms leveren 'objectieve' en afstandelijke beelden paradoxaal genoeg de meest persoonlijke werken op. Foto's van Warhol, LeWitt, Boltanski en Sophie Calle tasten het grensgebied tussen werkelijkheid en fictie af. Ook de 'Objective objects' in dit boek zijn ambivalent: wat we zien is altijd de keuze van de fotograaf, zijn persoonlijke versie van de werkelijkheid. De categorie 'Traces of traces' brengt het magische verband tussen de afbeelding en de werkelijkheid in kaart, de sporen van het licht op het filmrolletje. De catastrofe van 11 september 2001, de performance van een dronken kunstenaar in een Berlijnse galerie en een 'land art'-installatie hebben meer gemeen dan je op het eerste gezicht zou denken: ze zijn iconen geworden omdat iemand er foto's van heeft gemaakt. Ook de moderne metropool wordt uitgebreid belicht, als een palimpsest van complexe sociale en politieke, maar altijd fotogenieke relaties onder de waterspiegel van de uiterlijkheid. Jeff Wall, Thomas Struth, Andreas Gursky of Philip-Lorca DiCorcia hebben er hun 'fonds de commerce' van gemaakt. Van hieruit is het een kleine stap naar de reproductie, met technieken als montage en collage tot het fenomeen van de herhaling en de recyclage, die in de popart tot zelfstandige kunstvormen werden geconsacreerd. Culturele iconen werden voortaan met overgave geparodieerd (een voorbeeld: Piss Christ van Andres Serrano). Art and Photography is een goudmijn voor al wie aan kunst doet. Jammer genoeg werden er niet meer fotografen geselecteerd die buiten de lijntjes van het internationale (Angelsaksische) galeriewezen kleuren. Gelukkig mag het oude Europa wél schitteren in de essays van het tweede, theoretische deel.

Cream 3. 10 curators, 100 contemporary artists, 10 source artists

Phaidon, Londen, 448 p., 65 euro.

Schroef er vier wieltjes onder, en deze monumentale foliant kan goede diensten bewijzen als cultureel verantwoord bijzettafeltje. Net als die andere Phaidon-uitgave Art and Photography is Cream 3 een state of the art van de contemporaine beeldende kunsten, en ook hier is de fotografie prominent aanwezig, als registrerend medium of autonome discipline. Het album is de derde aflevering van een 'biënnale in boekvorm' waarmee de uitgeverij sinds 1998 het landschap van de kunst aftast. In de nadagen van Documenta 11 (Kassel 2002) kozen tien curatoren elk tien interessante nieuwe kunstenaars uit (onder wie David Claerbout en Joëlle Tuerlinckx) en een 'source artist', een man of vrouw van de vorige generatie om wie niemand vandaag heen kan (in deze categorie treffen we bijvoorbeeld Luc Tuymans, Peter Doig of On Kawara aan). Het enorme boek kreeg een zachte omslag en een flap die met een magneetstrip sluit, zodat het eigenlijk een doos lijkt.

Uit deze zwar(t)e box van Pandora borrelen talloze beelden op waaruit blijkt dat veel jonge goden dankbaar omkijken naar de conceptuele kunst - Beuys is absoluut niet dood. Ook de discussie over het modernisme is niet gesloten; hier en daar proef je heimwee naar de tijd waarin uitgesproken meningen het debat mochten kruiden. De zuiverste uiting van het moderne, de architectuur, is present met twee vertegenwoordigers (Atelier Van Lieshout en LOT/EK). Het failliet van politieke of esthetische utopieën is tevens een rode draad: heel wat artiesten rekenen af met het marxisme, het kapitalisme, het urbanisme (de metropool, de voorstad), kleinburgerlijkheid of het bovennatuurlijke. Ook in onze nieuwe eeuw is kunst een vrijplaats waar onaangepaste lieden kritiek mogen spuien op de instellingen en ongehinderd graaien in de lade van de alledaagse werkelijkheid, om wat ze er geroofd hebben, op te slaan in hybride werken. Die horen nog slechts zelden thuis in een nauwkeurig afgebakende artistieke categorie.

Dat al deze uitingen van allerindividuele emotie (of opportunistisch vertoon) tot tweedimensionaal beeldmateriaal worden gereduceerd en in een klassiek formaat als het gedrukte boek zijn gestouwd, is een paradox waar de uitgeverij zich met een pirouette van afmaakt: de edities van Cream willen een papieren spoor zijn door het artistieke gebeuren, "a sort of growing paper trail of all these new voices". In een tijd waarin nieuwe media onze huiskamer inpalmen en een heerlijk ouderwets medium als het boek steeds vaker met een cd of een dvd wordt opgeleukt, is de reeks inderdaad niets meer dan een aanzet om naar de pakhuizen van de hedendaagse kunst te trekken, om de Smakken en de Stukken en de galerieën te bestormen en mee te drijven in de roes van beeld en klank die de neoconceptuelen er aanrichten. Geef toe: een fraaie foto van een klankinstallatie (zes luidsprekers in een galerie in Dublin) werkt niet, en wat te denken van een reusachtige Nutella-sculptuur zonder de geur van choco? Voorlopig moet de lezer het dus doen met een alfabetisch overzicht van interessante lui die elk drie of vier bladzijden krijgen om hun installaties, foto's, video's, environments, happenings en performances te showen, en af en toe een goed schilderij. Wat we in dit boek aantreffen, is een karrenvracht herinneringen en fragmenten, sporen, verwijzingen. Er is veel te zien. Veel ervan hebben we al gezien, en beter ook - maar dat is niet erg. In het beste geval zou je willen dat je erbij was geweest. Als dat geen pleidooi is om de straat op te gaan om op een of andere publieke plek van een gesamtkunstwerk te genieten, of om een klassieke tentoonstellingsruimte als het museum of de salon op te zoeken... Kunst is nog altijd voor 's zondags - of voor de dag dat ze niet schieten.

Giovanna Calvenzi

Italia. Portrait d'un pays en 60 années de photographie

Marval, Parijs, 352 p., 65 euro.

Dit oorspronkelijk in het Italiaans gepubliceerde maar bijna gelijktijdig in het Frans vertaalde boek heeft niks te maken met het onvolprezen festival Europalia Italia dat België het afgelopen jaar in de ban heeft gehouden, al verdiende het er absoluut een ereplaats.

Zestig jaren in de laars van Europa (dus van na de Tweede Wereldoorlog tot vandaag) worden hier door meer dan honderd in- en buitenlandse fotografen en een tiental essayisten in beeld gebracht - niet als een verzameling van toeristische clichés, maar met veel zin voor nuance.

Naast iconen van de economische heropleving vinden we sporen van intussen vrijwel verdwenen landelijkheid, terwijl het politieke discours van stakers en gemaskerde mannen met molotovcocktails stilaan de plaats inneemt van die andere hardleerse waan uit een vorige eeuw, de religie - tot de commercie het finaal overneemt.

In dit land speelt het leven zich voor een groot deel op straat af: het werk, de opstand, de passeggiata of het spel. Mannen loeren naar een Milanese schone die zich in het leeuwenhol van hun blikken heeft gewaagd, en in Palermo executeren jongetjes met speelgoedpistolen hun vriendje dat tegen de muur in elkaar zakt. Landverhuizers uit films als Novecento lopen hier in de voetsporen van defilerende mannequins.

Enkele foto's hoeven we niet eens te zien. Hun titels zeggen genoeg om een vergeten lade van ons geheugen open te trekken: Seveso 1976, Genua 2001. Zo rijk kunnen beelden zijn, wanneer ze het gisten van de oude en de nieuwe tijden documenteren.

Daarvoor zijn zowat alle grote kanonnen in stelling gebracht: Giacomelli, Cartier-Bresson, Depardon, Burri, Strand, Klein, Salgado, Parr, List, Struth, Newton... Het resultaat is overweldigend. Lees er ook de essays op na, over de beeldvorming in het land van Fellini, het neorealisme, de RAI, Alessi en La Cicciolina. Het boek wordt besloten met een reeks van beelddialogen tussen fotografen die dezelfde plek of een verwant thema hebben belicht (stedelijkheid bij William Klein en Mario Carrieri, psychiatrie bij Cerati en Depardon, de tonijnvangst bij Salgado en Fiorio). Zowel Cartier-Bresson als Giacomelli trokken in de jaren vijftig naar het dorpje Scanno in de Abruzzen, om er hun beste foto's te maken. Paul Strand en Gianni Berengo Gardin belandden met twintig jaar verschil in Luzzara. Eén schoonheidsfoutje moet kunnen: in dit zogoed als perfecte boek zocht ik vruchteloos naar de ultieme Italië-foto die Ruth Orkin in 1950 heeft gemaakt: op een straathoek trotseert een zelfbewuste jonge vrouw de blikken van een dozijn mannen die haar begluren, aanstaren, naroepen. De zoom van haar jurk deint mee: ciao bella!

Les vérites du sexe

Marval, Parijs, 240 p., 45 euro.

Van alle redenen die mensen (m/v, maar vooral mannen) ooit hebben bedacht om naar prentjes van blote mensen (m/v, maar vooral vrouwen) te turen, moet de wetenschap wel de nobelste zijn. De Amerikaanse entomoloog en zoöloog Alfred Kinsey (1894-1956), die we ook vandaag nog associëren met baanbrekende studies en rapporten over de menselijke seksualiteit, bracht een grote collectie afbeeldingen van seksuele en pornografische aard samen. Na zijn dood zou het door hem gestichte Kinsey Institute for Research in Sex, Gender and Reproduction van de Indiana University de verzameling beheren. Onlangs publiceerde de Parijse uitgeverij Marval een mooie selectie van meer dan tweehonderd exemplaren uit Kinseys fonds dat ongeveer 70.000 foto's bevat, naast een volledige verzameling Playboys, hitsige tijdschriften, een brief van Freud en een schat van krantenknipsels over de censuur in de VS.

Pierre Borhan, die eerder al schitterende monografische tentoonstellingen en oeuvrecatalogi samenstelde met het werk van uiteenlopende fotografen als Kertész, Lange, Saudek, Hervé of Witkin, tekende samen met de wetenschappelijk medewerkers van het instituut voor de teksten. Interessant allemaal, maar dit is een kijkboek en dus vooral leuk/opwindend/abject om zien voor wie de plasticfolie met de waarschuwende woorden "Certaines images peuvent heurter la sensibilité des plus jeunes" heeft stukgescheurd. Die frase klopt nog ook, want naast behoorlijk geësthetiseerde (perfect belichte en strak gecomponeerde) studio-opnamen en expliciete standjes waar de lust af spat, doen enkele blote lijven wel erg vreemde dingen met zichzelf en met elkaar. Pijn doet het nooit - of het moet die ene lachkramp zijn. De mensen op deze foto's zien er trouwens behoorlijk gelukkig uit. De voormalige insectenkenner en galwespdeskundige Kinsey, die dankzij de auteursrechten voor zijn bestsellers Sexual Behavior in the Human Male (1948) en Sexual Behavior in the Human Female (1953) een bemiddelde man was geworden, verzamelde en kocht alles wat hij kon krijgen - zonder vooroordelen, zonder schroom, maar ook zonder kwaliteitscriterium. Naast karrenvrachten obscure opnamen van amateurs kreeg hij ook originele afdrukken in zijn bezit van grote namen als Germaine Krull, George Platt Lynes of de beruchte baron Von Gloeden (die Siciliaanse jongetjes als saters op het strand liet poseren), naast negentiende-eeuwse etsen en artefacten uit het oude Rome of Peru. Hetero-, homo- en biseksualiteit, alledaagse en minder voor de hand liggende varianten en praktijken, sm, piercing en tatoeage, masturbatie en het groepsgebeuren, fetisjisme, seks op vreemde plaatsen, raciaal gemengde vrijpartijen... alles kon uitgevoerd, gefotografeerd en bestudeerd worden. Particulieren schonken hun eigen collectie, maar ook politielui, douaniers en postbeambten, gevangenis- en ziekenhuisdirecteurs stuurden duizenden in beslag genomen foto's op.

Soms maakte een personeelslid van het instituut op vraag van Kinsey bijkomende opnamen, desnoods op zolder. Alles werd geclassificeerd en gecatalogiseerd. In de bijschriften treffen we pareltjes aan als "KI-DC: 22158. Female figure, nude, genitals exposed, standing, hands above the waist". Er waren meer dan twintig categorieën waaronder 'Animal', 'C - clerics' (priesters en nonnen), 'Dance' (vrij onschuldige foto's van mannelijke dansers), 'ER-Facial' (gelaatsuitdrukkingen tijdens het orgasme) en 'Self-stim. female br.' Om van 'Humor' nog te zwijgen. Gelachen! Genoten! Geheel belangeloos, want ter lering en vermaak, voor de goede zaak.

Jean-Marc Barbieux, foto's Sylvie Huet & Yan Morvan

bod mod

Marval, Parijs, 144 p., 45 euro.

Marval heeft nog een ander sulfureus boek in de najaarsaanbieding: bod mod. Geen hoofdletters in de titel, en hooguit twee verminkte woorden (voluit zou dit album body modification heten). Fotografen die we kennen uit de tegencultuur: Sylvie Huet en Yan Morvan, die al jaren optrekken met adepten van radicale lichaamstransformatie. Een essayist, Jean-Marc Barbieux, die ook al kind aan huis is bij de gangs, de clubs en de tribus, zelfverklaarde volksstammen van mensen die de marge van de samenleving opzoeken en voortdurend hun eigen grenzen aftasten. Een zilverkleurige omslag met doorkijkjes naar een tepelpiercing en tatoeages. Kinky boek, modieus boek.

Het gaat Barbieux, Huet en Morvan niet om de modale mens die een tekeningetje in zijn linkerschouder laat kerven of een ringetje door de navel wil, maar om lui die van hun lijf een levend kunstwerk maken.

Voor hen is transformatie een voltijdse vluchtheuvel, een oase van vrijheid in een maatschappij die hen niet echt zint. Het argeloze, 'gegeven' lichaam is hier een oord van revolte geworden, een laboratorium en een atelier, een slagveld waar plannen en ingrepen beraamd worden. Het is misschien wel de enige plek waar ze echt keuzes kunnen maken, beslissingen nemen waar niemand anders iets mee te maken heeft. Obsolete moralisten zullen aanvoeren dat al dat prikken in de huid niets anders dan een obsessie is, een afwijking: 'er zijn kosten aan een mens die zoiets doet'. Dat klopt ook nog, want implantaties, gigantische tatoeages en reeksen ringetjes of bellen kosten handenvol geld en veel pijn. Deze mensen hebben het ervoor over. We kennen zelfs hun namen: Tin-Tin, Sab, Alex en haar dochter Asia, Juju, Chamor, Crass & Fedoo, Yann de Bitche - geen kalenderheiligen, maar mensen die een rat als huisdier nemen en Bataille lezen. Ze kennen de folterkamers van hun tribu van binnenuit, leerden leven met hun lichaam. Ze temmen het. Horen erbij. Overleven dankzij de blik van soortgenoten. Lotgenoten.

De foto's van Huet en Morvan balanceren op de grens tussen intimiteit en openbaarheid. We treffen de modellen aan in de vertrouwde ruimte van hun eigen huis of club, en we weten dat ze gezien willen worden. In zwart-wit levert dat tedere beelden op van een jong koppel met een baby, maar ook harde en zelfs ondraaglijke situaties (een man die zich aan haken door zijn huid laat ophangen) worden ietwat getemperd.

Respect voor wat we stigmatiserend 'praktijken' noemen, is geen gemakkelijke oefening, maar hier lukt het wel. De context (een duur boek, gepubliceerd door een gerespecteerde uitgeverij) zorgt ervoor dat het sensationele niet al te zwaar wordt aangezet en dat we iets als sympathie (ergens onderweg tussen begrip, bewondering en medelijden) voor deze freaks gaan voelen. De paginagrote kleurenfoto's van Yan Morvan confronteren ons veel meer met pijn en lijfelijkheid.

Jean Baudrillard deed de bod mod af als pathetisch en burlesk. Wat zou het, zolang iemand dit zichzelf uit vrije wil aandoet? Maar de twijfel blijft: wat is vrije wil in dit feest van angst en pijn?

Jean-Paul Avice & Claude Pichois

Passion Baudelaire. L'ivresse des images

Textuel, Parijs, 192 p., 47 euro.

Het lijkt wel alsof de hoogbejaarde Claude Pichois, wellicht de grootste Baudelaire-kenner van de twintigste eeuw, aan zijn intellectuele testament toe is. Nadat hij een zogoed als definitieve editie van het verzamelde werk en de briefwisseling van de dichter in de 'Pléiade' bezorgde en samen met Jean Ziegler tekende voor een monumentale biografie van de man, stelde hij in 2002 nog een essentiële Dictionnaire Baudelaire samen waarin zowat alles wat van de schrijver en zijn tijd is geweten, overzichtelijk werd gebundeld. De samenwerking met Jean-Paul Avice, de baas van de Bibliothèque Historique de la Ville de Paris, die tien jaar geleden al de boeiende tentoonstelling Baudelaire/Paris (en het gelijknamige boek) opleverde, blijft vruchten afwerpen. Een ervan is het kijkboek Passion Baudelaire. L'ivresse des images dat zonet van de persen rolde. De legendarische dichter mag dan wel een talig mens geweest zijn die de poëzie een serieuze opstoot van adrenaline bezorgde, ook wanneer het op beelden aankwam was hij in zijn element. Baudelaire was een gedreven kunstcriticus, een notoire tegenstander van de fotografie en andere technologische nieuwlichterij. Maar niemand kon zo goed kijken als de man die Les Fleurs du Mal heeft geschreven, voor de rechter werd gedaagd wegens schending van de goede zeden en finaal zou verkommeren op een Brusselse hotelkamer.

Pichois en Avice hebben zowat de hele iconografie uit Baudelaires omgeving in één band verzameld: portretten, foto's van Parijs op een keerpunt in zijn urbanistische geschiedenis, de tentoonstellingen die de auteur heeft gerecenseerd, kladjes en dagboeken maar ook gecorrigeerde drukproeven en kattebelletjes met uitstaande schulden - meer dan vijfhonderd beelden die chronologisch tot een reusachtige collage werden samengevoegd, een explosie van vaart en vorm. Niet te missen voor wie iets wil begrijpen van het kunstbedrijf in de negentiende eeuw. Het kan toeval zijn, maar het boek ruikt naar lang geleden.

Claude Pichois & Jean-Paul Avice

Les dessins de Baudelaire

Textuel, Parijs, 128 p., 45 euro.

Dit moet een première zijn: voor het eerst (sinds een onvolledige uitgave uit 1927) zijn zowat alle tekeningen van Baudelaire in een album samengebracht, met de voortreffelijke commentaren van het duo Pichois & Avice dat hier andermaal laat zien hoe je snedig en cartesiaans kunt schrijven zonder belerend uit de hoek te komen. In dit grote, rode boek met zacht aanvoelende stofomslag worden alle negenendertig schetsen in facsimile afgedrukt: zelfportretten, vrouwenfiguren, karikaturen en 'droedels' van de dichter die als geen ander zichzelf en zijn soortgenoten observeerde - hij bekende ooit dat de cultus van het beeld zijn "grote, enige, primitieve passie" was. Met stevige uithalen van pen en potlood zette hij krabbels neer, als iemand die aantekeningen maakt in de rand van zijn krant of op een bierviltje.

Zoals de schilders die hij bewonderde, tekende hij zelden of nooit naar levend model maar uit zijn geheugen; alleen op die manier kon de verbeelding de al te letterlijke weergave van de werkelijkheid een hak zetten. Toch bleef hij hardnekkig en zelfs lichtjes obsessioneel zoeken naar de juiste nuance. Dat blijkt uit de talloze varianten op het zelfportret, waarvan hij de realistische en de karikaturale versie almaar opnieuw overdeed; op de bladen, die vrienden en bewonderaars nog tijdens zijn leven hartstochtelijk verzamelden, noteerde hij af en toe kritische commentaren over een mislukte kin of een foute trek om de mond. In ongeveer de helft van de schetsen in dit boek kijkt de dichter met ogen als gloeiende kooltjes naar buiten uit zijn hoofd: we herkennen de blik en oblique (schuin, van onderuit) die zijn tijdgenoten zozeer imponeerde dat ze er in hun brieven en dagboeken niet over konden zwijgen. Banville, Nadar en de broertjes Goncourt beschreven Baudelaire als een ongrijpbaar, almaar van uitzicht wisselend personage, dat zich zowel innemend als minachtend kon gedragen en het recht op tegenspraak in de grondwet wilde laten opnemen; hij droeg zijn haren tot op de schouders of flaneerde met groene lokken in het park, maar liet zich evengoed een week later bijna kaal scheren. Zelf borstelde de dichter in de novelle La Fanfarlo een verdoken zelfportret "met rein en nobel voorhoofd, ogen die glansden als sterke koffie, een speelse en spottende neus en sensuele, vrijpostige lippen, de vierkante kin van een despoot en een pretentieus kapsel als een personage van Rafaël..."

In dit album kunnen we het allemaal bekijken: Baudelaires tronie "als de kop van een ter dood veroordeelde", de ongenadige karikaturen van vrienden of voorbijgangers. En vrouwen - veel vrouwen: zijn minnares Jeanne Duval, Berthe en naamloze passanten die het esthetische ideaal van de schrijver gestalte gaven. Voor deze verdoemde dichter was er geen schoonheid zonder ongeluk. Een vrouw moest tegelijk vurig en triest zijn, verteerd worden door koorts en melancholie, zowel begeerte als tristesse uitstralen. Zoals de auteur van Les Fleurs du Mal zelf, eigenlijk: een tijdgenoot schreef dat hij zowel iets had van een sensuele sater als van een monnik. Dandy's leven en sterven voor de spiegel. Baudelaire kon het weten.

Sebastian Schutyser

Blauw

vzw Fotografie Opdrachten Vlaanderen,

46 p., 15 euro.

Blauw van Sebastian Schutyser is een monomaan boek, en dat hoeft geen probleem te zijn. Voor de fotograaf uit Brugge, die enkele jaren geleden de lemen moskeeën en de mensen van Mali in sterke en subtiele opnamen heeft gevat, was het een nauwkeurig afgelijnde documentaire foto-opdracht vanwege de gelijknamige vzw: Schutyser zou de Belgische rijkswacht- en politiemensen in beeld brengen op een cruciaal moment in de ontwikkeling van hun korps, op de vooravond van de Grote Fusie. In 2001 en 2002 trok hij van Antwerpen naar Houffalize en van Charleroi naar Virton om er flikken te fotograferen in hun uniformen van voor de politiehervorming. Hij kwam terug met tientallen portretten van individuen, in het beste geval met "een stukje mentaliteit van een generatie of een korps". Al deze mannen (en enkele vrouwen) poseerden in hun eigen biotoop voor Schutysers grote technische camera. Frontaal, haast altijd met de voeten lichtjes uit elkaar of wijdbeens, stevig verankerd in de bodem, strak en uniform zoals hun ambt en de man achter het statief het verwachtten, niet altijd ongewapend maar steeds ontwapenend. We zien deze mensen van dichtbij en in kleur - in het begeleidende essay merkt Johan De Vos terecht op dat dit een problematische beslissing is: "Kiezen voor grijs is kiezen voor soberheid, rust en een 'artistieke' traditie. Kiezen voor kleur is kiezen voor onrust, voor het gevaar van de nevenverschijnselen. Het is kiezen voor problemen." Met een thema als dit kun je natuurlijk niet anders: dit is Blauw, op straat. Ook de andere kleuren van deze foto's zijn uitgesproken, en soms fel aangezet. Ze hebben een poederachtige textuur.

Het staat op hun gezicht te lezen, we zien het aan hun lijf: deze mensen weten wat de bedoeling is, ze zien de camera en de vriendelijke man die hen regisseert. Ze rekenen op een haarscherpe opname, ten voeten uit, op een staatsieportret in hemdsmouwen. Zijn ze zich ook bewust van hun waardigheid? Van het plechtige moment, net voor alles anders werd? Van het overvloedige en lichtjes melancholische daglicht dat ze zo goed kennen, hier, in hun kantoor, in de wachtzaal, op het binnenplein? Ze maken deel uit van de achtergrond die de fotograaf met minstens evenveel liefde in beeld heeft gebracht. Doorgaans is het een plat vlak, een muur of een luik. Het zijn technische decors, "gemaakt voor het grove werk, dienstbaar, betaalbaar, professioneel" zoals De Vos schrijft. Ze zijn perfect verwisselbaar; misschien ogen de stenen in Houffalize of Libramont wat 'rustieker', suggereren enkele elementen de functie of het werkterrein van de man of vrouw op de voorgrond (de smidse, de haven, een station, de schutkleur van de administratie). De symmetrie en de overzichtelijkheid van Schutysers beelden rijmen met hun ambtelijke ernst. De diverse emoties in de blik van de modellen laten zien dat ze eerst en vooral mensen zijn, en pas daarna - in alle kleuren blauw - tot hun rol of rang gereduceerd mogen worden. Ze zijn eenvoudig, goedlachs, berustend, hanig of lichtjes maffieus. Aanvallig ook: één keer, het meisje met de helm en de wapenstok dat op het omslag mocht. Of ligt het aan die ene voet die ze voorzichtig naar voren schuift, als om een imaginaire betoger te tonen wie de baas is ?

Kay Heymer & Marco Livingstone

David Hockney. Portretten

Ludion, Gent/Amsterdam, 240 p., 45 euro.

Schilder David Hockney is altijd al gefascineerd geweest door de menselijke figuur. In David Hockney. Portretten zijn werken bijeengebracht die een periode overspannen van bijna vijftig jaar. Van Hockneys zelfportretten die hij al op zijn zeventiende maakte tot de grote recente aquarellen. Wars van trends en tendensen is Hockney figuratieve portretten blijven maken - zowel van bekenden uit zijn omgeving als van bijvoorbeeld het zaalpersoneel van de National Gallery. "Iemand leren tekenen is leren hoe te kijken en dan te zien", zegt Hockney. Het mooi verzorgde boek, met heldere inleidende teksten van kenners Marco Livingstone en Kay Heymer volgt de stadia in Hockneys ontwikkeling. Opmerkelijk daarbij is Hockneys periodieke behoefte om zich te herscholen als tekenaar, en om met zowel nieuwe media als heel oude technieken te experimenteren - zonder ooit het pure tekenen op te geven. (B.D.)

Eric Min

Robert Mapplethorpe, 'Self-portrait', 1975.Gerhard Richter, 'Gegenüberstellung 1', 1988 (olie op doek).Sylvie Huet, 'Ales'.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234