Zondag 27/11/2022

Nog altijd even duizelingwekkend geniaal?

Eggers kan soms fantastisch uit de hoek komen, maar tussen al die schoonheid verweeft hij zulke rotzooi dat je er een beetje wanhopig van zou worden

Verhalen van Dave Eggers

Met zijn debuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit werkte Dave Eggers zich in de kijker als enfant terrible van de Amerikaanse literatuur. Nu is hij er met een bundel korte verhalen.

Dave Eggers

Hoe hongerig wij zijn

Oorspronkelijke titel: How We Are Hungry

Vertaald door Irving Pardoen

Vassallucci, Amsterdam, 235 p., 20 euro.

Ernest Hemingways 'The Snows of Kilimanjaro' is een van de grote korte verhalen uit de geschiedenis van het genre. Het gaat over de schrijver Harry, die samen met zijn rijke vrouw in Afrika zit, whisky drinkt en vol heimwee terugdenkt aan alle gemiste kansen. Zij wachten op het vliegtuig dat hen terug naar huis zal brengen. Harry heeft gangreen en zal hoogstwaarschijnlijk zijn been verliezen, zo niet zijn leven zelf. Een mens zou van minder de blik achterom wenden. Harry's bestaan blijkt gebouwd op verlangen en geestdodend materialisme. Hij verlangde naar het avontuur, maakte ook wel wat mee tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar had het met zijn rijke vrouw en haar al even rijke voorgangsters te makkelijk om er iets over op papier te zetten. Luxe vijlt de scherpe kantjes van het leven en wat rest is spijt, zo blijkt. Wanneer het vliegtuig uiteindelijk arriveert en Harry aan boord wordt gedragen, volgt de extase. Vanuit het opstijgende toestel ziet Harry de Kilimanjaro, de hoogste, met sneeuw bedekte berg van Afrika. Opeens is het toch niet allemaal voor niets geweest en kan de man rustig sterven.

'The Snows of Kilimanjaro' is een verhaal waar je als schrijver vroeg of laat mee af te rekenen krijgt, zoiets als een rotsblok op de weg waar je rond kunt lopen of overheen kunt klimmen, maar er ongemerkt aan voorbijgaan doe je niet. Dave Eggers besloot de uitdaging aan te gaan en niet lafweg het obstakel te omzeilen. Hij nam Hemingways gegeven, plantte het over op een vrouwelijk personage in de huidige tijd en keek wat ervan zou worden. En dat is niet mis, zo lezen we in 'Klimmen en dalen', een van de subtielste verhalen uit de bundel Hoe hongerig wij zijn.

Rita is een jonge Amerikaanse die ongewild in Tanzania belandt - haar zus had de reis geboekt, maar was inmiddels zwanger geworden en met een dikke buik een berg ophossen leek haar niet zo'n goed idee - om er de 6.000 meter hoge Kilimanjaro te beklimmen. Of om hem - knipoog naar goeie ouwe Ernest - te bedwingen, want voor Rita is de beklimming meer dan zomaar een trektocht van zes dagen. Zij zoekt meer dan vertier. Zij wil haar karakter sterken en haar volharding tonen. Een berg is er om beklommen te worden, zo stelde ooit een renner en Rita had het zelf niet beter kunnen verwoorden.

Samen met vier andere klimmers, twee gidsen en 32 lokale dragers trekt ze de berg op en voelt enig leedvermaak bij het afzien van de anderen. Zij is immers de sterkste, loopt voorop en zal tonen dat ook een vrouw haar mannetje kan staan. Wanneer de sfeer in het kamp onderweg een dieptepunt bereikt doordat het weer niet meezit, denkt Rita niet aan opgeven. Dat heeft ze tijdens haar leven immers al een paar keer te veel gedaan. Nee, dit wordt doorbijten tot het bittere einde. En bitter zal dit einde inderdaad ook zijn. Rita haalt de top, laat daar geen twijfel over bestaan, maar wanneer ze twee dagen later weer beneden staat hoort ze dat twee van de dragers op een nacht doodgevroren zijn en dat men haar dit niet gezegd heeft om de tocht niet in gevaar te brengen. Was dit het allemaal wel waard, denkt de vrouw. Moesten er inderdaad twee mensenlevens verloren gaan om een paar westerlingen in staat te stellen zichzelf te bewijzen? Rita zal deze vraag natuurlijk nooit beantwoorden, maar we weten wat ze denkt, zeker nadat ze het kantoortje van de lokale toeristendienst inloopt en daar gevraagd wordt haar naam te schrijven in het boek dat de namen van alle vroegere Kilimanjaro-overwinnaars vermeldt: het blijken er duizenden te zijn. De berg wordt platgelopen door Amerikanen, Europeanen en Aziaten en Rita's heldendaad heeft niets origineels.

Eggers' afrekening met Hemingways jongensromantiek is meer dan een wrange grap, daarvoor focust de schrijver al te veel op wat dit allemaal teweegbrengt in het innerlijk van de vrouw. We krijgen een verhaal te lezen over de dramatiek van het persoonlijke leven, een onderwerp waarvoor het korte verhaal trouwens bijzonder geschikt is. Dat Eggers zich daar ten volle van bewust is, mag blijken uit nog zo'n dijk van een verhaal uit deze bundel, 'Naar het raam klimmen, doen alsof je danst'. Daarin rijdt Fish een paar dagen naar het ziekenhuis waar zijn neef Adam verblijft na zijn zevende zelfmoordpoging. De man is van het dak van een motel gesprongen, net hoog genoeg om een paar breuken op te lopen, maar ook weer niet hoog genoeg om eraan te sterven. Fish zit in zijn auto, vervloekt de rotvogels die op de omheiningspalen langs de weg zitten en ontdekt gaandeweg dat dit echt niet het leven is dat hij altijd in gedachten had toen hij jong was. Hij komt van niets en hij zal het ook nooit tot iets schoppen. Hij wil niet langer deel uitmaken van de wereld langs de weg, maar beseft tegelijkertijd dat er geen ontsnappen aan is, waardoor hij uiting geeft aan een wellicht universeel gevoel. Wie kan immers met de hand op de borst verklaren dat hij volstrekt gelukkig is met zijn leven en dat hij nooit iets anders heeft verwacht dan wat hij gekregen heeft? 'Naar het raam klimmen, doen alsof je danst' is niet alleen een bitter verhaal, het is ook heel echt en herkenbaar en legt een van de grote drama's van het leven bloot. En wat zou men nog meer kunnen verlangen van de literatuur?

Een van de redenen waarom Fish zich niet goed in zijn vel voelt, is dat hij zijn geloof in de mens is verloren. Ooit werd hij op flagrante wijze bedrogen door iemand en daarna kwam het nooit meer helemaal goed. Hoe belangrijk dit vertrouwen wel is komt in nogal wat van Eggers verhalen terug, met als summum 'Rust'. Tom, de verteller van dit verhaal doet denken aan die uit Eggers' debuut, Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit: een uitermate irritant sujet dat heel vriendelijk en meegaand lijkt maar in feite geen tegenspraak duldt. Het is het type mens dat steeds beaamt dat je gelijk hebt, maar... en dan volgt er weer een reeks tot in het absurde toe uitgewerkte redeneringen. Het is de solipsist die tot in het oneindige door kan gaan en niet horen wil dat hij het verkeerd heeft. Hij onderwerpt zichzelf à la Woody Allen aan eindeloze zelfanalyses en veronderstelt dat zijn medemens dat allemaal heel interessant vindt, kortom het stereotiepe beeld van de gecultiveerde jonge Amerikaan.

Tom begrijpt maar niet waarom zijn vrouwelijke collega Erin iets in hem ziet - en geef hem maar eens ongelijk - en waarom zij met hem naar het Schotse eiland Skye wil reizen. Hij is dol op haar en dat laat hij haar merken, eraan toevoegend dat mannen gorilla's zijn die maar één ding voor ogen hebben. "Ik kan toch niet twijfelen aan de bedoelingen van iedereen die ik ken", merkt de vrouw op, waarop Tom repliceert dat ze volkomen fout is en wel degelijk aan iedereen moet twijfelen. Niet veel later zal de oen haar zowat verkrachten tegen een verweerde schapenstal, net op het moment dat het ernaar uitzag dat het allemaal goed zou komen tussen de twee.

Vertrouwen, zo blijkt uit dit verhaal is een precair iets. Enerzijds kun je er vreselijk door bedrogen worden, maar anderzijds raak je met de filosofie van het wantrouwen ook geen stap verder. Mooi is hoe Eggers dit laatste in een ander verhaal illustreert: 'Nog een', waarin een Amerikaan en een Egyptenaar samen piramides bezoeken en op die manier ontdekken dat er in feite niet zo veel te zien is: "Ik maakte deel uit van iets wat al duizenden jaren aan de gang was en waarin nooit iets veranderd was", merkt hij - nogal kadukelijk vertaald - op, verwijzend naar de vriendschap en het geloof in elkaar die hen binden.

Ook al is dit een knap verhaal, toch kleeft er een geurtje aan. De naïef-politieke boodschap ervan herleidt het immers tot een soort pamflettair gebruiksvoorwerp. De schrijver heeft iets mee te delen en dat zullen we geweten hebben, en dat levert nooit grote literatuur op. Zoals ook al uit zijn vorige boeken bleek, kan Eggers soms fantastisch uit de hoek komen, maar tussen al die schoonheid verweeft hij zulke rotzooi dat je er een beetje wanhopig van zou worden. En dat is ook in deze bundel het geval. Driekwart van de verhalen zijn grandioos, maar van een stuk of drie, vier vraag je je af of ze echt wel meer waard zijn dan het papier waarop ze gedrukt staan. Van een flauw idee kan zelfs de beste schrijver geen goed verhaal brouwen. Neem nu bijvoorbeeld 'Je moeder en ik', waarin een man aan zijn dochter vertelt hoe hij en zijn vrouw alle wereldproblemen oplosten en daar steeds geiler van werden. Uiteindelijk liet hij zijn zaadleiders afbinden om te voorkomen dat het gezin te groot zou worden. Niet alleen worden hier open deuren ingetrapt, bovendien is het geheel ook niet echt grappig. Dave Eggers lijkt nog steeds die wonderboy van weleer te zijn: bij momenten krankzinnig goed, maar te eigenzinnig om echt groots te zijn. Misschien wordt het stilaan tijd dat hij een goede redacteur in dienst neemt.

Marnix Verplancke

Jan de Maesschalck exposeert van 19 maart tot 12 juni in het PMMK, Romestraat 11, Oostende. Tel.: 059/50.81.18

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234