Dinsdag 10/12/2019

Oermoeder zonder kinderen

1916-1939: Ontmoeting

Ik ben een oorlogskind, geboren op 1 maart 1916 in Boekhout als jongste in een gezin met drie dochters. Mijn zussen Maria en Mariette heb ik tijdens mijn kindertijd weinig gezien, omdat ik opgroeide in het huis van mijn grootouders, Dikke Ma en Dikke Pa. Mijn papa was een schrijnwerker en stierf tijdens de oorlog, toen ik drie jaar oud was. Ook mijn babybroertje verloor toen het leven. Mijn mama is snel daarna hertrouwd met een man met wie ze nog twee kinderen kreeg, Paula en Jacky. Ze volgde hem naar Sint-Truiden en nam alleen de twee oudste dochters uit haar eerste huwelijk mee. Waarom ze mij bij mijn grootouders heeft achtergelaten, weet ik niet. Het was zo vanzelfsprekend dat ik bij hen leefde, dat ik die vraag nooit gesteld heb. Ik zag mijn moeder hoogstens drie keer per jaar. De slechte wegen en het beperkte openbaar vervoer maakten dat een bezoek aan Sint-Truiden in die tijd een hele expeditie was.

...

Op veertienjarige leeftijd kon ik dankzij de interventie van tante Irma als inwonende meid aan de slag bij Baron Peten. Hij werd ook wel 'de Zonnekoning van Velm' genoemd omdat hij als burgervader de scepter zwaaide in Velm, terwijl zijn vrouw er op het kasteel een heuse hofhouding op na hield. Ik moest wastafels en toiletten schoonmaken en kleren opplooien. 's Morgens de bedden opmaken en 's avonds de sprei openleggen voordat de dames gingen slapen. Op de boerderij van Peten werkte er veel personeel volgens een nauwgezette hiërarchie. Omdat tante Irma kokkin was voor de knechten, sliep zij met haar man in de bijgebouwen, terwijl ik als meid van mijnheer en mevrouw een slaapplaats kreeg in het hoofdgebouw. Langs het balkon van mijn kamer glipte ik elke nacht naar buiten. Ik was zestien jaar en had heimwee naar huis. In het bed van tante Irma vond ik de familiale warmte die ik miste.

...

Ik herinner me niet dat Arthur me plechtig ten huwelijk heeft gevraagd. Aan dergelijke romantische plichtplegingen werd in die tijd geen belang gehecht. Op een doordeweekse werkdag bij de familie Cajot ben ik 'uitgetrouwd'. Arthur en zijn moeder hadden dat geregeld. Mijn bruidsjurk was niets bijzonders, een grijze, wollen jurk die nog in de kast hing. Ik kreeg van madam een dag verlof, en in het gemeentehuis gaven Arthur en ik elkaar het jawoord. De koster en zijn vrouw waren onze enige getuigen.

...

Na ons huwelijk konden we samen aan de slag op kasteel Krabbelshof, in de bossen van Pulle, op een domein van maar liefst 1.750 hectare. De familie Van de Werve was van adellijke afkomst, maar behandelde haar personeel met vriendelijkheid en respect. Onder hun dak hebben we een heel mooie tijd beleefd. Het was een droom om voor hen te werken. Ik kreeg er opnieuw de post van bovenmeid en Arthur was dankzij zijn diploma mechaniek geknipt als chauffeur. Daarnaast fungeerde hij soms als butler, en af en toe werd er op zijn diensten ook een beroep gedaan door andere adellijke families.

...

Als het van mij had afgehangen, waren we er nooit weggegaan. Maar mijn stiefvader had besloten dat het tijd werd dat we zijn zaak overnamen. Al was het maar omwille van het prestige en de goede familienaam. Huispersoneel stond immers niet hoog aangeschreven. Handeldrijven verdiende meer aanzien en respect. Zonder ons vragen te stellen of te protesteren keerden we gedwee terug naar Sint-Truiden. We waren het gewoon om te gehoorzamen en zonder morren te doen wat van ons verwacht werd.

...

In de kelder stonden zeven wafelijzers op een rij en wij hadden geen idee waar te beginnen. Ik was ondertussen tweeëntwintig en nog altijd niet zwanger, maar we maakten er geen drama van. Alsof we intuïtief wisten dat het lot een ander scenario voor ons in petto had. Op een dag kwam Herman, de zoon van mijn zus Maria, bij ons logeren. Om een of andere reden werd zijn terugkeer telkens weer uitgesteld, waardoor hij bijna onopgemerkt deel werd van ons gezin. Het was geen bewuste beslissing, maar iets dat spontaan gebeurde. Sindsdien zouden we door iedereen worden aangesproken als 'Tant' en 'Nonk'.

1939-1945: Verzet

Toen de oorlogsdreiging steeds grimmiger werd en Nonk in 1939 gemobiliseerd werd, kwam er een abrupt einde aan ons prille gezinsgeluk. Mijn moeder drong erop aan dat Herman terugkeerde naar zijn moeder. "Je kunt een oorlog niet voorspellen en als hem iets overkomt, zal je zus je het nooit vergeven", zei ze. De geschiedenis heeft haar gelijk gegeven, want niet veel later brak de oorlog in alle hevigheid los. Nonk werd al snel krijgsgevangen gemaakt, maar gelukkig slaagden we er wel in om via briefwisseling contact te houden. Tijdens zijn afwezigheid werd ons huis op de Tongersesteenweg in Brustem gebombardeerd. Ik was alleen thuis en voerde de kippen toen het gebrom van vliegtuigen weerklonk. Ik keek naar de lucht en telde er zeven. Plots verstomden de motoren. In dat moment van ijzingwekkende stilte werden de bommen gelost. Instinctief zocht ik met mijn hoofd dekking in de broodoven die achter in de tuin stond. Door de enorme luchtverplaatsing vloog het deksel van de oven tegen mijn been. Ik had een blauwe plek, maar als bij wonder verder geen schrammetje. Ons huis daarentegen was volledig met de grond gelijkgemaakt. Tussen de brokstukken lagen dode schapen, konijnen en kippen. Ik was nog niet van de schok bekomen of zag al mensen wegrennen met mijn bontgevlekte lievelingsschaapje.

...

In 1942 werden de Vlaamse krijgsgevangenen gelost en kwam Nonk weer naar huis. We vonden onderdak bij vrienden. In totaal zou ik in mijn leven wel twaalf keer verhuizen, maar ik was allang blij dat we een dak boven ons hoofd hadden. Nonk woog nog 42 kilo toen hij terugkeerde uit krijgsgevangenschap. Zijn longen waren aangetast en zonder de goede zorgen van een dokter uit de buurt had hij het niet overleefd. De dokter gaf Nonk de levensnoodzakelijke medicatie die we zelf nooit hadden kunnen betalen. Het toeval wilde dat de goede man ook een actieve rol speelde in het verzet.

...

En plots verdween Nonk op de meest onmogelijke uren, zonder ook maar enige uitleg te geven. Mijn argwaan groeide en ik wist niet meer wat te denken. Op een bepaald moment stelde ik hem voor een keuze: de waarheid of het einde van ons huwelijk. Niet dat ik hem verdacht van een affaire of zo, maar ik voelde dat hij iets verborgen hield voor mij. Hij heeft toen alles opgebiecht. In eerste instantie was ik opgelucht, maar al snel groeide het besef dat het stilzwijgen en de geheimhouding zijn manier was geweest om mij te beschermen. Hoe vaak heb ik de daaropvolgende jaren niet gewenst dat ik de klok kon terugdraaien. Vanaf het moment dat ik op de hoogte was van zijn rol in het verzet, moest ik het spel ook meespelen.

...

We brachten de piloten naar een onderduikadres in Luik. Daar belden we aan, de deur werd geopend, en de piloten stapten binnen zonder dat wij ooit zagen wie er aan de andere kant van de deur stond. Andere keren leidden we hen naar een kerk, waar we langs een geheime deur via een biechtstoel toegang hadden tot een tuin, waar we de piloten achterlieten en ze vervolgens door andere verzetslui werden opgehaald.

...

De angst voor de dood heeft de maatschappij vandaag veel sterker in de greep dan toen. Misschien omdat wij leefden in onwetendheid. Er was geen televisie of radio. Als de wereld in brand stond, wisten we dat pas nadat het vuur geblust was. Pas na de bevrijding hebben we gehoord over de concentratiekampen en de miljoenen gesneuvelden. Natuurlijk heb ik tijdens mijn acties in het verzet doodsangsten uitgestaan en toch heb ik nu veel meer schrik dan toen. De beelden van de terroristische aanslagen in Parijs boezemen me angst in. De vijand heeft telkens een ander gezicht en kan op de meest onverwachte momenten en plaatsen toeslaan. In tegenstelling tot vandaag was de vijand tijdens de Tweede Wereldoorlog duidelijk herkenbaar aan zijn uniform. We wisten ook heel goed wat de Duitsers van ons verwachtten. In zekere zin waren ze zelfs voorspelbaar. Zolang we gehoorzaamden en hun regels volgden, waren we relatief veilig.

...

De reddeloosheid en de wanhoop op het gezicht van wie alles verloren heeft, is voor mij nog altijd herkenbaar. Televisiebeelden van Syrische vluchtelingen die in Griekenland aanspoelen, katapulteren me terug in de tijd. Ooit was ik zelf ook een vluchteling. Weliswaar in eigen land. Gealarmeerd door de geruchten van oprukkende Duitsers besloot mijn stiefvader met zijn gezin op de vlucht te slaan. In onze bestelauto zaten we als sardientjes op elkaar gepakt. Mama, mijn zus Mariette, peuter Jos, baby Mia, Paula, Jacky en ik. Onze reis was echter van korte duur, want al snel zijn we gestrand in Brussel. Daar kregen we onderdak bij een zus van mijn stiefvader. Ons statuut van vluchteling gaf ons recht op niets meer dan een stuk brood. Enkel voor baby's werden rantsoenbonnen voor melk uitgedeeld. Toen de Duitse troepen Sint-Truiden voorbij waren, keerden we terug. De ramen van de wafelbakkerij in de Naamsestraat waren dichtgenageld. Op de Tongersesteenweg was ons huis volledig leeggeplunderd. Maar de daaropvolgende jaren zouden ons leren materiële bezittingen te relativeren. We waren al dankbaar dat niemand in onze familie door het oorlogsgeweld gedood of verwond was.

...

Op het moment dat ons land werd bevrijd door de geallieerde troepen, woonde ik bij mijn schoonmama in Waremme. Ik liep naar het marktplein om de sliert tanks en legervoertuigen te verwelkomen. Het plein was een zee van nationale driekleur. Ik droeg een rode blouse, een zwarte rok en een gele sjaal. De soldaten wuifden ons toe en gooiden chocoladerepen in de mensenmassa.

...

Nonk en ik keerden terug naar Brustem, waar we een voorlopig onderkomen kregen in een van de woonbarakken van het vliegveld. Ik was er de koning te rijk. De barak had een inkomhal, twee slaapkamers, een eetplaats en een keuken. Achteraan genoten we van mooie zomeravonden op het overdekte terras.

...

Toch bracht de wapenstilstand niet meteen de verhoopte rust. In de naweeën van de oorlog volgde de harde repressie van de Witte Brigade. Toen de Duitse soldaat Max, die ons geholpen had met de sabotage van Duitse vliegtuigen, gevangen werd genomen, bewoog Nonk hemel en aarde om hem vrij te krijgen. Ook voor mijn schoonbroer Guillaume wilde Nonk in de bres springen, maar die weigerde elke hulp, met alle gevolgen van dien. De hele huisraad werd op straat gegooid en mijn zus bleef berooid achter met vijf kinderen. Een bevriende familie heeft haar toen onderdak gegeven. Ze mocht haar intrek nemen in het washok, een houten ruimte met een broodoven. Het was een tijdelijke noodoplossing, die uiteindelijk minder tijdelijk zou blijken dan verhoopt. De kinderen noemden hun nieuwe thuis 'Villa Pannenkoek' omwille van de ronde boomschijven die de muren bekleedden. Meteen nadat we het nieuws van de gevangenneming te horen kregen, reisde ik naar Tienen, maar er was weinig dat ik voor haar kon doen. Ik stelde mijn zus voor om haar jongste dochtertje Ria bij ons in huis te nemen. Mijn zus stemde toe, en nadien is Ria nooit meer teruggekeerd. Ze was drieënhalf jaar oud toen zij bij ons arriveerde en zou pas eenentwintig jaar later vertrekken op haar huwelijksdag. Nonk en ik hebben haar grootgebracht alsof ze onze eigen dochter was. Net als Dikke Ma en Dikke Pa in het verleden voor mij hadden gedaan. Het was vanzelfsprekend.

1946-2016: Tijdreis

In 1946 kregen we een premie voor de wederopbouw van onze woning en hebben we de eerste steen gelegd. Naast het huis verrees stilaan ook de ruwbouw van een autowerkplaats en een pompstation. Nonk sloot om één uur 's nachts en ik opende weer vijf uur later. Soms werden we wel drie keer per nacht uit ons bed gebeld door wanhopige klanten die langs de baan zonder benzine waren gevallen. Nonk ging hen dan met een jerrycan benzine depanneren.

...

Het legenestsyndroom heb ik nooit gekend. Kinderen zijn altijd welkom geweest in ons huis. Zo is ook Zenon in ons leven gekomen. In 1954 riep de Christelijke Mutualiteit gezinnen op om kinderen uit het Oostblok tijdens de vakantiemaanden onderdak te geven, zodat ze even op krachten konden komen. (...) Hij was vijf jaar toen hij voor de eerste keer bij ons kwam en zou vanaf dan elke zomervakantie bij ons doorbrengen tot hij de maximumleeftijd van tien jaar bereikte.

Er ontstond een intens briefverkeer, waarin hij soms schreef over een zekere Karl die hen voedselpakketten stuurde. We vermoedden dat hij een Amerikaanse soldaat was die tijdens de oorlog verkering had met Zenons moeder, en dus naar alle waarschijnlijkheid zijn vader was. Twee jaar later, rond Kerstmis, liet Zenon ons in een brief weten dat ze naar Amerika zouden emigreren. Ik was blij dat hij nu eindelijk goed terecht zou komen. Voor mij was die brief het mooiste kerstcadeau ooit. Maar een jaar later, in 1966, schreef Zenon dat Karl hen op straat had gezet. In de envelop stak een foto van hem, met op de achterkant zijn nieuwe adres geschreven. Vanaf toen kwamen onze brieven telkens weer terug met de melding 'adres onbekend'.

...

De daaropvolgende zevenendertig jaar gaf Zenon geen enkel teken van leven. We waren het spoor kwijt. Op een dag kreeg Ria van een vriend te horen dat Amerikaanse genealogische organisaties via hun websites mensen helpen om verloren familieleden terug te vinden. Op die manier ontdekten we dat we al die jaren het adres foutief geschreven hadden. NJ stond niet voor New York, maar voor New Jersey.

...

Ik hoor Ria nog zeggen: "Tant, ga nu even zitten want we hebben groot nieuws." Zoveel jaren later word ik nog altijd emotioneel als ik aan dat moment terugdenk. Al die tijd was ik er rotsvast van overtuigd geweest dat Zenon op een dag voor mijn deur zou staan. En twee maanden na dat eerste telefoontje van Ria werd mijn droom waarheid. Zenon had meteen een ticket geboekt. Sindsdien brengt hij ons elke twee jaar een bezoek. En op mijn verjaardag stuurt hij me telkens een grote ruiker bloemen. (...)

Als ik nu op televisie beelden zie van Syrische vluchtelingen, voel ik de radeloosheid van die mensen. Achter elk kind schuilt een verhaal als dat van Zenon. Als er morgen een vluchtelingenkind aan de deur klopt, zou ik nog steeds niet anders kunnen dan het op te vangen. Het is sterker dan mezelf.

...

Nu heeft iedereen alles, maar niemand is nog gelukkig. Mensen hebben gewoon veel te veel geld. Het leven is te gemakkelijk geworden. Verveling geeft ruimte aan depressies. Ik heb me de afgelopen 99 jaar nog geen moment verveeld. Ik heb altijd wel iets te doen. Zelfs nu nog. Breien, borduren of staren naar wolkenformaties in de lucht. Of naar de meeldraadjes die als ragfijne haartjes een bloem sieren. Te weinig mensen kennen het verschil tussen zien en kijken. Je hoeft niet ver te reizen om wonderen te ontdekken. Elke boom in het bos is een mirakel op zich.

OPGETEKEND DOOR PASCALE BAELDEN

Story of Jeanne,
uitgegeven door StoryBoox, 24,95 euro.
Verkrijgbaar op storybox.be

---

Korting voor DM-lezers

Als De Morgen-lezer krijgt u 5 euro korting op het boek door bij uw bestelling op storybox.be de promocode LEGEND in te geven

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234