Zondag 27/09/2020

Non basta una vita per vedere RomaHet Romeinse dagboek van Geert van Istendael

Rome is niet in één dag gebouwd. De geschiedenis loert er om iedere hoek. Een week in Rome is kort. Zelfs een mensenleven is niet genoeg. Maar toch. 'In één week tijd heeft Rome me vier keer onderuitgehaald, op de knieën gedwongen, ontroerd tot onder mijn huid.'

De stad trof me tussen de ogen. Ik was nog nooit in Rome geweest. Nu hadden de verenigde Vlamingen en Nederlanders mij uitgenodigd voor een lezing. Onderwerp: Vlaanderen bestaat niet. Ik ga hier niet op in. Men leze mijn boeken.

Op het vliegveld nam ik de trein naar het station van de wijk Trastevere en vervolgens een taxi naar het hotel.

Toen viel het schot. Of moet ik zeggen salvo?

Naar lucht happend zat ik op de achterbank terwijl de chauffeur zijn voertuig met roekeloze grandezza door de verkeersstromen zwierde. Niet echter zijn volbloed Romeinse rijstijl was de oorzaak van mijn ademnood. Het kwam dwars door de ogen recht de hersens binnenschieten. Het was het oker en het puzzolaanrood en de gewassen sepia van de hoge, strenge muren en op die muren waren het de cipressen en de parasolsparren en voor en naast die muren de verminkte Corinthische en Ionische zuilen en ook palmbomen en dat alles stond daar onmogelijk harmonisch en achteloos en toch grafisch precies in het transparante blauw van een late middag in maart, dooraderd met regenvlagen. Ik wilde de God van mijn kinderjaren aanroepen om deze ondraaglijke schoonheid aan mij voorbij te laten gaan, maar Hij is allang dood en de namen van de antieke, heidense goden die hier thuis zijn, hadden mijn hersens verlaten.

Rome. Ik schrijf die naam en wil onmiddellijk opspringen, een tandenborstel op zak steken en weer derwaarts reizen. Roma. Waarom hebben het Nederlands en het Frans en het Engels de gebeeldhouwde sokkel van die naam in 's hemelsnaam verpulverd tot een stoffige doffe e?

Ik word ondergebracht in een besloten huis. Een mij onbekende Nederlandse weldoener heeft gezorgd voor een kamer als een danszaal, koel en betegeld. Rustig is anders, maar rustige straten bestaan niet in deze stad. Ik zal er sneller aan wennen dan ik verwacht had. De baas is vriendelijk en spraakzaam. Dankzij wat primitief assimil-Italiaans dat ik voor deze reis haastig bij elkaar geharkt heb, kan ik tien procent begrijpen van wat hij zegt. In de komende week zal dat percentage verdubbelen. Het blijft sappelen.

Ik gooi het raam open en merk dat ik naar het Forum Romanum kan spuwen. Elke dag zal ik tussen douche en ontbijt de plaatjes zien van het handboek geschiedenis die ik een halve eeuw geleden zo onbereikbaar en geheimzinnig vond. Maar wat is nu een halve eeuw in Rome?

Het Forum ligt meters beneden de straat. Beter is het te zeggen de Fora, meervoud, want naast het centrum van de antieke stad hebben Julius Caesar en keizers als Augustus en Nerva en Trajanus en Vespasianus hun pleinen en stenen achtergelaten. De brede, rechte laan die Mussolini er dwars door liet trekken, heet dan ook Via dei Fori Imperiali, straat van de keizerlijke fora. In een twintig jaar oude reisgids lees ik dat de drukke verkeersweg weldra afgeschaft wordt. Dat is tot nog toe dus niet gelukt. Maar het geraas van motoren kan de fluitende merels in de struiken van het Forum niet overstemmen.

Ik probeer over te steken.

Al bijna veertig jaar hoor ik bloedstollende verhalen over de moordlust van de Romeinse autobestuurders. Stuk voor stuk leugens. Ik ben de week zonder kwetsuren doorgekomen. Ik werd niet doof van woedend toeteren. Ik zag geen obscene handgebaren. Ik vernam geen dreigementen en scheldkanonnades, wat ik betreur, het schijnt dat de Italianen een rijk ontwikkelde scheldcultuur hebben. Na een paar dagen durf ik zonder hartkloppingen, met opgeheven hoofd, ja, zelfs speelt een glimlach om mijn lippen, de drukste kruispunten over te steken. Ze stoppen toch. Of nee, echt stoppen doen ze niet, ze houden zich even in en zodra je voorbij bent, wordt karaktervol opgetrokken.

Men heeft mij verteld dat het verschijnsel nieuw is. Vroeger reden ze hier maar raak. Stoplichten, voetgangers, verboden richtingen, het kon hen niet verdommen. Chaos was de regel. Maar toen het huidige groene gemeentebestuur aan de macht kwam, besloot het de gemotoriseerde ingezetenen kordaat aan te pakken. Zo zie je maar weer hoe zegenrijk een strenge opvoeding is. Nu geeft de Romeinse chauffeur de overstekende wandelaar het gevoel dat hij een beeldschone vrouw is voor wie een ouderwets galante heer soepel een stap achteruit zet en de deur openhoudt als ze haar luxueuze hotel binnentreedt. En er is ook dit. Romeinse chauffeurs weten al sinds de tijd toen hun stad nog een schitterende zwartwitfilm was dat zij de macht op straat moeten delen met zwermen vespa's en die insecten worden vandaag niet met uitroeiing bedreigd, integendeel, de soortenrijkdom neemt alleen maar toe. In Brussel ziet de chauffeur zichzelf als een alleenheerser en zijn voertuig als een projectiel. De Romeinse chauffeur kan rijden.

Ik daal af naar het Forum.

Ruikt oud marmer naar nog net niet uitgebloeide mimosabloesems?

Welk stadscentrum heeft zo'n vallei van vrede, zonder één wiel? Waarom blijven deze triomfbogen en tempelruïnes me verrassen, al heb ik ze tot vervelens toe gezien op prentbriefkaarten?

Neem de zuilen van de Dioscurentempel, geen gids die ze mist.

De Dioscuren zijn onafscheidelijke, mythische tweelingbroers, zonen van Leda, de vrouw die neukte met een zwaan. De een is een ontembare ruiter, de ander een onoverwinnelijke vuistvechter. Ze zijn afkomstig uit Sparta, maar al vroeg worden ze vereerd in Rome, want zij zouden ooit als twee geheimzinnige ruiters de Romeinse soldaten naar een overwinning hebben geleid. 's Nachts houden zij de wacht in het sterrenbeeld Gemini. Vreemd toeval: de tempel van deze heilige tweevuldigheid bestaat vandaag nog uit drie zuilen. We mogen blij zijn dat er zoveel overschiet. Het slopersbedrijf geschiedenis n.v. heeft zijn werk grondig gedaan.

Toen Rome als hoofdstad van het Romeinse Rijk afgelost werd door Byzantium, zouden er meer dan één miljoen mensen hebben geleefd. Twee eeuwen later woonden er nog honderdduizend. De stad werd herhaaldelijk geplunderd. Op het Forum verschenen kalkoventjes. Friezen en frontons veranderden in specie en plavei. De restanten van tempels raakten bedolven onder een dikke laag steenslag. Alleen de heidense bedehuizen die men wijdde tot kerk, bleven overeind. Een achttiende-eeuws schilderij laat zien dat op de plaats waar ooit het hart klopte van een imperium dat zich uitstrekte van Engeland tot de Arabische woestijn, koeien graasden. Het Forum heette toen Campo Vaccino, de vertaling Veeweide is accuraat.

Kort daarna zullen archeologen puin beginnen te ruimen. Goethe komt er Kirch' und Palast, Ruinen und Säulen bekijken en scandeert met zoekende vingertoppen verzen op de blote rug van zijn sluimerende liefje. Sindsdien zijn tientallen miljoenen toeristen zuilen, ruïnes, paleizen en kerken komen begapen. En als ik 's avonds mijn hotel probeer te vinden zie ik in alle eeuwenoude nissen die ik passeer hartstochtelijk zoenende paartjes staan, zowel homo's als hetero's. Hier maak je je illegale afspraakjes niet voor het station, maar aan de voet van een zuil die daar al een jaar of tweeduizend staat. Breek je bij ons een huis af, dan zie je flarden behang. In Rome een boog uit de tijd van keizer Nero. In Rome lig je met de geschiedenis in bed.

Niet te tellen zijn de koepels van deze stad. Maar waar ik ook gestaan heb op een van Romes zeven heuvelen, ik zag altijd de koepel van de Sint-Pietersbasiliek boven de nederige daken als een kolossale, briljante, barokke kwal drijvend op kalme zee. Kolossaal is Sint-Pieter. Je zou de toren van de Antwerpse kathedraal onder het dak kunnen schuiven. Ik kan het nauwelijks geloven. Ik dwing mezelf de toeristen voor de gevel te vergelijken met de kolommen die half uit die gevel steken. Tot mijn verbijstering stel ik vast dat de meeste hoofden nauwelijks tot boven de voetstukken reiken. Dat is de dimensie van dit gebouw. Het interieur is een orgie van marmer in alle kleuren. Allemaal kringloopmateriaal. Ze hebben destijds gewoon een hoop Romeins antiek gesloopt. Toen op deze plek voor het eerst een kerk werd gebouwd, in de vierde eeuw, heeft Constantijn, de eerste christelijke Romeinse keizer, de heidense graftombes die in de weg lagen afgegraven. De doden verstoren, dat was in het oude Rome zowat de gruwelijkste misdaad die je kon begaan. Maar het was een duidelijk teken. De macht was gewisseld.

Ik vind de Sint-Pietersbasiliek uitgesproken lelijk.

Natuurlijk heeft het vertoon van rijkdom en macht iedere vorm van schaamte ver achter zich gelaten, natuurlijk is er de Roomse geeuwhonger naar geld - te midden van de fabelachtige praal staan zowaar offerblokken. Ik zoek een woord voor die uitbarsting van hoge waan. Ik vind het niet. Ik had me voorbereid op een gebergte van megalomanie, al geef ik toe dat mijn stoutste antipaapse verwachtingen moeiteloos overtroffen worden. Geen seconde echter was het bij me opgekomen dat ik de Sint-Pietersbasiliek stomweg aartslelijk zou vinden. Ieder grijs, Romaans kerkje in een vergeten Frans boerengat is me liever.

Maar weer viel een schot. Tussen de ogen.

Ik zag de piëta van Michelangelo.

Het is een witmarmeren beeld, moeder Maria met haar dode zoon Jezus op schoot. In deze omgeving zijn ze klein en Maria is een heel jong meisje. De legende wil dat zij een onbereikbare jeugdliefde van de geniale beeldhouwer, schilder en sonnettendichter was, al zijn er aanwijzingen dat hij homoseksueel geweest zou zijn. Geen legende is dit: Michelangelo was nauwelijks vijfentwintig jaar toen hij dit schiep. Was hij na de voltooiing dood gevallen, hij zou desondanks een der grootste kunstenaars aller tijden geweest zijn. Maar hij leefde langer dan tachtig jaar en bevrijdde nog vele beelden uit marmerblokken, zoals hij het zelf placht uit te drukken. De virtuositeit is krankzinnig. Hoe je de waaierende plooienval van Maria's jurk uit steen kunt hakken, blijft een onopgelost raadsel. Een ander raadsel is dit: waarom lijken Maria's kleren minder gepolijst dan de rest van het beeld? Wilde hij de zaligmaker laten glanzen op haar schoot? Het meest ontroert mij Maria's gezicht. Geen woest leed, geen starre kop. Rust. De droefenis zit binnen. Toch zie je dat dit de Moeder van Smarten is. Alweer, hoe hak je zoiets uit steen?

Ik loop langs de buitenmuren van Vaticaanstad. Pas nu valt me op dat dit een versterkt fort is. Het is een... plots heb ik het woord dat ik daarnet tevergeefs zocht. Vaticaanstad is het kremlin van het katholicisme.

De Piazza del Popolo kun je uit diverse hoeken benaderen. Ik heb er in die ene week een aantal geprobeerd. Het mooist vond ik deze. In de Via Cola di Rienzo loop je onder de paarse bloesems van de judasbomen, je steekt de Tiber over en je ziet in één oogopslag de tedere asymmetrie van het plein. Rechts de tweelingkoepeltjes van de bescheiden kerken die de Via del Corso flankeren. Voor je, de heuvelende tuinen van Pincio. Links, de stadspoort en daarnaast de korte, middeleeuwse toren van Santa Maria del Popolo. Niet op het middelpunt, maar wel op de middenas van de poort naar Via del Corso, de obelisk van farao Ramses II. Rome grossiert in gejatte obelisken. De meeste worden, zoals hier, bekroond met een kruis. De pausen lieten niets onverlet om de voorbijganger duidelijk de maken wie de baas was.

Ik weet het, de Piazza Navona wordt algemeen beschouwd als het mooiste plein van Rome. Maar de tekenen hebben mij niet bedrogen op de Piazza del Popolo.

Schot. Tussen de ogen.

Ik ben gaan zitten op het terras van café Rosati. De schemering zette in als een strijkkwartet uit de negentiende eeuw. De ober kwam. Hij heeft me bijna weggejaagd, ik bestelde niets, ik kon slechts onsamenhangende klanken kreunen. Een volle minuut nam ik hem zelfs niet waar. Uit mijn gestamel heeft hij opgemaakt dat ik witte wijn wenste. Ik liet het glas onaangeroerd staan. Ik begeerde dit plein en niets anders. Kon ik de stoel waar ik op zat niet kopen? En het schamele lapje grond onder mijn voeten? Gian Lorenzo Bernini, die de Piazza di San Pietro en zijn colonnade bedacht heeft, is wereldberoemd. Het zij hem gegund, zijn plein vind ik duizend keer mooier dan dat wangedrocht van een basiliek. Maar waarom is meneer Valadier, die dit menselijkste aller pleinen ontwierp, nauwelijks bekend?

Ik loop door de Via Sistina. Hier componeerde Rossini, hier schreef Gogol en Andersen zat hier te broeden over zijn lelijke lijf, Rome kijkt niet op een kunstenaar meer of minder. Ik steek de Via Vittorio Veneto over en benader met vaste tred de kapucijner crypte.

Nu is een van de kostbaarste schatten in de privé-rommelkamer van mijn hersens juist de kapucijner crypte. Ik bedoel die van Wenen, waar de keizerlijke grootheid van Felix Austria voorgoed bijgezet werd, en ook het boek van Joseph Roth, Die Kapuzinergruft (het verschijnt binnenkort in het Nederlands), dat kleine, droeve meesterwerk over Oostenrijks en Europa's diepe verslagenheid na het grote sterven van de negentiende eeuw.

De crypte in Rome kan die van Wenen niet overtreffen. Maar ze tart brutaal de ziekste verbeelding en de mijne is behoorlijk aangetast. Tegen de gewelven en de muren en de altaartjes werden uitbundig versierselen aangebracht. Zij bestaan uitsluitend uit knoken. Knoken van mensen. Schedels, ellepijpen, knieschijven, scheenbenen, bekkens, vinger- en teenkootjes, ribbenkasten en sleutelbeenderen worden samengevoegd tot blije bloemmotieven, strenge achtpuntige sterren, geëlaboreerde baldakijnen en fraaie bogen. Er zijn ook volledige geraamten, sommige gehuld in versleten bruine pijen. Magere Heinen zwaaien met zeisen en weegschalen. Ook die symbolen van de dood werden samengesteld uit mensenbeenderen. Het mooist zijn misschien de sierlijke guirlandes van louter wervels. Dit is niet zomaar een maniakaal memento mori van door vasten en versterving tot zinsverbijstering gedreven asceten. Dit is een ontspoorde grap van het grafdelverssyndicaat. Dit is het feest van de karkassenkitsch. Dit is het katholiekste wat ik ooit zag.

In de kerk van Santa Maria del Popolo ben ik al een schilderij van Caravaggio gaan bekijken, de bekering van Paulus, een doek als een donderslag. Ik kende het allang van slechte afbeeldingen. Men zegt me dat in San Luigi dei Francesi nog meer Caravaggio's hangen.

Meer is niet nodig om mijn benen vleugels te geven. Toen ik pas mijn eerste lange broek had, vond ik in een oude encyclopedie een wazige kleurenprent van een jongen die zich over zijn eigen spiegelbeeld in het water buigt, Narcissus, verliefd op de schone jongeling die hij daar ziet, verliefd op zichzelf. Geschilderd door Caravaggio. Het was precies het beeld dat ik toen nodig had. Ik zal nog andere werken van Caravaggio zien, betere reproducties, een sensuele Maria Magdalena, die de donkerte wel lijkt te slurpen, een precieuze Bacchus, een Jezus zonder baard in Emmaüs. Caravaggio is de heer van licht en duister, leer ik, en ook dit: hij pleegde een moord en was tot het einde van zijn leven op de vlucht voor zijn gerechte straf. Hij stierf in 1610, berooid en vereenzaamd, maar geenszins vergeten door adellijke en pauselijke verzamelaars.

Ik bereik de vijfde zijkapel links in San Luigi. Ik zie wat ik nooit zag: de Roeping van Mattheus.

Schot. Tussen de ogen.

Ik loop naar buiten. Deze keer heb ik echt een krop in de keel.

Ik keer terug. Andermaal schot. Maar ik blijf overeind.

Dit is het bijbelvers dat ik zie: "En Jezus vandaar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheus; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem." (Matth. 9:9)

Op Caravaggio's schilderij zit de tollenaar, dit wil zeggen een verachtelijke, hardvochtige, onbetrouwbare afperser van belastinggeld, zit dus Mattheus met vier andere tollenaren, jonge en oude, aan een tafel tegen een buitengevel geld te tellen. Zelfs in de band van Mattheus' hoed steekt een goudstuk. Zijn rechterhand hangt vlak boven de munten op het tafelblad. Al die figuren dragen kleren die gewone mensen in Caravaggio's tijd droegen. Zij hebben bijvoorbeeld schoenen aan. Zij zitten links op het doek. Rechts staan twee mannen.

Vooraan, met de rug naar ons, Petrus. Achter hem, bijna geheel verstopt, je ziet alleen zijn hoofd, zijn voeten en zijn handen, Jezus. Zij zijn barrevoets en zij dragen totaal andere kleren, in 1600 al zo bizar als nu. Laten we ze bijbelse gewaden noemen. Rakelings boven de twee hoofden scheert het licht, schuin naar beneden, naar de tafel links. Jezus' hoofd bevindt zich nog net in de schaduw. De straal zonlicht valt precies op Mattheus' gezicht. Mattheus' linkerhand wijst op zijn borst. Hij kijkt naar Jezus en lijkt te vragen: "Wie? Ik? Je bedoelt mij toch niet, zeker!?" Jezus wijst hem aan. Het is zeker geen priemend gebaar, de hand hangt wat nonchalant, maar daardoor is het bevel alleen maar dwingender. Dit is de handbeweging van de officier die een cel vol krijgsgevangenen binnenstapt en er schijnbaar willekeurig één aanwijst: "Jij daar, meekomen, vooruit, snel." Naar de vrijheid? Naar het vuurpeloton? In de kerker en binnen de randen van dit schilderij is weigeren onmogelijk. Het evangelie zegt dan ook niet dat Mattheus eerst eens moest nadenken of naar zijn vrouw bellen of zijn koffer pakken. Hij stond op en ging mee. Punt. Jezus was de zoon van God, God spreek je niet tegen. Desnoods zeg je, God is dood, maar dat is moeilijk vol te houden als Hij voor je neus staat.

Ik had al eerder oude afbeeldingen gezien van deze episode, de ene nog ongeloofwaardiger dan de andere. Telkens maakte ik dezelfde bedenking: was ik Mattheus, ik zou die Jezus op dàt schilderij feestelijk de laan uit sturen. Wat een pezewever. Donder op, vrome droogkloot. Maar bij Caravaggio ben ik daar niet zo zeker van. Caravaggio laat zien wat roeping is, en het is van geen enkel belang of het hier over roeping tot godsdienst gaat of kunst of iets anders.

Roeping is een bliksemschicht. Een stortzee. Een aardverschuiving. Misschien heeft Caravaggio de dwang in Jezus' schroeiende woord gehoord.

In één week tijd heeft Rome me vier keer onderuitgehaald, op de knieën gedwongen, ontroerd tot onder mijn huid. Heb ik Rome gezien?

Ach, gezien.

Moet ik vertellen over de winkel van Ghezzi, waar je mijters kunt kopen en paarse sokken en monstransen en kromstaven en kazuifels en lingerie voor nonnen? Of over Caffè Greco, waar je peperdure koffie drinkt met de schimmen van Mendelssohn en Wagner, Baudelaire en Stendhal, Leopardi en Sienkiewicz? Of dat ik in de wijk Trionfale een politieman op straat zomaar een andere man zag zoenen? Of dat ik niet alleen de Sixtijnse Kapel bezocht heb maar tevens het Museo nazionale delle Paste Alimentari, alwaar mij het bestaan onthuld werd van orecchiette, strangozzi, lavatelli, agnolotti, fusilli en nog een paar dozijn theatrale deegwaren? Of dat in de Via Borgognoni en de Via dei Condotti bedelaressen liggen te knikken op de stoep voor de elegantste modezaken ter wereld? Dat ik niet de doornuittrekker gezien heb in Palazzo dei Conservatori, maar wel een schonkige Indiër die kralen verkocht bij Stazione Termini? Dat ik niet...?

Een week in Rome is belachelijk. Non basta una vita... een mensenleven is niet genoeg. Ik lik mijn wonden.

Vier keer raak. Zal het me ooit nog ten deel vallen?

Ik bedank mevrouw Hahn, de heer en mevrouw Ickx, meneer Van Heck en meneer Paris voor hun gulle gastvrijheid en goede raad. Zonder hen had ik dit stuk nooit kunnen schrijven. Mijn dank geldt tevens de Belgische ambassade, de Belgische Academie en het Nederlandse Instituut in Rome.

'Moet ik vertellen over de winkel van Ghezzi, waar je mijters kunt kopen en paarse sokken en monstransen en kromstaven en kazuifels en lingerie voor nonnen? Of over Caffè Greco, waar je peperdure koffie drinkt met de schimmen van Mendelssohn en Wagner, Baudelaire en Stendhal, Leopardi en Sienkiewicz?'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234