Woensdag 21/10/2020

Tramschutter Utrecht

Om haar verdriet te kunnen verwerken, moet Eline de tramschutter in de ogen kijken

Eline met haar vriend Boudewijn.Beeld Linelle Deunk

Een kogel van Gökmen T., die nu terechtstaat voor de tramaanslag in Utrecht op 18 maart 2019, doorboorde haar lichaam. Later kwam de angst en de wens om dood te gaan. Nu wil Eline weer ademen.

Nu zal ze Gökmen T. in de rechtszaal opnieuw aankijken. Nu zal de 21-jarige studente Eline zien hoe de tramschutter daar terechtstaat voor de viervoudige moord, drie pogingen tot moord en zeventien bedreigingen met terroristisch oogmerk vorig jaar op het 24 Oktoberplein in Utrecht.

Op de houten vloer van haar studentenkamer slingert een bloedrode rugzak. Eline doet hem op haar rug en gaat liggen.

Zo lag ze die ochtend op het asfalt.

In de rugzak zit nog steeds een klein gat. Op die ochtend van 18 maart 2019 ging de kogel er dwars doorheen. Afgeschoten van zo dichtbij.

De noodlottige dag

Het is iets over halfelf als studente Eline die dag haar huis uitloopt. Vandaag heeft ze met vriendinnen afgesproken aan een schoolopdracht te werken. Het is regenachtig, winderig. Aan de overkant ziet ze sneltram 61 rijden. Even een sprintje trekken, denkt ze.

Hijgend stapt ze de achterste deur van de tram binnen. Eline. Een sportief, sterk meisje met lange blonde haren dat in Utrecht studeert. Vier keer per week staat ze in de sportschool. Naast haar studie heeft ze een baan als student-assistent in het medisch lab van het UMC Utrecht.

Het is niet druk achter in de tram. Ze is aan het appen met haar vriend Boudewijn, student aan de universiteit. 

😱😱😱😱 heeft ze geschreven. Om 10.38 uur. Ze grijpt haar telefoon, kijkt naar haar scherm en lacht. Wachtend op zijn antwoord.

Maar precies op dat moment haalt een man voorin de tramcoupé een pistool tevoorschijn, slechts een paar meter bij haar vandaan.

Hij zet het op het achterhoofd van een man en haalt de trekker over. Het wapen gaat niet af. Daarna richt hij zijn wapen op een andere passagier. Maar er volgt geen schot.

‘Allahu akbar’, schreeuwt hij. Hard.

Eline kijkt op. Mensen schreeuwen. In het gangpad staat een man met zijn rug half naar haar toe: Gökmen T.

Ze ziet dat hij zijn pistool richt op een meisje, rechtsvoor, bij het raam op een vierzitsbankje. “Een pistool met een demper.”

De klap klinkt dof. “Dit is niet echt”, denkt Eline. “Dit kan niet.’”

En ze denkt ook: “Dit is een aanslag.”

Het beeld van dit meisje, dat in haar borst wordt geraakt, zal ze nooit meer uit haar hoofd krijgen. In een flits duikt ze in elkaar.

Helemaal achter in de tram zit ze links op haar hurken tegen een plastic wand gedrukt. In doodsangst. Een ander meisje duwt zich voor haar. Ze zitten vast, kunnen nergens heen. “Ik hoorde vrouwen gillen voor in de tram. Ik dacht: ik moet zo stil mogelijk worden.” Seconden gaan voorbij. Gökmen T. gaat schietend door de tram.

Hij loopt naar achteren, hun kant op. “En toen zag ik de tramdeur opengaan”, zegt ze. Vanaf dat moment ziet ze alleen nog haar weg naar buiten. Achteraf heeft ze gehoord dat er iemand met een kinderwagen is geweest, dat er nog veel meer mensen met haar die tram uit sprongen. Ze heeft niemand meer gezien.

Ze springt, maar zodra ze de grond raakt, gaat ze door haar enkel. “Ik ben de lul”, denkt ze.

Ze probeert nog weg te kruipen, maar ineens staat hij daar in de deuropening van de zwart-gele tram, zijn wapen op haar gericht: Gökmen T. Op nog geen paar meter afstand.

Het is alsof ze een enorme klap in haar rug krijgt. Haar oren piepen. Verdoofd blijft ze liggen.

Wakker blijven!

De kogel gaat dwars door haar lichaam heen, van linkeronderrug naar rechterborst. Hij doorboort haar long, milt en slagader, raakt haar lever, haar ruggenwervel, haar nier.

Ze schreeuwt om hulp, steekt haar hand omhoog om aandacht te trekken. Een Turks-Nederlandse man die al uit de tram is gevlucht, hoort haar en rent terug. Ook een automobilist en een omstander komen aangesneld op haar kreten.

“Met zijn drieën begonnen ze met me te slepen – weg van de tram”, zegt Eline. “Ik bloedde heel erg. De jongen die mijn benen vasthield, liet me twee keer vallen omdat hij zo schrok van al dat bloed. Zelf begreep ik niet goed meer wat er gebeurde; ik dacht dat ik van een brancard viel.”

Ze heeft het gevoel dat ze stikt. Ze leggen haar op straat op haar rug naast een donkere auto. Telkens valt ze weg. De Turks-Nederlandse man tikt hard tegen haar wang. “Wakker blijven”, roept hij.

En ineens ligt ze daar. Alleen.

De mannen zijn verdwenen. Ze ziet de wolken en de blauwe lucht boven zich. Ze denkt aan haar moeder en haar zus. Ze moet blijven leven.

De kogel van de tramschutter deed zijn verwoestende werk bij Eline. Hij raakte haar milt, lever, long, alvleesklier en slagader.Beeld Linelle Deunk

Pas later begrijpt ze dat de mensen die haar achterlieten, hebben moeten rennen voor hun leven: Gökmen T. komt al schietend achter hen aan. Daarbij rent hij vlak langs haar heen, maar hij ziet waarschijnlijk niet dat Eline nog in leven is.

En dan ineens hangen er drie andere mensen boven haar. Een vrouw. Een man met een bril. Nog een man. De vrouw vuurt continu vragen op haar af. “Hoe heet je? Hoe oud ben je? Waar kom je vandaan? Wat studeer je?”

“Kut. Ik ga dood”, denkt Eline.

Haar blauwe jas loopt vol met bloed. “Ik krijg geen lucht”, perst ze eruit. “Ik voel mijn benen niet meer.”

Een omstander maakt met zijn telefoon een foto van haar op de grond en deelt hem met zijn netwerk.

Nieuws beheerst Utrecht

Het is halftwaalf als Elines vriend Boudewijn met hoge snelheid aan komt rijden bij het UMC Utrecht. Het nieuws over de tram beheerst de stad. Nog geen kwartier geleden heeft hij haar geappt. “Wow, wat is er aan de hand daar?”, heeft hij geschreven. “Schat, neem op.”

Het is niets voor Eline om niet terug te bellen – dat weet hij. Maar hij probeert zichzelf gerust te stellen, de dingen optimistisch te bekijken. Hoe groot is de kans dat ze is geraakt? Maar dan krijgt hij een appje van zijn nicht. “Volgens mij herken ik Elines sjaal op een foto”, staat er. Het beeld van de omstander heeft haar bereikt.

Als hij haar ziet liggen, zakt hij door zijn benen. Hij huilt.

De vriend die met hem naar het ziekenhuis is gereden, grijpt hem vast op de koude parkeerplaats. Samen lopen ze het ziekenhuis in, waar ze het stiltecentrum in worden gestuurd. “We hoorden urenlang niets”, zegt Boudewijn. “We hadden geen idee of ze dood was of nog leefde.”

Een arts vraagt om Elines familie. “In de uren daarvoor had ik verschillende families zachtjes weggeleid zien worden. Toen haar naam ineens hardop werd genoemd, dacht ik: oh, ze leeft nog.”

De arts vertelt dat Eline is geopereerd, dat het een ravage was en dat ze uren bezig zijn geweest met het stoppen van de bloedingen. Het zal erom spannen. Haar milt is verwijderd, ze heeft bijna 11 liter bloed gekregen en de chirurg heeft haar hart in haar borstkas met de hand moeten reanimeren. Haar ruggengraat blijkt geschampt door de kogel. Anderhalve minuut heeft ze geen zuurstof gehad.

“We bekijken haar toestand van minuut tot minuut”, zegt de arts.

Die avond wordt ze met spoed de operatiekamer in gereden en in totaal zullen er nog vijf operaties volgen. Boudewijn onderzoekt zelf haar bebloede kleding, omdat de artsen twijfelen hoeveel kogels haar hebben getroffen. Hij ziet die avond het nieuws niet, maar hij merkt dat een van de mannen die Eline wegdroegen de media over haar heeft verteld. Het doet pijn.

“Ik kreeg berichten”, zegt Boudewijn. “Ging dat over Eline? Is ze verlamd? Terwijl wij bezig waren met de vraag: leeft ze over een paar minuten nog?”

Negen dagen in coma

Ze overleeft. Negen dagen lang wordt ze in coma gehouden, en als ze wakker wordt aan de draden op de intensive care, ziet ze haar moeder binnenkomen. De tranen stromen over haar wangen. Ze weet precies wat er is gebeurd.

“Is dat andere meisje dood?”, vraagt ze aan haar moeder, doelend op het meisje uit de tram. Haar moeder knikt.

Bijna meteen beginnen de angstaanvallen. Ze krijgt het idee dat T. nog rondloopt, dat ze niet weg kan. Tijdens elke aanval heeft ze het gevoel dat haar keel wordt dichtgeknepen. Ze krijgt geen lucht meer en ze probeert om hulp te roepen, maar door het zuurstofgebrek begint ze op die momenten te stotteren en komt er soms alleen maar ‘d-d-d-d-d-d-d-d-d-h-h-h-h’ uit. Haar benen trillen, haar handen schieten keer op keer naar haar hoofd, alsof ze zichzelf wil beschermen – ze heeft er geen controle over.

Beeld Linelle Deunk

Soms wordt het zo erg dat ze er niet meer wil zijn, zegt ze. “Ik was zo bang, dat ik dood wilde.” Ook in haar dromen heeft ze vaak het gevoel dat ze stikt. Omdat ze alle slangen uit haar lichaam trekt, wordt ze geregeld vastgebonden aan haar bed.

“Maak me af”, roept ze soms naar de mensen om zich heen. “Maak me áf.”

Boudewijn: “De aanvallen kwamen om de zoveel minuten, de hele dag door. We probeerden haar gerust te stellen en duidelijk te maken dat ze veilig was, maar ze was nauwelijks rustig te krijgen. Dat was heel moeilijk om te zien.”

Na een paar dagen zetten de artsen alle pijnstillers met psychische effecten in één keer stop. En dan, na een diep dal, gaat het plotseling wat beter. Het stotteren verdwijnt, de angsten nemen af. Ze ligt vier weken in het ziekenhuis, waar ze in een rolstoel uit wordt gereden. Doordat haar ruggenwervel is geraakt, heeft ze een partiële dwarslaesie.

Revalidatie

Het kost maanden, maar ze leert weer lopen – een overwinning op haar bijna verwoeste lichaam. Tot op de dag van vandaag is ze aan het revalideren, zonder te weten hoe ver ze zal komen.

“In eerste instantie was ik alleen verdrietig. Later werd ik boos. Iedereen ging door met zijn leven, en ik zat daar op de bank en kon niks. Dat had híj me aangedaan.”

Ze begint een zoektocht naar de feiten en de recherche laat haar een reconstructie zien. “Ik zag bolletjes met namen en kleuren. Groen was leven, geel was gewond, rood was overleden. Toen hij begon te schieten, zag ik de bolletjes alle kanten op gaan. Het bolletje met mijn naam werd geel, ik zag bolletjes rood worden.”

Ook woont ze de zittingen bij. De laatste keer komt er een man naar haar toe die vraagt of ze zijn broer in de tram misschien nog heeft gezien.

Ik moest vreselijk huilen. Hij was gebroken. Ik heb me daar heel schuldig over gevoeld. Waarom leefde ik nog wel?”

Hoe het nu met haar gaat? Haar studie en haar werk heeft ze weer opgepakt. De angsten zijn er nog, al heeft ze door therapie nu meer controle. “Ik droom nooit van de tram zelf”, zegt Eline. “Maar wel dat ik op een schoolplein sta. Of in een winkelcentrum. En dat het dan weer begint. Een tijdlang scande ik alles en iedereen. Zodra ik getinte mannen in hun jaszak naar iets zag grijpen, ging mijn hart als een razende tekeer. Ik verwachtte elk moment een pistool.”

Ze is alle mensen die haar die dag hielpen overleven oneindig dankbaar. Onlangs ontmoette ze de Turks-Nederlandse man die haar samen met twee anderen wegsleepte. “We omhelsden elkaar. Hij heeft een tijdlang gedacht dat ik dood was. Voor mij betekent het veel dat hij óók Turks was. Het heeft mijn angst voor getinte mannen verminderd.”

Eline en Boudewijn zijn ontdaan dat haar foto die dag zomaar rondging. Hij staat nog steeds op actualiteitenwebsite GeenStijl.

“Wie verspreidt deze foto om te laten zien: kijk, hier ligt een vrouw te sterven?”, zegt Eline. Boudewijn: “We hopen dat de maker contact met ons opneemt.”

Beeld Linelle Deunk

Twee weken voor de aanslag bezocht Eline voor het eerst in haar leven toevallig een psycholoog. “Ik was heel perfectionistisch”, zegt ze. “Ik was altijd bezig om geen fouten te maken, en ik was bang dat dat me op zou breken. Maar nu ik hier uit kom, weet ik: mijn geest zit gewoon goed in elkaar, daar hoef ik me geen zorgen over te maken.”

“Ik zal nooit meer een zorgeloos leven hebben en veel gezondheidsrisico’s lopen”, zegt ze. “Ik kan niet rennen, terwijl ik hiervoor heel sterk was. Maar ik wil anderen laten zien dat je – ook als je zoiets meemaakt – gewoon weer een leven kunt hebben.”

Nu zal ze op de zitting T. aankijken.

“Ik wil niet wegkijken”, zegt ze. “Om mijn verdriet te verwerken, moet ik alles weten. Ik wil ook dat hij naar mij luistert. Als hij gaat schreeuwen, wordt hij weggevoerd. Maar hij zal het horen. Hij wilde mij neerhalen. Dat deed hij, maar ik ben er bovenop gekomen. Ik wil dat hij dat weet. Dat iedereen dat weet.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234