Dinsdag 22/10/2019

Nog altijd machtig: de goden van '86

Schokgolfjes en waterval-effecten. Dat veroorzaakten in 1986 de 'Mooie jonge goden', onder luidruchtig commando van Herman Brusselmans en Tom Lanoye. 28 jaar later is die generatie nog altijd prominent aanwezig. Vier van hen hebben zelfs zopas een nieuwe roman uit.

"Brusselmans! Herman Brusselmans! De Mooie Jonge Oppergod! In zijn nabijheid vangen alle and'ren bot!' Zo luidde de slotkreet van Brusselmans tijdens een optreden voor Behoud de Begeerte in oktober 1987, als antwoord op het gedicht Gent-Wevelgem van zijn kompaan Tom Lanoye. Een mythe was geboren, een bijnaam stevig in steen gebeiteld. Slechts met het grijzer worden van zijn lange lokken en het grotere eelt op de ziel, sleet het mediagenieke Oppergodlabel af.

Midden jaren 80 wierp Brusselmans zich ondubbelzinnig op als vaandeldrager van een nieuwe generatie - getekend door crisis en onbehagen - maar wel ten volle bereid om de kussens op te schudden. "De generatie voor ons noemde zichzelf 'de stille generatie'", herinnerde Brusselmans zich vorig jaar in deze krant. "Zij gingen er prat op dat ze geruisloos aan hun bureau onleesbare bullshit zaten te produceren. Plots kwamen Tom Lanoye en ik kabaal maken in het landschap. Alle regeltjes van vroeger smeten we in de vuilnisbak. Al snel werden we gezien als een literair koppel."

Brusselmans - gedebuteerd in 1982 met Het zinneloze zeilen en doorgebroken met De man die werk vond (1985) - had zijn visitekaartje ook afgeleverd met de beruchte bundel Mooie jonge goden. Die zag in 1986 het licht bij uitgeverij Kritak. Brusselmans verzon er de goed bekkende titel voor. Uiteenlopende auteurs, onder wie Tom Lanoye, Wim Neetens, Guido van Heulendonk, Frank Albers, Stefan Hertmans, Bob van Laerhoven, Marc Mijlemans, Jan Lampo en Frans Denissen tekenden present.

Maar vooral Lanoye en Brusselmans roerden de trom. Aan branie ontbrak het hen niet. "De schrijver als recalcitrante intellectuele held: dit was de megalomane overmoed waarmee de jonge generatie de literatuur te lijf ging", schrijft Matthijs de Ridder in zijn als historisch tableau opgevatte Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014.

Bier naar het hoofd

Naast lawaaimakers, waren deze schrijvers immers vooral podiumbestormers. "Brusselmans en Lanoye introduceerden een nieuw schrijverstype in de Vlaamse literatuur: de performer", noteerde criticus Jos Borré daarover ooit. "Tom en ik waren werkers, totaal geen lamzakken", aldus Brusselmans. "Wij schreven veel, zochten plekken om columns te publiceren, en traden vaak op - voor tweehonderd frank debiteerden wij al roepend en tierend literatuur in een of ander café. Veel bier over onze kop gehad. (lacht) Maar eindelijk begon de literatuur te leven."

De sinds enige tijd ingesluimerde Vlaamse letteren konden toen wel een spoedinjectie rock-'n-roll gebruiken. Oké, in 1980 werd Walter van den Broecks Brief aan Boudewijn alom geprezen. En in 1983 was Het verdriet van België van Hugo Claus met veel bombarie en lofzangen verschenen. Maar waar hield de nieuwe garde zich schuil? Fanatiek werd er vanuit de literaire wachttorens met de verrekijker gespeurd.

In 1982 trok Jeroen Brouwers - alert volger van de Vlaamse literatuur - aan de alarmbel: "Inderdaad, Vlaanderen, kom nu ein-de-lijk weer eens met kwaliteit voor de dag! Stuur ons niet Herwig Waterschoot, stuur ons geen 'Pagadders', geen 'wellustig knallende kampernoelies' en in godes naam ook geen nieuwe Ruyslinck, geen nieuwe Vandeloo, geen nieuwe Raes, en zeker geen nieuwe Gijsen (...) Stuur ons jullie kwaliteit, stuur ons jullie durf, stuur ons jullie talent, en scheep ons niet af met zieligheid, onmacht en misluktheid."

In 1984 had Tom Lanoye dan weer op de vraag wat er dat jaar in de Vlaamse literatuur was gebeurd, laconiek geantwoord: "Geen reet, zoals gewoonlijk."

Eén pretentie

De bloemlezing Mooie jonge goden bediende de klagers op hun wenken. Op het voorplat prijkte een lezende jongeling in adamskostuum, plechtig met vijgenblad, in een vormgeving van Gert Dooreman. Dertien auteurs werden gecharterd. Maar een programma of alomvattende poëtica was er niet. "Deze bundeling heeft één pretentie niet: die van volledig te zijn. En één pretentie wel: die van een boeiend overzicht te bieden van de stand van zaken in het jonge Vlaamse Letterenland", zo luidde de voorzichtige verantwoording.

Of er gelijkgestemdheid was tussen de heerschappen? Nee, zegt literair historicus Matthijs de Ridder: "Wat verbindt een generatie, anders dan geboortedatum? Die vraag wordt in de literatuur elke tien jaar minstens één keer gesteld." Van Heulendonk en Hertmans kon je bezwaarlijk in hetzelfde vakje stoppen als Lanoye en Brusselmans, al deed Van Heulendonk zeker ook z'n duit in het grimmig-cynische zakje.

Zelfs de literatuurcriticus van het communistische weekblad De Rode Vaan spiedde naar verbanden. En vond ze: "Het no-futurevisioen wordt door geen enkele van deze auteurs uitgeschreeuwd. Misschien is die gelatenheid wel het meest tragische kenmerk, is het ontbreken van de behoefte om die negatie van de hoop te verwoorden wel het meest essentiële gegeven van deze bundel. Toch leggen zij zich niet bij de uitzichtloze situatie neer; hun taal blijkt hun enige verweer."

Dat de bloemlezing ook tegenwind ontlokte, was evident. De hevigste reprimande kwam van Kristien Hemmerechts die in het polemische tijdschrift BOKelf (van Julien Weverbergh) hekelde dat de bloemlezing "integraal mannelijk" was: "Dertien auteurs en dertien fallussen, waarmee zij het Vlaamse letterenland nieuw leven beloven in te spuiten. Geen vrouwenstem die dit knapenkoor komt verstoren, geen vulva die voor een dissonant zorgt, geen schaamlippen die zich dreigen te openen om te spreken."

Schrijver en criticus Hans Warren reageerde droogjes in de Provinciale Zeeuwse Courant: "Haar boosheid zal vooral gevoed zijn door het feit dat zijzelf, hoewel ze al een aantal in het Nederlands en in het Engels geschreven verhalen heeft gepubliceerd , niet gevraagd werd voor die tableau de la troupe."

In Knack merkte Frank Hellemans op dat de bloemlezing trendsettend was: "De mediatisering van de literatuur in Vlaanderen werd open en bloot ingezet: de schrijver wordt imagebuilder en de uitgever een manager."

En er was ook een koekoeksjong: woelwater Luc Boudens, die met Vrijdag visdag en Het zijn lange dagen uitdrukkelijk in de voetsporen van Brusselmans stapte. Hoewel hij niet in de fameuze bloemlezing figureerde, werd ook hij al snel als geschikte 'mooie jonge god' beschouwd. Boudens had lef, en raakte zelfs in de annalen doordat hij de eerste literaire videoclip in Vlaanderen produceerde en daarmee - via Marcel Vanthilt - MTV haalde.

Onhandige lieden

Hoe is het de mannenclub van weleer vergaan? Krasse knarren zijn de heren nog niet. Maar de middelbare leeftijd heeft hen onmiskenbaar in de greep, sommigen zijn zelfs vroege zestigers. Toch is er nu iets merkwaardigs aan de hand. Vrijwel gelijktijdig publiceren vier jonge goden van weleer (Brusselmans, Van Heulendonk, Albers en Boudens) een nieuw boek, en staat Stefan Hertmans al meer dan een jaar lang hoog in de bestsellerlijsten met zijn Oorlog en terpentijn. Wie de dertien overschouwt, zal moeten toegeven dat dit onmiskenbaar een sterke generatie is.

Dat Brusselmans (zonet verscheen zijn komische thriller Zeik) en Lanoye nog steeds prominent het literaire schouwtoneel beheersen, is op zich een prestatie. Ze blijven in een bepaald opzicht ijkpunten. En niemand heeft hen vooralsnog als bekendste Vlaamse auteurs van de troon kunnen stoten. Stefan Hertmans is decennialang omarmd door critici, maar werd slechts zelden vergast op hoge lezersaantallen. Zelf had hij niet kunnen voorzien dat zijn grootvaderroman Oorlog en terpentijn nu zo veel gevoelige snaren zou raken. En zo domineren de Mooie jonge goden ook nu nog geregeld de bestsellerlijsten.

En zie, plots zijn er drie comebacks, alsof ze elkaar hebben gebrieft. Drieënzestig is de in weerbarstig cynisme bedreven Guido van Heulendonk intussen. Het krioelt in zijn romans en verhalenbundels van de onhandige lieden die lichtjes gedesillusioneerd de wereld tegemoet treden en zich staande houden met een verbaal harnas waar het sarcasme van afspat. Eduard Bottelaer, uit zijn succesroman Paarden zijn ook varkens (Gouden Uil 1996), is er het typevoorbeeld van.

In de doorwrochte en licht groteske vertellingen van Van Heulendonk zijn mannen en vrouwen trouwens vaak 'vreemde vogels' voor elkaar, om het met de titel van een van zijn eerste novellen te zeggen. De weemoedig 'zoekende eenling', geblutst door het leven, duikt altijd weer op. Zo ook in het zojuist verschenen En dan, als ik weg ben, een vernuftig geconstrueerde vertelling waarin hij drie levens laat spiralen rond liefde en gemis en toont dat hij een schrander observator blijft. Nee, Van Heulendonk moet je de knepen van het vak niet meer leren.

Decadent tintje

De terugkeer van Frank Albers en Luc Boudens is iets verrassender. Albers (54), die in de jaren 80 als jong filosofiestudent debuteerde met Angst van een sneeuwman, ziet de roman Caravantis als een wedergeboorte: "Ik debuteer om de dertig jaar. Ik had de wereld graag wijsgemaakt dat dit een debuut is: páf, 400 bladzijden! Maar er lopen nog een aantal generatiegenoten rond die dat kunnen tegenspreken, natuurlijk", zegt hij in Knack.

Toch was Albers altijd aanwezig in de literaire wereld: als hoofdredacteur van Nieuw Wereldtijdschrift tussen 1998 en 2000 bijvoorbeeld, of als chef van de Standaard der Letteren (2001-2005). Bovendien schreef hij een boek over de beatgeneratie (Beatland) en is hij een notoir Shakespearekenner en -vertaler.

In Caravantis bedrijft hij de anti-utopie, met een flink uitwaaierende en behoorlijk volgestouwde saga over een kleine republiek (Vlaanderen?) die zijn vers verworven onafhankelijkheid moet valideren, maar barre geheimen herbergt. "Een parabel die de verwachtingspatronen frustreert." Dit is een boek dat blinkt van de ambitie én voorzichtig enthousiast onthaal genereert.

Iets bescheidener treedt de dandyeske Luc Boudens opnieuw op de voorgrond. In een interview met De Standaard gaf hij toe dat hij zijn carrière in de soep heeft gedraaid door drankmisbruik. "Brussel-mans zag dat gebeuren, dat ik mijn talent vergooide." Met Op eenzame hoogte publiceert hij nu een roman met een romantisch decadent tintje over een soort amour fou van de oudere homoseksuele bankier Amaury voor de 23-jarige student Bastien.

De gedeelde interesse voor Jean Cocteau leidt tot een merkwaardige rondedans, zeker wanneer de nochtans uitgedoofde Amaury zijn emoties niet meer kan beheersen. Curieus genoeg doet dit boek denken aan Maartse kamers van youngster Y.M. Dangre. Zeker is dat je ook bij Boudens een bijna ouderwets metier en vertelzwier proeft.

Vadermoord

Bewijzen genoeg dat de langetermijneffecten van Mooie jonge goden aanzienlijk zijn? Zeker is dat de omstandigheden optimaal waren. Welke bloemlezing kan dat zeggen? Vaak geïmiteerd en gepersifleerd, kon geen troepenschouw van de jonge Vlaamse letteren zo veel losmaken. Met uitzondering misschien van Mooie jonge honden (2003, met Yves Petry, Bart Koubaa, Christophe Vekeman, Ruth Lasters, Filip Rogiers en David Van Reybrouck) en de poëziebloemlezing Twist met ons (1987, Charles Ducal, Dirk van Bastelaere, Bernard Dewulf en Erik Spinoy).

Toch zijn weinig boeken sneller tot de ramsj veroordeeld dan bloemlezingen van jong schrijversgrut. En toch, als visitekaartje blijven ze nuttig. "Als ik de jonge generatie een schop onder de kont kan geven, zal ik het niet laten", poneerde Herman Brusselmans zelf onlangs naar aanleiding van de bloemlezing De tien van Das Magazin, die hij mee cureerde. "Wordt het geen tijd om ouwe krakers als Herman Koch, Tom Lanoye of ikzelf af te lossen? En Peter Terrin, die is toch ook al veertig? Ze mogen de meubelstukken stilaan vervangen."

Brusselmans zou gelijk kunnen hebben. Zeker in Vlaanderen is het ietwat angstvallig uitkijken naar auteurs onder de 35 die de braafheid afschudden en van wie het talent afspat. In De tien stonden er slechts twee Vlamingen: Y.M. Dangre en de ook polemisch en essayistisch bedreven Christophe Van Gerrewey. Je zou er verder nog Maarten Inghels aan kunnen toevoegen. Bovendien worden debuutprijzen in Vlaanderen tegenwoordig door vijftigers gewonnen.

Dit staat in schril contrast met Nederland, waar de jonge garde gewoon al de Grachtengordel begint te veroveren, met onder anderen Nina Polak, Niña Weijers, Hanna Bervoets, Maartje Wortel, Daan en Thomas Heerma van Voss, Jamal Ouariachi en Gouden Boekenuilwinnaar Joost de Vries.

Hoog tijd voor een Vlaamse bloemlezing die met toeters en trompetgeschal de oude gewaden afschudt? En voor schrijvers die hun vadermoord plegen?

Herman Brusselmans, Zeik, Prometheus, 192 p., 17,95 euro.

Guido van Heulendonk ,En dan, als ik weg ben, Arbeiderspers, 200 p., 19,95 euro.

Luc Boudens, Op eenzame hoogte, Leesmagazijn, 160 p., 18,50 euro.

Frank Albers, Caravantis, De Bezige Bij, 400 p., 19,90 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234