Donderdag 23/09/2021

InterviewNiña Weijers

Niña Weijers, de vriendin van Arnon Grunberg: ‘Ik ga Arnon duidelijk maken: hé, rotzakje, je wordt wel vader, niet een rare grote broer’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Amsterdam, buurt Westerpark. Kinderbedje, kinderpark: de flat is er klaar voor. Een jongetje, een meisje? Zelfs de ouders weten het niet. Zij heten: Niña Weijers (33), schrijfster, en Arnon Grunberg (50), schrijver. Verwachting neemt hier vele vormen aan: Grunberg leverde net een nieuwe roman in, Weijers legt de laatste hand aan haar derde boek, Zelf doen. Daar zullen we het over hebben, maar ook over het kind en de vader.

“Oké, nu moet ik weer even scherp zijn.”

Is dat moeilijk met een bolle buik?

“Ik zet af en toe een zak thee in de koelkast, maar dingen die belangrijk zijn, gaan best goed. Over abstracte zaken denken gaat beter dan praktische dingen doen. Ik schrijf nog elke dag. Je treft me op een goed moment. We waren net in het ziekenhuis en kregen fijn nieuws: anders dan gevreesd laten ze het kind nog even zitten. Ik ben heel opgelucht.”

Laten we beginnen in het ziekenhuis waar jij ter wereld kwam, kwestie van je wortels te vinden.

“Ik ben een echte Nijmeegse, geboren in het Radboud-ziekenhuis. Nijmegen is een studentenstad, mijn ouders hebben elkaar daar leren kennen. Mijn moeder studeerde psychologie, mijn vader economie.”

Je had het soort zorgeloze jeugd dat je de ik-figuur in je roman Kamers antikamers toeschrijft: middenklasse, veilige hechting, hoogopgeleid, vangnet als je valt?

“Kan ik allemaal niet ontkennen. Maar op mijn dertiende droeg ik een beugel, en dat was heel traumatisch! (lacht)

Was de kleine Niña een bijzonder meisje, of liep ze zoals andere meisjes Britney Spears achterna?

“Néé, Madonna! En dat was bijzonder, want die was toen al oud – veel te oud voor onze generatie! Van mijn elfde tot mijn vijftiende woonden we op Curaçao, en niet alles bereikte dat eiland: je kon daar uniek zijn door fan te zijn van Madonna.”

Je schreef een aantal keren over ‘het eiland’, zonder duidelijk te maken dat het om Curaçao ging.

“Omdat het voor mij heel intiem materiaal is. Ik vind het moeilijk om erover te denken, laat staan te schrijven. Dat eiland is voor mij altijd iets ingewikkelds geweest. Toen wij terugkwamen van Curaçao, gingen mijn ouders uit elkaar. Ik dacht dat eiland als een stukje DNA uit mijn bestaan te kunnen wegknippen, maar het is later met volle kracht teruggekomen.

“Noem het een neokoloniale schaamte. Wat hebben mijn ouders daar gezocht? Hoe hebben we daar geleefd? Met zulke vragen worstel ik. Achteraf moet ik besluiten dat ik er vier jaar als een buitenstaander heb gewoond, maar dat dat eiland ook heel erg onderdeel van mijn ziel is geworden: een gek soort verscheurdheid geeft dat. Een paar jaar geleden was ik er terug en werd ik overdonderd door de zintuiglijke indrukken die me meteen mijn verbondenheid met dat eiland deden voelen. Een verbondenheid die ik mezelf verbied – dat ligt dus moeilijk.”

Wat gingen je ouders er zoeken?

“Mijn vader had gesolliciteerd: men wilde een school oprichten voor de kinderen van de vele Nederlanders die daar wonen, zodat ze bij hun terugkeer geen leerachterstand zouden hebben. Op dat eiland wist iedereen dat ik de dochter van de schooldirecteur was, en dat vond ik natuurlijk verschrikkelijk. Achteraf gezien vind ik het vooral moeilijk dat zo’n dure privéschool überhaupt bestaat. Het werkt de segregatie alleen maar in de hand – de hele opzet is dat Nederlandse kinderen daar goed kunnen gedijen.”

Compliceerde die scheiding van je ouders je leven?

“Ach, wie heeft er geen gescheiden ouders? Wat ik wel intens vond, was dat die scheiding samenviel met onze terugkeer naar Nederland. Van dat lichte eiland kwam ik met mijn moeder en broertje op een heel donkere verdieping in een donkere straat terecht. Van die eerste winter herinner ik me alleen maar dat we het koud hadden. Als ik van school thuiskwam, wilde ik onder de douche staan – elke dag. En boterhammen eten!”

Zullen we van je jeugd vooral onthouden wat je moeder eens in een boekje schreef? ‘Ze wil alles zelf doen.’ Je had meteen de titel van je aanstaande verzameling columns: Zelf doen.

“Als dat alles zelf doen niet lukte, schreef ze er nog bij, werd ik ongeduldig. Maar zijn niet alle kinderen zo?”

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

HEERLIJKE KREEFT

Ontsnapt uit het nest werd je een ongetwijfeld voorbeeldige studente literatuurwetenschappen in Amsterdam.

“Wat voor een indruk heb jij van mij?”

Ik las de column waarin je het hebt over het plezier dat je haalde uit dingen uit het hoofd leren en moeilijke boeken lezen. En dat je niets liever deed dan ‘steeds opnieuw in gevecht gaan met je eigen ontoereikendheid’.

“Oké, ik wás vlijtig. En als ik me ergens in vastbijt, zet ik door. Dat is ook zo met schrijven.”

Maar je bent niet aan de universiteit blijven hangen?

“Ik heb heel lang gedacht dat ik zou promoveren – ik had me al ingeschreven voor een voorbereidend jaar op een doctoraat. Dat was ook een droom van mijn moeder: misschien kan mijn dochter wel hoogleraar worden. Ik zie mezelf nog staan in Atheneum Boekhandel in Amsterdam toen ik ineens dacht: néé, dat ga ik helemaal niet doen! Ik had heel erg het verlangen om zelf te gaan schrijven, en ik realiseerde me dat literatuurwetenschap niet de weg is naar een schrijverschap.”

De consequenties heette je debuut, waarvan inmiddels zo’n 40.000 exemplaren zijn verkocht: een Connie Palmen-achtige entree in de letteren.

“Laten we niet overdrijven. Ik zag onlangs een stukje van de serie naar haar boek I.M.. Dat waren toch wel andere tijden voor de literatuur. En vooral ook: zij had Mai Spijkers als uitgever. Hoe die het aanpakt, is wel vrij uniek: hij bestelt voor haar dan een auto met chauffeur met wie ze voor lezingen door het hele land rijdt. Heel feestelijk allemaal. Ik heb gedebuteerd zonder chauffeur en zonder champagne. Maar ik heb niks te klagen: totaal onverwacht was mijn debuut toch wel een succes.”

En dan ga je als belofte gelden, en wordt het een stuk moeilijker om de tweede roman te schrijven?

“Dat boek was best wel een worsteling, maar niet per se omdat ik veel druk van buitenaf voelde – die kwam echt wel van binnenuit. Vanuit een eigengereidheid heb ik gedacht: ik neem mijn tijd, en ik moet maar even zien wat ik wil met dat tweede boek. Dat heeft me wel een zekere vrijheid gegeven.”

Kamers antikamers had, althans in de verkoop, minder succes.

“Alleen die titel al – helemaal zelf bedacht! – was een anticommerciële zet. (lacht) Arnon noemt het een masochistisch boek, en dat is het ook. Het keert zich heel erg tegen zichzelf. Er is niet echt een plot, schreven veel critici – zelf vind ik het mooi dat het boek ingaat tegen alles wat men vanzelfsprekend vindt bij een verhaal, en uiteindelijk toch een verhaal wordt. Dat soort worsteling zoek ik op, anders vind ik schrijven niet interessant.”

In die roman verwerkte je echo’s van je relaties met Das Mag-uitgever Daniël van der Meer en schrijfster Saskia De Coster. Mag ik je biseksueel noemen, of is dat een hopeloos verouderd woord?

“Tegenwoordig weet je maar nooit welke term je wel of niet mag gebruiken. (lacht) Mensen kiezen nu maar wat ze passend vinden, ik heb er helemaal geen term voor. Het enige wat ik kan zeggen, is dat het mij op m’n 28ste overkwam, verliefd worden op een vrouw, en dat ik dat heb toegelaten. Dat was voor mij toen geen issue, waarschijnlijk vanuit een geprivilegieerde positie, en eigenlijk ook geen identiteitskwestie. Ik bewoog me in een omgeving waarin dat niet ingewikkeld lag. Ik heb meer homo- dan heterovrienden.”

Ik herlas onlangs Twee vrouwen, een haast een halve eeuw oude roman van Harry Mulisch, die zich daarin probeert voor te stellen hoe een heteroseksuele vrouw de lesbische liefde ontdekt. Hij laat haar zeggen: ‘Ik voelde mij als iemand die in een restaurant een kreeft heeft besteld, maar die niet weet hoe hij hem eten moet.’

(giert het uit) Ik kan je vertellen, ik voelde me als iemand die een kreeft had besteld en dacht: wauw, wat kan ik ontzettend goed uit de voeten met deze heerlijke kreeft!”

Je schrijft nu aan een laatste column voor Zelf doen. Hoe zou je jezelf als columnist omschrijven?

“Vaak komt zo’n column toch neer op een vivisectie van mijn bestaan. Ik schrijf vanuit het verlangen om inzicht te hebben in mezelf, in hoe ik mezelf in de wereld ervaar. Ik noem de bundeling van die stukken niet voor niks Zelf doen, ik zie mijn ‘zelf’ als een actieve onderneming. Dat zoekende is voor mij waarom ik schrijven leuk vind. Mijn column staat op de boekenpagina van De Groene Amsterdammer: er komen dus ook veel boeken in voor.”

Niet zo lang geleden citeerde je in een column Zadie Smith: ‘Je schrijft om wat te doen te hebben.’ Dat is dan weer erg relativerend.

“Dat vond ik ook wel. Kom op, Zadie, dacht ik. Tegelijk vind ik zo’n laconieke houding leuk. Want als je er even over nadenkt: het leven ís een kwestie van de tijd te vullen, toch?”

LUIE MINNAAR

Zullen we Arnon nu geleidelijk in je leven toelaten?

“Ik ben wel blij dat je een beetje chronologisch door mijn leven loopt: ik krijg een gevoel van orde. (lacht)

In 2015 zei je: ‘In navolging van Grunberg is een hele generatie gaan schrijven over de ultieme eenzaamheid van de mens, over de economische aspecten van de liefde, of over de tristesse van seks.’ En je had het wel gehad met zijn nihilisme en zijn cynische kijk op de liefde.

(lacht) Leuk, toch? Ik weet niet of Arnon dat ooit gelezen heeft. Dat ik hem van nihilisme beticht – weet ik nu – vindt hij niet leuk en hij is het er zeer mee oneens. Ik denk er nu ook anders over, maar dat was mijn kijk op Arnon toen. Je bent als jonge schrijver toch altijd bezig met de vraag hoe je de wereld opnieuw gaat ontdekken en vormgeven. Je wilt weg vanonder het juk van hoe de dingen waren.”

En dan liep die Grunberg maar in de weg?

“Ja, natuurlijk. Je moet ze af en toe onthoofden, toch? Al die kleine mannetjes, hop, de kop eraf! (lacht) Dat heeft te maken met de ambitie die je toch altijd moet hebben om je voorgangers te overtroeven. Het is natuurlijk heel raar dat ik met Arnons boeken ben opgegroeid. Blauwe maandagen lazen we op school, dat boek behoorde tot de canon. Ik heb een foto van mij als 17-jarige waarop ik zijn Figuranten aan het lezen ben in de trein. Lijkt het niet absurd dat iemand me toen had kunnen zeggen: ‘Met deze man ga je een kind krijgen’? Van veel boeken van Arnon weet ik nog precies waar en wanneer ik ze voor het eerst gelezen heb. Gstaad bijvoorbeeld – dat heeft altijd een speciaal plekje in mijn hart gehad.”

Arnon schreef voor het eerst over jou in een stuk in Het Parool in 2017. Hij speelde met het idee moeders van bekende schrijvers op te zoeken. ‘Ik zou de moeder van bijvoorbeeld Niña Weijers kunnen bezoeken en dan zou ik zeggen: ‘Ik heb eens met uw dochter een paar glaasjes champagne rosé in hotel Vier Jahreszeiten in München gedronken en nu lijkt het me zo leuk ook met u champagne rosé te drinken. Bent u trots op uw dochter?’’

“Mijn moeder vond dat stukje echt geweldig!”

Is ze trots op haar dochter?

“Toch wel, denk ik, en die champagne rosé met Arnon is er intussen van gekomen.”

Was het daar in München de eerste keer dat…

“…ik de nihilist Grunberg in levenden lijve ontmoette? Ik geloof het wel. We hadden allebei een Duitse vertaling van een roman en werden samen op een podium gezet. Ik heb me de hele avond geschaamd omdat mijn Duits zoveel minder goed was dan dat van Arnon.

“Na afloop hebben we keurig een fles champagne gedronken. Een prachtige avond. Maar dat was lang voor we bij elkaar kwamen.”

Dat was voorjaar 2019, als mijn spionnen me niet bedriegen. Wéér viel je voor iemand uit de literaire wereld: daar woont het interessantste volk?

“Natuurlijk heb ik gedacht: wat ben ik nou toch weer aan het doen? Maar je wordt verliefd op wie je verliefd wordt.”

Voor Arnon was het een heftige tijd: hij moest zich losmaken van zijn vorige geliefde, Roos.

“Dat heb ik natuurlijk geweten omdat het allemaal zo publiek was door wat hij erover schreef. Ik was gelukkig mijn boek Kamers antikamers aan het afmaken en heb me dáárop gestort. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik die stukken toen niet echt heb gelezen, ik had de tegenwoordigheid van geest om ze naast me neer te leggen.”

En je miste dus alle waarschuwingen in het stuk van Roos over de valse profeet Arnon, de vrouwenverzamelaar. ‘Ik besef nu,’ schreef ze, ‘dat ik nooit van jou ben geweest, want jij bent van niemand en van iedereen.’

“Ach, je moest eens weten hoeveel waarschuwingen er toen waren van Jan en alleman. Maar ik was toch eigenwijs.”

Arnon koos na enkele weken van verliefdheid voor jou, en schreef over zijn dilemma: ‘Het klinkt dramatisch, maar het voelde als een keuze tussen leven en dood. Bij Roos blijven was sterven, ik koos voor mijn leven, al besefte ik dat ik daarmee Roos zou doden.’

“Misschien heeft hij nu voor een nieuwe dood gekozen, dat weet ik niet. (lacht)

Ik geloof dat jij ook vindt dat je altijd aan de kant van de liefde moet staan. Je hebt nooit spijt gehad in de liefde, zei je eens in een interview, want: ‘Jezelf overgeven is ook heel mooi.’

“Je moet kiezen voor het leven: dat zal altijd mijn positie zijn, want het is inderdaad een trage dood als je maar half leeft. Dat mag dan klinken als een vrijbrief om zomaar wat over mensen te walsen, het is niet zo dat ik me als een kip zonder kop van het ene avontuur in het andere stort zonder erbij stil te staan wat ik allemaal aanricht. Maar af en toe neem je de verantwoordelijkheid en kun je zeggen: ‘Ja, hiermee heb ik iets aangericht, maar ik heb het wel gedáán!’”

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

De al te opdringerige vraag of Arnon als minnaar meevalt, hoef ik gelukkig niet te stellen. Die heeft hij je al laten beantwoorden in een interview: ‘Mijn vriendin zegt zo nu en dan dat ik een luie minnaar ben en dat ik eigenlijk niets kan behalve schrijven. Ze is een intelligent persoon, dus we moeten haar uitspraken serieus nemen.’

“Je kunt je research ook té goed doen, maar vooruit, daarmee is de vraag inderdaad beantwoord. (lacht)

Als vriendin van Arnon is je leven misschien publieker geworden dan je had gewild. In alle stilte een kind verwachten is er niet bij.

“Gedeeltelijk heb je dat niet zelf in de hand, gedeeltelijk wel: je beslist als schrijver waarover je schrijft, al dan niet omfloerst. Arnon mag schrijven wat hij wil, maar ik denk dat voor ons allebei geldt dat wat we ‘prijsgeven’ meer een spel is, een heel duidelijk autobiografisch inkijkje wordt het nooit. Ik ben een groot voorstander van geheimen – iedereen heeft daar recht op.”

Worden jullie nu voer voor elkaars boeken?

“Dat is absoluut niet hoe ik het ervaar. We verschillen als schrijvers heel erg, alleen al in de manier waarop we werken. Dat geeft een gevoel van vrijheid, te weten dat ik het altijd op mijn manier zal doen. Dat we als schrijver zo verschillend zijn, maakt het ook makkelijker in de liefde: ik ben niet met de schrijver Arnon, maar met de man.”

Lezen jullie alles van elkaar?

“Euh, ik kan Arnon bijna niet bijhouden met lezen. Ik heb als schrijver een heel ander tempo. Als hij wéér klaar is met een nieuw essay, denk ik weleens: ‘Wanneer heb je dat in godsnaam gedaan?’ We hebben wel een basisinteresse in elkaars werk – laat ik het zo zeggen – en ik zou het verschrikkelijk moeilijk vinden als ik voelde dat Arnon mij als schrijver niet waardeert.

“Arnon heeft een nieuwsgierigheid waarvoor ik heel erg gevallen ben. Hij kan altijd weer onbevangen boeken, films of kunst bekijken en zich laten verleiden door wat hij mooi vindt. Misschien is het een nieuwsgierigheid die ik herken.”

HUIZE HOUDINI

We mogen het kind niet vergeten. Begon bij jou de biologische klok luider te tikken?

“Ik wist wel dat ik een kind wilde. Het was misschien een kwestie van het moment af te wachten waarop je iemand tegenkomt bij wie je denkt: met jou wil ik dat wel.”

In zijn recente boek Slachters en psychiaters brengt Arnon verslag uit van een ‘stage’ die hij deed als vervangvader in een kinderrijk gezin. Conclusie: hij heeft geen enkel talent voor het vaderschap. ‘Ik had er een kind bij’, zei de moeder van dat gezin.

“Dezer dagen voelen heel veel mensen zich geroepen om een mening te hebben over Arnon als vader, en met alle vooroordelen die ze over hem hebben, is het soms heel plat wat ze te zeggen hebben. Ik hoef niet van anderen te horen hoe mijn geliefde is, daar kan ik me zelf wel een beeld van vormen.”

Toch nog even een terechte opmerking van die moeder: als je een kind hebt, ben je nooit meer alleen. ‘Je bent altijd een kudde’, zei ze.

“Ja, maar die vrouw was dan ook echt in een kudde van wel vier of vijf kinderen beland. Wij houden het voorlopig bij één kind, dat is overzichtelijk.”

Nog maar een maand of negen geleden noemde Arnon in de krant een kind krijgen zijn grootste angst: ‘Ik ben bang voor de voortplanting.’

“Dat is toch een terechte angst? Als je erbij stilstaat: het is doodeng wat we allemaal maar doen, en dat iedereen het doet… Je moet er ook weer niet te veel bij nadenken.”

Arnon noemt zich voortdurend een ontsnappingskunstenaar, en jij merkte in een interview ook al op dat ontsnappen en verdwijnen je stokpaardjes zijn: het komt er vooral op aan alle mogelijkheden open te houden! Ik zie het hier wel Huize Houdini worden.

(schaterlacht) Iedereen wil weg, ik weet het! Dat is toch mooi, dat we als Houdini’s aan elkaar gewaagd zijn? En zodra het kind op eigen benen staat, loopt ook dat gillend weg!”

Over Arnons aanstaande vaderschap ging het uitgebreid in een recente podcast.

“Ik heb er veel over gehoord, maar heb me er maar even buiten gehouden. Ik weet wel wat Arnon denkt uit onze eigen gesprekken.”

Hij zag zich wel ‘aan de kant van het kind’ staan, zei hij. Eraan toevoegende: ‘Ik zou bijna zeggen: tégen de moeder.’

“Dat is me verteld, ja, en met dat cliché moet ik ’m misschien toch nog even om de oren wapperen. Want dan denk je toch: hé, rotzakje, je wordt wel vader, je moet niet doen of je een soort rare grote broer bent van dat kind. Je neemt je verantwoordelijkheid mee op.”

Gelukkig zat er in die podcast ook heel goed nieuws: je mag een butler aannemen.

“Zegt-ie dat?”

‘Ik begrijp best dat de vader ook een butler is,’ zei hij, ‘maar ik heb lang genoeg in New York gewoond om te weten dat je de butlertaak ook voor 12 dollar per uur kunt uitbesteden en toch een heel goeie vader kunt zijn.’

(lacht) Dan ben ik benieuwd welke butler zich in ons leven aandient. Ik ben zelf ook geen butler.”

Nog een quote van Arnon: ‘Ik ga al vijftig jaar improviserend door het leven en dat ben ik eigenlijk van plan voort te zetten.’

“Dat hele ouderschap is toch een geïmproviseerd avontuur? Arnon en ik zijn het erover eens dat het allemaal niet te humorloos moet worden. Je moet alles ook weer niet te serieus nemen. Ik ben niet voor niks met déze man aan dit avontuur begonnen. Ik heb er vertrouwen in dat hij een goede vader zal zijn.”

Ik overval je niet met slecht nieuws als ik ook nog meld dat hij in die podcast liet weten dat hij niet met je zal trouwen?

“Nee hoor. Trouwen, daar hebben we allebei helemaal níks mee.”

Vond je je zwangerschap een bijzondere ervaring?

“Op andere manieren dan ik verwacht had. In het begin vond ik het allemaal behoorlijk abstract. Ik belandde niet in een soort serene staat die altijd wordt geassocieerd met zwangere vrouwen. Soms was ik kotsmisselijk, dat wel. Nu, in wat we toch het laatste stadium kunnen noemen, merk ik dat mijn ervaring van de wereld intenser wordt. Je realiseert je dat er zich een breuk aankondigt, je neemt afscheid van een bepaald soort leven. Ik ben vorige week ook enkele dagen alleen naar een plek in een bos in de Achterhoek geweest.”

Nog even achterom kijken voor je in de kleine kudde opgaat?

“Precies. Nog eens aan den lijve ondervinden waarom ik altijd zo graag alleen was, en beseffen dat ik er geen behoefte meer aan heb. Ik verheug me erop dat er iets anders in de plaats komt. Behalve aan dat nieuwe leven in me, dacht ik ook veel na over mijn vergankelijkheid. Dat kan niet anders: je bent het leven aan het doorgeven. Maar God, wat een clichés waarin je vervalt als je over zoiets probeert te praten.”

NAAR NEW YORK

Ik las in de krant dat Arnon zich alvast van één huishoudelijke taak kwijt: vanop de rand van het bad de hoog hangende lamellen bedienen.

“O, hij doet al meerdere klussen, hoor. (lacht) Maar zijn ongeworteldheid kan ook wel hardnekkige vormen aannemen. Doordat ik nu moeder word, kan dat hele idee van ‘zelf doen’ grappig genoeg een nieuwe invulling krijgen. Dat ik best autonoom ben, veel dingen zelf doe en dat ook goed kan, dat ik het fijn vind een relatie te hebben met iemand die er niet altijd is: dat zijn allemaal dingen waar ik enige trots uit putte, maar nu kan het ook betekenen dat ik met alle huishoudelijke shit zit. En dan word je wél geconfronteerd met je eigen zogezegd emancipatoire idealen. Dat zal natuurlijk conflicten opleveren, maar dat kan ook weer interessant zijn.”

Als bijdrage aan de opvoeding, als dat je kan geruststellen, kondigde Arnon in alweer een ander stuk zijn voornemen aan om Duits te spreken met het kind.

“Nou, veel succes ermee! Zoiets schijnt alleen te lukken als je het heel consequent doet en ook met je geliefde Duits gaat spreken. Ik ben heel benieuwd wat daar weer van komt.”

Misschien wordt Engels wel de voertaal en komen jullie allebei in New York terecht, hoofdzetel van Arnon: ook jij kunt je werk meenemen.

“We verheugen ons alleszins enorm op de dag dat ik weer meer mag reizen van president Biden, en we hopen deze zomer nog samen naar New York te gaan. Ik denk dat we allebei een flexibel bestaan voor ogen hebben.”

Mag ik nog je gelukscore weten? Arnon heeft die bij het begin van de zwangerschap ingevuld.

(spiekt op mijn papier) Zei hij nou 7,5? Wat is dat voor een vreemd cijfer? Geef mij dan zeker een 8!”

Slotvraag: wat is voor jou het belangrijkste?

“Wat voor een vraag is dat nou weer?”

Nog één waarop Arnon moeiteloos een antwoord bedacht.

“En wat zei hij?”

‘Een goede schrijver zijn.’

(schiet in de lach) Zo’n braaf antwoord?! Een goede schrijver zijn – geweldig! Nee, dan zou ik zeggen: dat je de strijd voert tegen maar half in leven zijn, dat is het belangrijkste. Een intens bestaan.”

Dat doet me denken aan iets wat je schreef in Kamers antikamers: ‘Intensiteit beleven is niet weten hoe de dingen zullen eindigen.’

“Precies. Vat dat het niet allemaal samen? (na een zucht van verlichting) Bij die laatste ronde had ik toch het idee dat er punten te verdienen of te verliezen waren. Heb ik het overleefd?”

Zelf doen verschijnt bij Atlas Contact.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234