Maandag 01/06/2020

Oliejongens in het eskimodorp

Nu Shell zich opmaakt voor boringen naar Arctische olie, stromen eskimodorpjes in Noord-Alaska vol 'olietypes'. Voor de lokale bevolking betekent dat inkomsten, maar ook onrust. 'Al die witte mensen, ze zijn welkom, maar als ze het verkloten, weg ermee.'

Plots stonden er tien soldaten voor hotel Top of the World in Barrow, Alaska. Ze stapten uit een paar witte busjes en liepen in camouflagekleuren met hun plunjezakken naar binnen. Het leger checkte in, in Barrow. "Ik ben boven Irak uit vliegtuigen gesprongen; nu zit ik hier", zei een soldaat met een snor en een petje waarop zijn naam stond: Hughes. "We werken samen met de kustwacht. Wat we precies gaan doen kan ik niet zeggen. Alles wat ik kan zeggen is dit: dat we hier nu zijn, betekent dat we kennelijk nodig zijn."

Een paar dagen daarvoor had officier Rick Whitney met veertien andere leden van de kustwacht al zijn intrek genomen op de oude verlaten marinebasis van Barrow, waar nu ijsberen rondscharrelen. Ze hadden een canvas tent opgezet langs de in onbruik geraakte landingsbaan van een oude radarpost uit de Koude Oorlog en gingen van daaruit en met twee helikopters de Chukchizee in de gaten houden. "Het wordt steeds drukker in deze wateren", zei Whitney. "Het werd hoog tijd dat we hier zijn."

Hier, dat is het noordelijkste plekje van de Verenigde Staten, ver boven de poolcirkel in de linker bovenhoek van Alaska, aan het einde van honderden kilometers drassige toendra en aan het begin van honderden kilometers brokkelig pakijs - Barrow is een zwarte stip in twee kleuren niemandsland. Maar de soldaten en de kustwacht waren al tekenen dat er iets te gebeuren stond in Barrow, en in het hele Noordpoolgebied. Op ruim 100 kilometer van het zwarte grindstrand van Barrow wil Shell de komende weken in de Noordelijke IJszee naar olie boren, naar een schat van misschien wel 26 miljard vaten, die in theorie 2.600 miljard dollar waard is. Het geld zal niet alleen gaan naar het bedrijf dat de olie uit de grond haalt, maar vooral ook naar iedereen die er op de een of andere manier een graantje van meepikt: niet in de laatste plaats de Verenigde Staten zelf.

De belangen, bleek uit de soldaten en de kustwacht, zijn groot. Daartegenover staat het veel kleinere belang van Barrow, en de andere dorpjes hier langs de kust van Alaska. Wainwright, Point Lay, Point Hope, Nuiqsut, Kaktovik: dorpjes met elk een paar honderd inwoners die tot de meest geïsoleerde plekken van de westerse wereld behoren - zozeer dat het eigenlijk geen westerse wereld meer is. Er zijn geen wegen naartoe, er zijn geen havens, er ligt een grindweg die dienstdoet als landingsbaan voor de propellervliegtuigjes die er een- of tweemaal per dag een handvol bezoekers en honderden blikjes cola komen brengen. De dorpelingen zijn voor het merendeel eskimo's die nog steeds leven van walvissen, zeehonden, walrussen, kariboes. Alcohol wordt niet verkocht, en de armoede is soms zo groot dat een meisje haar kind verkoopt om aan geld te komen. Wat zijn hun belangen? Wat moeten zij met die olie? Wat gaat de olie hun brengen?

Bij Point Barrow, de kaap waarvandaan ontdekkingsreizigers vroeger naar de Noordpool vertrokken, stuurt Ned Arey (47) maandagavond zijn boot naar het strand. Achter de boot hangt een enorme glanzende buitenboordmotor. Arey, met een ringbaardje en naar achteren gekamd grijzend haar, met om halfeen 's nachts een zonnebril op zijn neus, is een eskimo die nog steeds het eeuwenoude menu najaagt, maar dan met moderne middelen. "We hebben die motoren nodig", zegt hij, wijzend naar de joekels van 150 pk. Want het ijs trekt zich steeds verder terug, en ze moeten dus steeds verder varen om aan de rand van het ijs te komen waar de zeehonden zich ophouden. "Onze voorouders peddelden, wij niet. We hebben een traditie-nieuwe-stijl, met gps, satelliettelefoons, automatische bakens voor de navigatie. We kunnen niet meer zonder. Dit heeft de olie ons gegeven."

Tot dusver was de olie goed voor Barrow, en goed voor alle dorpen op de North Slope, de enorme vlakte die tussen de bergen en de zee van Noord-Alaska ligt en samen één gemeente vormt. Op die vlakte zijn de grootste olievelden van Amerika aangeboord, waarvan de eskimo's in de dorpen direct en indirect hebben geprofiteerd. Direct, vanwege de onroerendgoedbelasting op de olievoorraden, geld dat rechtstreeks naar de dorpen vloeide. Indirect, vanwege de lokale native companies die de banen kregen die de olie-industrie te vergeven had. Die 'inboorlingencoöperaties', opgericht in de jaren zeventig, hebben nu omzetten van honderden miljoenen tot enkele miljarden dollars, waarbij de winsten naar de aandeelhouders vloeiden - de eskimo's. Dat levert ze tussen vijf- en tienduizend dollar per jaar op.

Maar de velden op het land raken leeg. Er zijn nog wel wat veelbelovende gebieden, maar die liggen in een beschermd natuurpark. Nu heeft Amerika zijn zinnen gezet op de olie uit de zeebodem voor de kust - waar de dorpjes geen cent van terugzien.

Folkloristisch pretpark

Arey rijdt in zijn grote terreinwagen, Chevrolet Trailblazer, naar huis, door de muggenwolken over de krakende gravelwegen van het dorp. Thuis laat hij de foto's zien van zijn laatste gevangen walvis. Ze hangen aan de muur boven twee oude bloemetjesbanken en een breedbeeld Panasonic. Er hangen baleinen (de gordijnen uit een walvisbek) met daarop de tekst 'Jesus is our Lord', er slingeren zes afstandsbedieningen voor Xbox-spelletjescomputers en uit de luidspreker klinkt Cyndi Lauper. Arey is een van de vijftig walviskapiteins in Barrow, de leiders van de ploegen die in het voorjaar naar de rand van het ijs trekken om daar dagen of weken in tentjes te zitten wachten tot de walvissen komen. Als ze komen, duwen ze hun bootjes van zeehondenhuid het water in om de beesten te volgen en te harpoeneren - met een soort bom in de punt van de harpoen, dat dan weer wel. De walviskapiteins van Barrow zijn bezorgd dat de offshoreboringen of olielekkages de walvissen zullen verjagen, zodat zij ze niet meer kunnen harpoeneren.

"Weten die olietypes waar ze aan beginnen?", zegt Arey. "Er zijn hier stormen die volwassen kerels aan het huilen maken. En het gegil van ijsplaten die botsen en tot bergen groeien - zelfs wij zijn er bang voor."

"Wat moeten we eten als we geen walvissen meer kunnen vangen? Biefstuk? Kip? Heb jij hier koeien of kippen gezien?"Maar tegelijkertijd heeft hij een andere zorg. "Als de olie stopt, hoe komen we dan aan geld voor onze boten, onze telefoons, onze brandstof? Wij willen onze sneeuwscooters en harpoenbazooka's niet inleveren. Wij willen geen folkloristisch pretpark worden." Mannen als Arey zijn er veel, in Barrow. Ze willen wel het geld van de olie, maar niet de risico's. En wat krijgen ze? Niet het geld, en wel de risico's.

Hij zet een potje op tafel, met daarin een mengsel van gefermenteerde walvisblubber en gedroogde zeehond. "Ik heb liever dat ze op het land boren", zegt hij. "Daar verdienen we tenminste wat aan. En dan kunnen we dit blijven eten. Wij heten Inupiat, dat betekent: de echte mensen. Omdat we van het land leven. Dit is een van de laatste plekken op aarde waar dat kan. Zonder walvis blijft er niets van ons over."

Toch zijn er ook voorstanders van de offshoreboringen in de dorpen. Toen Shell door milieugroeperingen voor het gerecht werd gedaagd, schreven de inboorlingencorporaties in Barrow, Wainwright en Kaktovik een 'vriendenbrief', een juridische steunbetuiging voor Shell. "Offshoreboringen vergroten de economische ontwikkeling van de dorpen", schreven zij aan de rechtbank. "Want hoewel onze aandeelhouders moeten jagen om in hun levensonderhoud te voorzien, zitten zij ook deels in een westerse casheconomie. Ontginning van bodemschatten is voor hen noodzakelijk."

De corporaties hadden al miljoenencontracten in de wacht gesleept van Shell. Zo verdient UIC, de corporatie van Barrow, 9 miljoen dollar met het verlenen van "luchtvaartdiensten" om de boorploegen van Shell te ondersteunen. Ook hebben 45 dorpelingen al gewerkt als "zeezoogdier-observators", om te kijken of de walvissen geen last hadden van Shellschepen.

Forrest Olemaun, UIC-bestuurder in Barrow, wil er eigenlijk niet over praten. Hij zit in zijn kantoortje, en kijkt van achter zijn brilletje met een ironische oogopslag naar zijn bezoek. Het feit dat zijn aandeelhouders voor het boren zijn, maar in een andere hoedanigheid tegenstander, weet hij onnavolgbaar te pareren. "Als een meneer van een oliemaatschappij aan mijn deur komt om met mij over olieboringen te praten, wil ik het perspectief van onze mensen laten zien. Wat heb ik eraan om me als tegenstander op te stellen? Dan weet ik zeker dat er niet naar me geluisterd wordt. Het is in het belang van de tegenstanders zich als voorstander te gedragen."

Een blok verderop zit Crawford Patkotak van de regionale eskimocorporatie ASRC, een organisatie met elfduizend werknemers, twee raffinaderijen en een omzet van 2,5 miljard dollar. Dat levert elke eskimo van de North Slope zo'n vijfduizend dollar per jaar op. Patkotak draagt een keurig gestreept overhemd onder een trots hoofd - hij is een man die een paar honderdduizenden dollars per jaar verdient. "Onze bedrijven bieden de dorpelingen de kans op een modern comfortabel leven. Om daarmee door te gaan moet er nieuwe olie gevonden worden." En natuurlijk, zegt hij, zijn ze het allemaal eens. "Er is geen kloof. Als die olie verantwoord naar boven wordt gehaald, willen we dat allemaal."

Het is typerend: niemand wil van een kloof spreken. De eenheid in de gemeenschap is een van de grote vereisten voor het voortbestaan van de gemeenschap - uiteindelijk moet iedereen samen aan de slag om de walvissen het dorp binnen te slepen.

De discussie over de olie bij Alaska spitst zich vooral toe op de boringen van Shell, en het risico van lekkages. Maar er is meer aan de hand. Ten eerste zitten er veel meer maatschappijen op het vinkentouw. Het Amerikaanse ConocoPhillips wil volgend jaar boren, het Noorse Statoil het jaar daarop. Ook het Italiaanse Eni en het Franse Total hebben blokken zee gekocht waar ze naar olie willen zoeken. Ten tweede is het risico van lekkages maar één risico. Wat gebeurt er in de dorpen als de olieboom echt begint? Zelfs als alles goed gaat, kan er nog zo veel verkeerd gaan.

Tien jaar vooruitkijken

In de kamer van de burgemeester van de North Slope Borough ligt een psalmenboek open op het lied 'Where All Things Are New'. Charlotte Brower, een verre afstammelinge van een 19de-eeuwse Nederlandse walvisvaarder Brouwer, spreekt met een verrassende scherpte over de bedreigingen van haar gemeente. "We moeten tien jaar vooruitkijken", zegt ze. "Wat gebeurt er de komende tien jaar met deze dorpen als de olie is gevonden en wordt gewonnen? Daar maak ik me zorgen over. Een bedrijf als Shell is actief bezig met de federale autoriteiten om de vergunningen binnen te krijgen, maar dan komen ze naar ons en zeggen: we gaan dit doen, we gaan dat doen. En wij hebben er niets over te zeggen. De sociale en economische impact? Ze hebben geen idee. Ook de federale overheid bekommert zich daar niet om. Er is zo veel om rekening mee te houden, maar niemand doet het." Neem de huisvesting, zegt ze. Daar merk je al dat er iets op til is.

Huurders in Barrow krijgen steeds vaker een opzegging van de huur. Huisbazen zien de olieboom komen, en de bijbehorende gouden bergen die gepaard gaan met een hogere huur. Dus verhuren ze de huizen liever aan goedbetalende expats dan aan hun eigen bevolking. Huren gaan omhoog van 2.300 naar 3.500 dollar per maand, en ook de koopprijzen stijgen: er worden al bedragen genoemd van 1.000 dollar per vierkante voet, bijna 8.000 euro per vierkante meter. Dat in een plaats waar de huizen niet veel meer zijn dan houten schuren met bergen rommel eromheen, van gesneuvelde sneeuwscooters tot drogende kariboehuiden, van buitenboordmotoren tot een oude slee.

"De oliebedrijven plannen niets", zegt Brower. "Ze laten alles aan ons over. Hoeveel mensen komen hier straks ons dorp in? Duizend? Tienduizend? Het huidige grote veld is Prudhoe Bay, waar geen problemen waren omdat er geen dorp was. Hier wordt het anders, hier wordt een bestaande bevolking verdrongen. De centrale overheid, die hier zo graag olie wil winnen, zou daar meer over na kunnen denken." Maar nee, tegen de boringen is Brower niet. "Ik wil alleen dat we wel een deel van de opbrengst krijgen. Ik ben de vrouw van een walviskapitein. Mijn taak is ervoor te zorgen dat iedereen een goed stuk vlees krijgt. Of ik handig moet manoeuvreren? Ik manoeuvreer niet. Manoeuvreren veronderstelt blokkades. Het gaat allemaal over balans. "

Verse groente

Tanik, heten ze. De witte mensen, de blanken. In Barrow is een derde van de bewoners blank - vaak binnengedwarrelde dwalers die ooit uit het andere deel van de Verenigde Staten zijn komen aanwaaien en nooit meer zijn teruggegaan. Maar een half uurtje vliegen ten zuiden van Barrow, in Wainwright, is bijna 90 procent van de vijfhonderd bewoners eskimo. Juist hier plannen de oliemaatschappijen de belangrijkste investeringen voor toekomstige oliewinning. Want terwijl de eerste proefboring nog moet beginnen, wordt er allang verder gedacht. Shell wil hier de pijplijn van de toekomstige olievelden aan land laten komen, Statoil wil hier een haven bouwen, ConocoPhillips denkt daar ook over. Op een strand van een inham liggen al de vier aluminium vaartuigen klaar om straks gelekte olie op te gaan ruimen. Er wordt hier straks zeker 10 miljoen dollar verdiend aan ondersteunende werkzaamheden voor Shell.

Maar toch. "De witte mensen maken te veel herrie", zucht een hardhorende inwoner van 79, die donderdag op een bankje bij de plaatselijke supermarkt zit. "Al die witte gasten", zegt Dennis, die een garage aan zijn huis aan het bouwen is. "Ze zijn welkom, maar als ze het verkloten, weg ermee."

In Wainwright maakten ze zich grote zorgen over de olieplannen. Zelfs de jongeren, die met iPhone en blikje cola op het strand rondhangen, zijn de oliejongens liever kwijt dan rijk. En al het werk dan? "We jagen liever dan dat we banen hebben", zegt Amy Iliapak (17). "Ik geef niets om geld. We willen het dorp houden zoals het is."

Er is in het dorp een crèmekleurig tehuis gebouwd voor de Shellmensen, die straks een eventueel olielek moeten coördineren. Maar daar willen ze niets zeggen over hun aanwezigheid in het dorp. "Dit is een secured area", zegt een projectleider. "Alle vragen moeten naar de woordvoerder in Anchorage." Ook in Barrow, waar een eind buiten de stad een paar containers zijn neergezet om straks de boorplatformbemanningen te huisvesten, wil Shell niets zeggen over zijn activiteiten. Een werknemer die naar buiten komt om dat te zeggen, ritst haastig een jas dicht over zijn overall met Shell-logo.

In Anchorage, de grootste stad van Alaska, zit Pete Slaiby, de kroegtijger annex projectleider voor het grote Alaska-avontuur van Shell. Het is allemaal opzettelijk, zegt hij, die totale isolatie van de oliejongens - juist om de sociale structuur in de dorpen niet te verstoren. "We hebben onze eigen huisvesting, we vliegen onze eigen boodschappen in, we vliegen met eigen ingehuurde toestellen. We zitten niemand in de weg. We willen gewoon goede buren zijn."

Volgens hem is dat ook vol te houden als straks pijpleidingen worden aangelegd, als er wegen komen, als er allerlei onderaannemers komen invliegen. "Dit wordt geen Golf van Mexico of Noordzee. Er komen hier niet zo veel oliebedrijven. En bedenk wel wat die mensen aan ons hebben. Verse groente, beter internet, betrouwbare stroomvoorziening. We geven ze het beste van twee werelden."

Ach, zegt Ryan Beene, de politieman van Wainwright. Hij heeft het eerder gezien, toen bij het dorpje Nuiqsut olie werd ontdekt. De helft van de bewoners bleek aandeelhouder van de dorpscoöperatie en krijgt zo'n 40.000 dollar per jaar - de andere helft krijgt niets. "Vanaf dat moment ging het allemaal bergafwaarts. Kom hier over tien jaar nog eens kijken."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234