Zondag 07/03/2021

Oar 1969

Alexander Spence, Columbia

"Het gaat slecht met de muziekbusiness" en "de grammofoonplaat heeft als geluidsdrager nu echt wel zijn beste tijd gehad" zijn liedjes die ik al meer dan dertig jaar aanhoor en waarvan ik alleen kan zeggen dat het vervelende liedjes zijn. Want wat zie ik in het echt? Dat muziek als nooit tevoren een prominente plaats heeft ingenomen in het leven van vrijwel iedereen, dat er bijna wekelijks nieuwe en boeiende artiesten aan de nationale en internationale einder verschijnen, dat sommige van die artiesten werkelijk miljarden platen verkopen en dat ik op tram, trein en bus steeds meer mensen tegenkom die weer zo'n ouderwets plastic zakje meedragen met daarin een voorwerp dat verdacht veel lijkt op een ouderwetse long playing.

Maar omdat het zogezegd slecht gaat met de muziekindustrie, dient die zichzelf af en toe een adrenalineshot toe dat er bijvoorbeeld uit kan bestaan van aan de wereld te melden dat er iets groots en onmisbaar ontdekt is. Om maar iets te noemen: een lost album van een helemaal onterecht vergeten artiest. Ergens in een executive room van een quasi muzikale multinational wordt daar dan een verhaaltje bij bedacht, en tegelijk ook een spannende verkoopstrategie. Vervolgens worden er een stuk of wat bevriende medialui gebeld en nauwelijks drie maanden later kom je overal kinkels tegen die je haarfijn uitleggen dat het leven geen enkele zin heeft tenzij je snel toetreedt tot het geloof in de Suikerman en dus onmiddellijk gaat zweven bij het horen van werk van de genaamde Rodriguez. Of gaat doen alsof James Brown en Wilson Pickett nooit bestaan hebben en verwacht wordt dat je als een bakvis gaat dwepen bij vermelding van de naam Charles Bradley.

Al dit hieraan voorafgaand gebrom betekent niet dat ik de heren Rodriguez en Bradley hun extra-pensioenpijler zou misgunnen, integendeel. Als u hen graag bezig hoort of ziet, moet u dat vooral doen, maar dat neemt niet weg dat al wie een weinig échte kennis heeft van de westerse populaire muziek van de laatste halve eeuw toch door zou moeten hebben dat het hier louter over verdienstelijke randfiguren gaat, het soort artiesten waarvoor de uitdrukking 'dertien in een dozijn' is uitgevonden.

Dat een artiest, of zijn oeuvre, onbekend gebleven is voor de meesten onder ons, betekent niet automatisch dat die artiest, of zijn oeuvre, van de hoogste orde is. Onbekend is dan wel vaak onbemind, maar daarom niet altijd onterecht. Iedereen heeft natuurlijk in zijn platenkast wel wat schijven staan waarvan hij of zij de indruk heeft dat die alleen voor hem of haar iets betekenen. Zo mocht ik eind jaren zestig graag naar de psychedelische rockband The United States of America luisteren, en hun geweldige songs als 'I Won't Leave My Wooden Wife For You, Sugar' en ook vandaag koester ik hun eerste en enige lp nog altijd als een waardevolle reliek van wildere jaren. Ook schat ik het werk van de wonderlijke, waanzinnige Syd Barrett nog steeds iets hoger in dan dat van zijn oude vrienden van Pink Floyd. En heb ik me laatst nog eens via een lange luisterbeurt door het hele oeuvre van The Soft Machine gewerkt, om uiteindelijk tot de slotsom te komen dat alleen hun destijdse drummer en van een engelenstem voorziene Robert Wyatt mij écht interesseert. Doe daar nog Alex Chilton, Viv Stanshall en Roy Harper bij en u weet het wel: mijn mannetjes mogen raar zijn.

Daarom neem ik, telkens ik met mijn handen langs mijn platenkast ga, ook al vele jaren graag even Oar vast, een vreemdsoortig meesterwerk uit 1969 dat rare man Alexander Lee Spence op enkele donkere decemberdagen en helemaal in z'n dooie eentje opgenomen heeft in een studio in Nashville, na een voorafgaand en volle zes maanden lang durend verblijf in de psychiatrie.

Alexander Spence - zelf noemde hij zichzelf graag Skip of Skippy omdat zijn vrienden vonden dat hij op een kangoeroe leek - was daarvoor wel één van de stichtende leden geweest van de boeiende West Coast-groep Quicksilver Messenger Service, de werkelijk legendarische Jefferson Airplane alsook een sleutelfiguur bij de volledig onderschatte Moby Grape.

Het was een publiek geheim dat zijn overmatig gebruik van substanties niet echt hielp bij de genezing van de vele kwalen waaraan Skip Spence tijdens zijn veel te korte leven (1946-'99) geleden heeft. Toch, of misschien net daarom, is de lp Oar een voorwerp van een grote, vreemde en wezenloze schoonheid geworden. Een ijle plaat van iemand die erin slaagt diverse instrumenten te spelen terwijl hij blijkbaar in een dwangbuis gevangen zit.

Welk soort muziek dit is weet ik na vier decennia beluistering nog altijd niet: psychedelische folk misschien, éénmansrock op tranquilizers, in vinyl geperste pijn. Maar ik ben niet de enige die dat niet weet. Muziekcriticus Rob Brunner noemde Oar niet voor niets "one of the most harrowing documents of pain and confusion ever made" en de zelf ook niet simpele Julian Cope slaat de nagel op de kop wanneer hij stelt dat "Alexander Spence's 'Oar' is simultaneously one of the simplest AND most complex albums I've ever heard."

Want zo is het maar net: Skips enige opus klinkt enerzijds zoals het toevallige werk van een blij, klein kind dat vrolijk zit te lallen in een pas gekregen bandopnemer van Fisher Price, en anderzijds als een rechtstreekse lijn naar de hel waar iemand van tussen de sulferdampen zit te krijten dat het ginder diep onder de aarde echt nog erger is dan op de ware wereld.

Oar wil overigens 'roeispaan' zeggen, en we kunnen ervan uitgaan dat die in dit geval vooral diende om de Styx over te steken.

Oar mag dan een redelijk onbekende plaat zijn, toch heeft ze over de jaren op een heel leger even solide als geloofwaardige fans en pleitbezorgers kunnen rekenen: Robert Plant, Tom Waits en vooral Beck zijn zielsverwanten en het mag dan ook geen wonder heten dat ze samen met vele andere uitmuntenden (Mark Lanegan, Mudhoney, Robyn Hitchcock) terug te vinden zijn op de merkwaardige tributeplaat More Oar die in 1999 kort na Skip Spence's dood verscheen maar door hem nog wel één keer beluisterd is en, volgens zijn intimi, goedgekeurd.

Als u Spence's songtitels alleen nog maar leest weet u eigenlijk al hoe laat het is. Of wat dacht u van 'War In Peace, 'Lawrence of Euphoria' en 'Dixie Peach Promenade (Yin for Yang)'. Als u ze ook nog gaat beluisteren, treedt u op eigen risico in het hoofd van een man die niet echt paste in deze wereld. Een aardige kerel, zegt iedereen die hem gekend heeft, die je de ene dag spontaan een bos bloemen schonk en de volgende dag met een bijl te lijf kon gaan. Een man die helemaal alleen een eigen soort muziek uitvond, maar ook niet te beroerd was om een ruime flard van Creams 'Sunshine of Your Love' te samplen, nog voor dat woord bestond, zoals hij op 'War In Peace' doet. Iemand zei ooit over Oar dat sommige van de nummers erop klonken alsof ze geboren waren uit een samenwerking tussen Johnny Cash en Albert Camus, en ik kan u alvast zeggen dat ik dat geen vergezochte vergelijking vind.

Als u op zoek gaat naar Alexander 'Skip' Spence's debuut, én tegelijk ook het trieste sluitstuk van een verwarde loopbaan, zal u wellicht bij de cd-versie uitkomen met niet minder dan 22 tracks erop. Ik zou aanraden voor aanvang van de integrale beluistering uzelf een licht medicijn toe te dienen. Of verder te zoeken tot u de originele vinylversie vindt: slechts twelve songs, maar waffer!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234