Donderdag 26/11/2020

Nooit was het verschil tussen de nummers één en twee zo klein

Want zelfs al beperkte de echte strijd zich tot één col, en zelfs tot de laatste tien kilometer, dat is in deze Tour, en voor het wielrennen van vandaag, al meer dan genoeg. Ten eerste omdat de Tourmalet niet zomaar bediend wordt van epitheta als ‘legendarisch’ of ‘historisch’. De Tourmalet is een van de schaarse tweeduizenders in de Pyreneeën. Boven de 2.000 meter groeien er geen bomen, zelfs amper gras. Boven de 2.000 meter staat er nauwelijks mos. Boven de 2.000 meter stopt de aarde stilletjes met leven. Boven de 2.000 meter is ook elke sportieve strijd op en zelfs over de rand. De aankomst op de Tourmalet (2.117 meter) is nog wat anders dan die op Hautacam (1.560), Plateau de Beille (1.780), zelfs l’Alpe d’Huez (1.860 meter) of Mont Ventoux (1.912 meter). Er zijn nog wel aankomsten die tot boven de 2.000 meter reiken, maar dat zijn skioorden - Sestrières, Arcalis - met een aangelegde weg erheen die gemaakt is om beklommen te worden. De Tourmalet is een col, een door de mens op de natuur bevochten en gevonden doorgang, ergens in een oksel van het hooggebergte, van de ene vallei naar de andere. Het ene klimmen is het andere niet. Renners rijden naar boven op Hautacam of La Plagne, maar ‘bestijgen de ijle hoogten’ van de Tourmalet.

En het was gisteren wel erg bar en koud bovenop de Tourmalet. Het was nat - niet door de slagregen die eerder de rennersruggen had gegeseld, maar door een dichte, zware mist die mens en kledij doorweekte. Het was donker voor de tijd van het jaar, ook voor het uur van de dag. Wagens en motors reden met ontstoken koplampen, om toch maar niets te missen.

Het zou niet juist zijn dit bevreemdende schouwspel dantesk te noemen. Het meest tot de verbeelding sprekende deel van Dantes Divina Commedia is de afdaling naar de Hel - “Laat alle hoop hier varen, gij die hier binnentreedt.” Hoop was precies wat het peloton vooruitdreef, omhoogdreef: hoop op sportieve roem, op eer en succes, op ritwinst en een Tourzege.

De vergelijking loopt,dus mank, al stond er op de Tourmalet een stoet van wezens die moeiteloos nog vreselijker, extatischer, wilder en duivelser leken dan de figuren die de oude Tolkien had laten opstaan uit de diepten van de mijnen van Moria. Pruiken in geel, groen, rood, paars, zwart en alle combinaties. Billen en borsten in alle maten, kleuren en staten van beharing en blootheid, mannen en vrouwen vermomd als reuzenbanaan, een horde Hollanders, helaas verkleed als Hollanders, vrouwen in bikini, gelukkig met het topje nog aan, een hele brigade Borats, een gele superheld, die met zichtbaar nichterige pasjes huppelt en spurt alsof het WK van zijn kunne hier straks zijn beslag krijgt, schreeuwerds met vlaggen, met Baskische, Vlaamse, Luxemburgse, Italiaanse, Finse Franse, Duitse of Moldavische opdruk, kerels met baarden en buiken, schreeuwend en rennend, en steeds één blik op de tv-camera gericht. Waar is de tijd dat de verschijning van de Tour-duivel nog nieuws was?

De klim naar de Tourmalet was de Heksensabbat der Verstokten: supporters die één nacht vooraf hun campers op deze hoogten hadden geparkeerd, hun tentjes hier hadden opgeslagen, die de nachtelijke regenvlagen, de storm en het onweer hadden moeten doorstaan, en die alle ontbering beloond zagen met de komst van de renners, hun helden. Ze schreeuwden zich schor, een deinende, kilometerslange erehaag, die naarmate de weg naar de Tourmalet de karavaan hoger voerde, steeds nauwer en dichter werd. In de laatste kilometers was er zelfs amper plaats om te versnellen, laat staan te demarreren. Het leverde claustrofobische beelden op, in een overweldigend landschap: een motor die voor Schleck en Contador reed, veel te dichtbij volgens de reglementen, maar wijs en verstandig in de ogen van diegenen die het kolkende volk zagen, dat wielerpubliek dat brood en spelen vertaalt in petjes en renners.

En toch werd er hárd doorgetrokken. Door het topduo Schleck en Contador. Door de achtervolgende groep, waar Jurgen Van den Broeck alleen op de laatste, onwezenlijke steile honderden meters voor de top de andere ‘net-niet-besten’ moest lossen, maar weer wat dichter kwam bij zijn nu toch heel erg verhoopte vijfde plaats. Door zieltogende achterblijvers ook, die veel dichter bij de besten hadden willen eindigen maar niet beter konden. De verschillen verraadden hoe hard en hoogstand de sportieve strijd was. Levi Leipheimer wilde in het spoor van de besten blijven om mee te doen voor de vijfde plaats: hij eindigde op 8.59. Cadel Evans leek het zoals altijd te halen in zijn stijl van bijna lossen en toch bijblijven. Hij ging er finaal af, een fatale rit voor hem: precies 12 minuten was zijn schuld. Dat was beter dan Girowinnaar Ivan Basso, ambitieus begonnen maar op de Tourmalet op 16.28 gereden, of de onmachtige Bradley Wiggins, vorig jaar nog vierde, nu 23.19 in het krijt. En alle renners die nadien over de steep bolden waren getekend door de inspanning. Kerels van twintig jaar, nu met Jeroen Boschkoppen op hun pezige lijven. In dat uitgewoonde gezelschap deed de oude Lance Armstrong het op de Tourmalet erg kranig, in verhouding zelfs uitstekend, door slechts 4.12 toe te geven: een sportief saluut dat respect verdient.

Maar niemand hield dus het wiel van ‘de twee’. Ondanks de ijzige temperaturen, de alles doordrenkende nattigheid, de vermoeidheid van drie weken Tour, bonkten en beukten ze zich een weg naar boven. Strijdend, kampend, vechtend. Twee supersporters, in een bijna bovenmenselijk natuurlijk decor en in tergende weersomstandigheden. Toch zou het ook overdreven zijn om te doen alsof zich hier een nieuwe Apocalyps voltrok. Er werden boven de Tourmalet geen hemelse ruiters met zwaarden of kronen gesignaleerd, geen beesten of helledieren. Wel twee renners, eentje in een gele trui, eentje in een witte, strijdend onder elkaar, zwoegend en wringend tegen zichzelf, en tegen de berg. De witte renner, in de hem op het lijf geschreven rol van witte ridder, was Andy Schleck. Hij streed voor wat hij waard was. Hij kreeg de stugge man in zijn gele trui, welhaast zijn gele harnas, er niet af. Contador had een gepantserde conditie, zelfs Schleck raakte er niet doorheen. “Je mag de gegevens van mijn hartslagmeter zien. Ik heb écht talloze keren het tempo fors opgedreven. Maar Contador loste niet. Dat moet je dat kunnen aanvaarden.”

Intussen reed Schleck voor nog meer dan hij waard was. Voortdurend monsterde hij Contador. Keek hem recht in de ogen. “Natuurlijk doe ik dat. Ik wilde zien of hij nog goed was.” En Contador was goed genoeg. Eén keer versnelde hij - Schleck zat meteen op zijn wiel. Yvon Sanquer, manager van Astana: “Dat was niet om Schleck achter te laten. Wel om te laten zien: ‘Ik doe ook nog mee. Dit is niet de rit van één man, dit is een beklimming met twéé renners.’”

Op de top zag het pubiek hoe de renner in het wit de hand omhoog stak, het zichtbare gebaar van de winnaar, zogezegd. De man in het geel legde ongeveer tegelijk zijn linkerhand op de witte rug. Geen zegegebaar, maar een discreter teken van waardering, van tevredenheid ook. Het was de geste van de échte winnaar.

Sanquer: “U ziet wat u gezien hebt. Natuurlijk had Alberto graag gewonnen, maar net zoals Andy hem niet kon lossen, was hij niet in staat om afstand te nemen. Schleck had de hele finale geleid, Alberto heeft zich in zijn wiel gezet om verstandige, tactische redenen. Maar zou het dan intelligent of verstandig zijn om in de laatste meters even weg te sprinten? Zou dat sportief zijn? Alberto heeft die afweging voor zichzelf gemaakt.” En dus won Andy Schleck en werd Alberto Contador tweede. Andy Schleck heeft op de Tourmalet zijn laatste troefkaart uitgespeeld. Hij heeft de rit gewonnen, maar wellicht de Tour verloren. Voor Contador, de betere tijdrijder, is het omgekeerd.

Maar werd het wel eerlijk gespeeld? Net voor de ‘sprint’ zag men hen spreken. Contador: “Dat zijn koerszaken. Ik zeg er niets over.” Schleck: “Ik vroeg Contador om de kop over te nemen. Maar hij is slim genoeg. Hij wilde natuurlijk niet. Hij wilde niet dat ik helemaal op het einde van achter zijn rug weg zou demarreren.” Versta: nog wat seconden pakken.

Want daar komt het op aan: op seconden. Nooit in de Tourgeschiedenis zijn de voorlopige nummers één en twee met een kleinere marge begonnen aan de laatste, beslissende tijdrit dan Contador en Andy Schleck. Ook na vier Pyreneeënritten, met daarin twee beklimmingen van de Tourmalet - een speciaal uitgetekende finale om het slot heroïsch te maken - scheiden hen amper acht tellen. Het verschil is zelfs kleiner dan de twee vorige ‘bloedstollende' edities uit de Tourhistorie. In 1968 had gele trui Herman Vanspringel voor de tijdrit een voorsprong van 12 seconden op Gregorio San Miguel en 16 op Jan Janssen. In 1989 ging Laurent Fignon de laatste tijdrit in met 50 seconden voorsprong op Greg Lemond en 2.28 op Pedro Delgado.

Nooit was het verschil tussen de nummer één en twee zo klein. In tijd, en ongetwijfeld ook in klasse, conditie en talent.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234