Dinsdag 18/02/2020

Nòg beter dan de film

John Fowles. 'Het liefje van de Franse luitenant'

Bert Bultinck

John Fowles (°1926) is een van die echt grote auteurs die bij alle soorten lezers in de smaak vallen. Tientallen miljoenen mensen hebben The Collector (1963), The Magus (1965) of The Ebony Tower (1974) verslonden. Al die titels zijn ondertussen ook verfilmd, met steracteurs als Michael Caine, Anthony Quinn, Laurence Olivier en Greta Scacchi. En onlangs zijn de filmrechten verkocht van nog een andere roman van Fowles, Daniel Martin (1977). De Britse romancière Rose Tremain werkt op het ogenblik aan een script, en naar verluidt zou Anthony Hopkins de titelrol vertolken.

Maar John Fowles zal in de eerste plaats bekend blijven als de auteur van Het liefje van de Franse luitenant (1969; overigens een niet geheel geslaagde vertaling van het Engelse The French Lieutenant's Woman: een woman is geenszins een liefje, en zeker deze vrouw niet). Het wereldwijde succes van dat boek overtreft dat van al Fowles' andere - iets waar Karel Reisz' intelligente verfilming (met Meryl Streep en Jeremy Irons in de hoofdrollen, naar een scenario van Harold Pinter) wel wat mee te maken zal hebben. Maar ook in dit geval is het boek beter, of liever: nog beter, dan de film. Het liefje van de Franse luitenant is een onweerstaanbare cocktail van een ontroerend liefdesverhaal, een nauwkeurig document van het Victoriaanse Engeland, een onderzoek naar veranderende sociale rolpatronen èn een slimme bespiegeling over het schrijven van zo'n roman zelf. Voeg daarbij nog wat Britse wit, Fowles' zeer rijke taal, zelfs een beetje seks en je hebt een meesterwerk dat zowel het welwillende grote publiek als de sikkeneurigste academicus kan bekoren.

Het boek is gesitueerd in 1867. Dat is het jaar waarin John Stuart Mill en zijn collega's in het parlement het stemrecht voor vrouwen erdoor probeerden te krijgen, en het jaar waarin Karl Marx het eerste deel van Das Kapital publiceerde. Acht jaar daarvoor was een andere belangrijke inspiratiebron voor het negentiende-eeuwse Engeland, en dus ook voor Fowles, verschenen: Darwins Origin of Species.

De negentiende eeuw drong zelfs door tot in de narratieve opbouw van het boek. Zo eindigt elk hoofdstukje op een cliffhanger: de plot wordt op een spannend moment abrupt afgebroken en het volgende hoofdstuk vangt aan met een andere scène. Als in een soap dus. Hoe hedendaags zo'n procédé ook overkomt, auteurs als Thackeray (bekend van Vanity Fair, 1848) maakten al handig gebruik van hetzelfde techniekje. Al was het maar omdat dat boek, zoals zovele in de negentiende eeuw, eerst als feuilleton verscheen, waarbij het essentieel was om elke episode met een onverwachte, spannende wending af te sluiten. Zo'n structuur hielp toen een boek verkopen en doet dat blijkbaar nog steeds.

Tegelijk verwijst Fowles' alwetende verteller voortdurend naar onze twintigste eeuw: om vergelijkingen te maken, om op een historische ontwikkeling te wijzen, en vaak ook om de balans op te maken. De roman vermeldt Freud, Henry Moore en Marshal McLuhan, refereert aan film, televisie, radar en de straalmotor. Steeds opnieuw beschrijft Fowles de huichelarij en de meedogenloosheid van het Victoriaanse leven, maar hij beseft ook dat het nogal makkelijk is om daar een karikatuur van te maken. Bovendien is onze twintigste eeuw ook niet meteen de menselijkste: met een eenvoudige verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog zet de verteller de al te enthousiaste twintigste-eeuwse lezer kordaat op zijn of haar plaats.

Zoals zoveel briljante schrijvers is ook Fowles in essentie een moralist. De verteller in Het liefje van de Franse luitenant karakteriseert de personages veelal in ethische termen: zo wordt al heel vroeg in het boek gemeld dat het grootste gebrek van het mannelijke hoofdpersonage (die gezien zijn interesse voor fossielen, en voor wetenschap in het algemeen, niet toevallig Charles heet) zijn luiheid of zelfs zijn traagheid is. Daarmee is de ongelukkige in bijna bijbelse termen gestigmatiseerd. Maar Fowles laat dan meteen zien hoe die hoofdzonde tot leven komt in Charles' daden, die soms desastreuze gevolgen hebben voor zijn omgeving.

Sarah Woodruff, of Poor Tragedy (zoals ze in de volksmond genoemd werd), is er wellicht nog het grootste slachtoffer van. Charles merkt haar voor het eerst op wanneer hij met zijn zeer deftige verloofde Ernestina langs de pier van Lyme (in Zuidwest-Engeland) kuiert. Hij wordt voor de rest van zijn leven getekend door de vrouw die op de pier schijnbaar een beetje waanzinnig de zee instaart. Het beeld nestelt zich in zijn geheugen, niet als "een mooi gezichtje", maar als een "onvergetelijk, tragisch gezicht". Hoewel zijn verloofde Charles maar al te graag de roddels over de oneerbare vrouw vertelt, is hij dodelijk gewond door haar aanblik: "Hier was geen kunstmatigheid, geen hypocrisie, geen hysterie, geen masker; en vooral, geen enkel teken van waanzin." Sarah Woodruff spookt de weken daarna door zijn leven, een lichtzinnige amour fou ontspint zich met alle sociale gevolgen vandien voor beide personages, en dat alles mondt uit in een schitterende ontknoping.

Of preciezer: één van de drie schitterende ontknopingen. Fowles problematiseert op magistrale wijze zijn eigen vertelling door de lezer te laten kiezen welk einde die verkiest. Natuurlijk kiest de gemiddelde lezer gewoon níet en leest hij gewoon de drie versies van het slot. Voor Fowles is dit een uiterst handige manier om zijn metafictionele zorgen aan de orde te stellen. Al in het beroemde dertiende hoofdstuk onderbreekt de verteller de plot van de eigenlijke historische roman om de lezer direct aan te spreken, met de omineuze woorden: "Ik weet het niet." Fowles worstelt er met het probleem dat hij vanwege het tijdperk waarin zijn verhaal zich afspeelt liefst met een alwetende verteller zou werken, terwijl zo'n vertelinstantie eigenlijk niet meer kàn in de periode waarin het boek geschreven wordt: de tijd van Alain Robbe-Grillet en Roland Barthes. Hij besluit dan maar zijn personages een soort van existentiële vrijheid te verlenen, want "er is maar één goede definitie van God: de vrijheid die andere vrijheden laat bestaan".

Net zoals Yourcenars Het hermetisch zwart is Het liefje van de Franse luitenant een meditatie over toeval en noodzakelijkheid en wordt de spanning tussen beide uitgewerkt in een grotendeels historische vertelling. En misschien is er wel een natuurlijke connectie tussen die twee aspecten: de schrijver van historische romans neemt zijn toevlucht tot coïncidenties allerhande, om een mechanistische visie van de geschiedenis te kunnen tegenspreken. Hoeveel ruimte er dan nog overblijft voor de vrije wil, is een vraag die in dit boek op veel manieren gestalte krijgt. Op zijn minst bevat Het liefje van de Franse luitenant een oproep om zo bewust mogelijk actief te handelen, met voorbedachten rade. En misschien is die ethische imperatief algemeen genoeg om universeel te kunnen gelden.

Tegen beter weten in blijft Fowles, net als zovele anderen, dit soort algemene handleidingen verzinnen. We weten dat zulke uitspraken beperkt houdbaar zijn: ze werken zolang ze werken. Hier werkt ze op zijn minst voor de duur van één lectuur van Het liefje van de Franse luitenant.

John Fowles (uit het Engels vertaald door Frédérique van der Velde), Het liefje van de Franse luitenant. De laatste uitgave was die als Rainbow Pocket (op dit ogenblik uitverkocht).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234