Maandag 09/12/2019

De twaalf Illegale arbeid

Nieuwe slavernij in ‘De twaalf’, het echte verhaal: hoe arbeiders in België als beesten worden behandeld

Beelden uit ‘De twaalf’. Joeri (midden) is een bouwondernemer die illegale bouwvakkers tewerkstelt. Wanneer zo’n zwartwerker van een stelling valt, dumpen hij en zijn broer de zwaargewonde man.

Meer dan een miljoen kijkers volgen op zondagavond in De twaalf op Eén de perikelen van enkele juryleden tijdens een assisenproces. Eén van hen is Joeri, een bouwondernemer die samen met zijn broer illegale bouwvakkers tewerkstelt en daar grof geld mee verdient. Wanneer zo’n zwartwerker van een stelling valt, dumpen de broers de zwaargewonde man aan een bushokje – met dodelijk gevolg.

Toen ik het verhaal van het arbeidsongeval in De twaalf zag, moest ik onmiddellijk denken aan een soortgelijk voorval dat zich in 2017 in Gent heeft afgespeeld,’ vertelt Kris V., sociaal inspecteur bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ).

Kris V.: “Twee arbeiders werden na een ongeluk in de bakkerij waar ze clandestien werkten, gedumpt op de parking van een warenhuis. Ze waren bevangen door CO-gassen en in levensgevaar. Hun baas had de mannen vroeg in de ochtend buiten bewustzijn op de vloer van de bakkerij gevonden, de ene met schuim op zijn lippen, en had hen naar de parking versleept. Hij belde de hulpdiensten niet, want hij wilde vermijden dat de twee slachtoffers aan zijn bakkerij gelinkt konden worden. Een toevallige klant van de bakkerij deed dat gelukkig wel.”

De ambulanciers die de twee jongemannen op de parking vonden, dachten eerst dat ze antivriesmiddel hadden gedronken, omdat er een lege fles antivries in de buurt lag. Ze dienden een hoge dosis alcohol toe als tegengif – wat natuurlijk niet hielp. Intussen stond de eigenaar van de bakkerij op een afstandje toe te kijken, zonder in te grijpen. Dat heeft de politie achteraf op de camerabeelden van het warenhuis kunnen zien.

In het ziekenhuis werd duidelijk dat de twee een levensgevaarlijke CO-vergiftiging hadden opgelopen. Wie waren die mannen? Wat was er gebeurd? De verplegers zagen dat één van de slachtoffers een T-shirt met het opschrift ‘boulangerie’ droeg, de andere had bloem op zijn broek. Zo kon de politie het verband leggen met de nabijgelegen bakkerij, waar de bakkersgasten zes op de zeven nachten werkten voor een hongerloon, met een onveilige bakoven. Ze sliepen op matrassen boven de bakkerij en hadden geen andere spullen dan de kleren die ze droegen.

Ook voor collega-inspecteur Eddy Van Herreweghe riepen de beelden van De twaalf herinneringen op.

Eddy Van Herreweghe: “Ik moest meteen terugdenken aan het verhaal van een illegale bouwvakker uit Moldavië die door zijn baas voor dood werd achtergelaten op straat, nadat hij op een bouwwerf in Anderlecht van een stelling was gevallen. Hij was zwaargewond, maar de aannemer wilde geen ziekenwagen bellen. Hij gooide de man in zijn bestelwagen en reed naar Aalst, waar hij hem in een doodlopend straatje dumpte. De aannemer keerde daarna terug naar zijn werf, haalde de beschadigde kraan weg en liet een nieuwe asfaltlaag gieten, om de bloedresten van de Moldaviër te doen verdwijnen. Hij dacht dat de bouwvakker intussen dood was, maar die overleefde het voorval nipt omdat hij gevonden werd door een toevallige voorbijgangster. Die man zit nu wel voor de rest van zijn leven in een rolstoel.”

Sociaal inspecteurs Eddy Van Herreweghe en Kris V. zijn gespecialiseerd in de strijd tegen economische uitbuiting en internationaal georganiseerde sociale fraude. Ze maken jacht op Belgische bedrijven die buitenlandse werkkrachten – vaak uit Oost-Europa, Marokko en Brazilië – naar hier halen via schimmige constructies en hen laten werken in slechte omstandigheden, voor extreem lage lonen.

Ook Myria, de onafhankelijke rapporteur voor mensenhandel, besteedt in het pas verschenen jaarrapport Slagkracht voor slachtoffers veel aandacht aan het onzichtbare slavenleger van duizenden metselaars, lassers, elektriciens, vrachtwagenchauffeurs, bakkers, koeriers, afwassers en fruitplukkers. Ze bouwen de huizen waar wij in wonen, slachten de kippen die op ons bord komen, wassen onze auto’s en bezorgen de kranten die we ’s ochtends in onze bus vinden. Ze slapen in beschimmelde krotten, werken in ongezonde en onveilige omstandigheden, en ze worden door niemand beschermd. Soms loopt dat verkeerd af: een bakkersgast raakt zijn hand kwijt in een kneedmachine, een lasser moet zonder veiligheidsbril werken en krijgt metaal in de ogen, een metselaar valt van een slecht geplaatste stelling…

Kris V.: “En dan blijkt plots dat hun werkgever geen ongevallenverzekering heeft afgesloten of sociale bijdragen heeft betaald. Dan moet de gewonde arbeider de volle pot betalen: een paar duizend euro voor een ziekenhuisverblijf. Nog vaker zien we dat werkgevers hun gewonden halsoverkop uit het ziekenhuis weghalen om het arbeidsongeval stil te houden. Als ze er te erg aan toe zijn, stuurt de baas hen terug naar hun land van herkomst, of in het ergste geval dumpt hij hen ergens.”

“Veel van die buitenlandse werkkrachten zijn aan de slag als zelfstandige. Als er dan iets met hen gebeurt, kan de werkgever onmiddellijk zijn handen van hen aftrekken: ‘Niets mee te maken.’ En omdat ze geen Nederlands praten, zijn ze een makkelijke prooi. Velen van hen wéten niet eens dat ze zelfstandige zijn. Vaak hebben ze papieren ondertekend die ze zelf niet begrijpen.”

“Ik heb een werknemer gekend die al zes maanden ontslagen was zonder dat hij het wist. Een andere arbeider moest tot zijn verbazing vaststellen dat hij tot zaakvoerder was gebombardeerd. Hij had een papier moeten ondertekenen met allerlei cijfers op, en ze hadden hem laten geloven dat het over de uitbetaling van zijn loon ging.”

“Soms geloven we onze eigen ogen niet: op een autokerkhof moesten truckers slapen en leven in cabines waaruit ramen en deuren waren weggehaald.’

Verpletterd

“We hadden die dag een muur gemetst van 10 meter lang en 2,6 meter breed”, verklaarde de Kroatische bouwvakker Samir O. in 2014 tijdens een verhoor bij de sociale inspectie van Hasselt. Hij raakte zwaargewond bij een arbeidsongeval op een werf van een Limburgse bouwfirma, maar kan het nog navertellen.

Samir O.: “De muur was eigenlijk te hoog gemetst. Het is beter om niet te hoog te metsen en te wachten tot het cement gedroogd is, maar wij worden onder druk gezet om zoveel mogelijk door te werken. Nu hadden we die hele muur in één dag gemetst en was hij niet stabiel genoeg.”

“Ik werkte die dag samen met mijn broer Senad en twee Bulgaren. Op het einde van de dag, toen we aan het opruimen waren, viel de muur om. Ik zag het gebeuren, maar kon niet meer weg: ik kreeg de stenen op mij en raakte bewusteloos. Ik heb tanden verloren en was gewond aan mijn schouder en been. Ik was er blijkbaar erg aan toe. Mijn broer heeft toen aan de werfleider, Raitis, gevraagd om een ziekenwagen te bellen, omdat hij de enige was die Nederlands sprak.”

“In het ziekenhuis was ik alleen, ik kon niet communiceren. Op de spoeddienst hebben ze mijn wonden verzorgd: ik krijg er negen hechtingen in mijn hoofd, ze hebben een verband rond mijn nek gedaan en één rond mijn been. Toen ik daarna op de spoeddienst zat te wachten, is Raitis samen met de stiefzoon van de ploegbaas naar het ziekenhuis gekomen. Ik was nog groggy en had verwacht dat ik daar moest blijven, maar hij zei dat ik weg mocht. Ze hebben mij moeten ondersteunen omdat ik niet kon stappen. Ik had nauwelijks kledij aan, alleen een broek. Ze gaven mij een T-shirt, maar schoenen had ik niet aan.”

“Mijn broer was verbaasd toen hij zag dat ik al terug was, maar Raitis zei dat een verblijf in het ziekenhuis niet langer nodig was. Hij bracht me naar het huis waar we met de andere arbeiders verbleven en beloofde dat de ploegbaas de volgende dag medicatie zou komen brengen en kijken of ik iets nodig had. De ploegbaas is nooit gekomen, ik heb geen medicatie gekregen.”

“De dag na mijn ongeval begon ik erge pijn te krijgen omdat de verdoving van het ziekenhuis uitgewerkt was. Ik kon ook niet slapen door de pijn. Het was koud in het huis waar ik verbleef, het was winter. Er was te weinig mazout en we konden de verwarming maar enkele uren per dag opzetten, ’s avonds als de andere arbeiders er waren. Maar ik zat twee weken de hele dag in het huis en kon alleen maar stilzitten. Uiteindelijk ben ik naar Bosnië gegaan om mij te laten verzorgen. Ik heb het allemaal zelf moeten betalen omdat ik niet meer verzekerd was. Ik heb ook nooit mijn volledige loon gekregen.”

Prachtig Bratislava

Niemand weet precies hoeveel slachtoffers van mensenhandel er in de Belgische economie meedraaien. Volgens een raming van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 2012 zouden er in EU-landen per 1.000 inwoners 1,5 slachtoffers van gedwongen arbeid zijn. Met een bevolking van 11 miljoen inwoners komt dat in België neer op 16.500 slachtoffers. “We weten het gewoonweg niet, omdat de meeste slachtoffers onder de radar blijven”, zegt Stef Janssens, expert in mensenhandel bij Myria. In het jaarrapport ontrafelt hij het fenomeen haarfijn aan de hand van gerechtelijke onderzoeken.

Stef Janssens: “Toen de Europese Unie in 2004 gevoelig werd uitgebreid naar het oosten, werd de Belgische arbeidsmarkt opengesteld voor buitenlandse werkkrachten uit de Oostbloklanden. Maar dat vrij verkeer van diensten zette ook de deur open naar zware misbruiken. Belgen richten een buitenlandse firma op die alleen op papier bestaat, en gebruiken die als doorgeefluik om hier buitenlandse arbeiders aan het werk te zetten voor een veel lager loon dan hun Belgische collega’s.”

Van Herreweghe: “In de transportsector zijn die zogenaamde postbusbedrijven een echte plaag. In Slowakije, bijvoorbeeld, zijn er voor de transportsector netwerken opgezet van firma’s die zich specialiseren in dat soort frauduleuze dienstverlening. Ze bieden je een vennootschap aan met een adres, een telefoonnummer en een website. Ik ben zelf eens op zo’n adres in Bratislava gaan kijken toen ik in de buurt op vakantie was. Ik vond daar een gebouw waar de namen van een veertigtal Belgische transporteurs op de brievenbus plakten. In een straat die verboden was voor vrachtwagens, nota bene.”

“Die firma’s bestaan in Bulgarije alleen maar op papier, maar hier rijden ze met Bulgaarse chauffeurs voor de grote logistieke bedrijven in de Gentse haven. Officieel maken die grote bedrijven hun handen niet vuil aan clandestiene tewerkstelling, maar ze weten verdomd goed wat zich bij de onderaannemers afspeelt. Ze betalen een belachelijk laag tarief aan een onderaannemer om het werk gedaan te krijgen, in de wetenschap dat het voor die prijs onmogelijk is om het volgens het boekje te doen.”

Eddy Van Herreweghe: ‘Als je je auto voor 9 euro laat wassen in een carwash waar Afghanen worden uitgebuit, ben je eigenlijk medeplichtig.’

Janssens: “Zo wordt er grof geld verdiend. In ons vorige jaarrapport hadden we het over een dossier van een West-Vlaamse champignon-kweker die tegen de lamp was gelopen omdat zijn Bulgaarse slachtoffers betrapt waren toen ze eten stalen in de supermarkt. Hij betaalde die mensen zo weinig en onregelmatig, dat ze moesten stelen om te kunnen overleven. Er werkten trouwens ook minderjarigen voor een hongerloon. Tegelijk bleek uit een financieel onderzoek dat de werkgever een vermogen had verzameld van 269.637, 34 euro – waarvan 158.971,55 euro aan loonvoordeel en 132.288,11 euro aan bijdragen voor de sociale zekerheid.”

Van Herreweghe: “Bouw- en transportfirma’s waar we gaan controleren, hangen eerst een triest verhaal op: ‘Het is zo moeilijk in de sector om te overleven, meneer, we kunnen niet anders dan met buitenlandse onderaannemers werken.’ Als die de arbeiders niet goed behandelen, weten zij daar zogezegd niks van. Maar als je dieper gaat graven, zie je vaak dat die Belgische firma’s mee achter de organisatie van die uitbuiting zitten. Onze vaste klanten in de transportsector, die we de voorbije jaren vaak zijn tegengekomen in dossiers, zijn vaak de ondernemingen die vandaag splinternieuwe logistieke centra en de modernste vrachtwagens hebben. Ze groeien op de rug van dat slavenleger.”

Waarom is het nog mogelijk om buitenlandse arbeiders in te zetten, als er zoveel misbruiken zijn?

Van Herreweghe: “Op zich is het voor de Belgische economie niet slecht dat bedrijven een beroep kunnen doen op buitenlandse werkkrachten. Het kán ook op een wettelijke en propere manier verlopen, maar dan is het concurrentievoordeel voor de Belgische bedrijven veel minder groot: buitenlandse arbeiders die hier werken, hebben recht op hetzelfde loon als hun Belgische collega’s, dezelfde arbeidsduur, dezelfde weekendrust. Sociale lasten moeten in het land van herkomst betaald worden en liggen dan wel lager dan in België, maar in ruil daarvoor moet de Belgische werkgever hier voor huisvesting zorgen. Maar wat doen malafide bedrijven? Ze betalen niet alleen veel minder loon, ze laten de buitenlanders ook veel langere dagen werken, zes dagen per week, en geven hun een bed in een krotwoning – waarvoor ze nog eens 200 euro van het loon afhouden. Ze betalen ook geen sociale lasten in het land van herkomst, wat voor ons al veel moeilijker te controleren is. Op die manier besparen die bedrijven tot 5.000 euro per maand – per maand! – als ze een buitenlandse chauffeur inzetten in plaats van een Belgische collega. Zo’n chauffeur verdient dikwijls niet eens 3 euro per uur.”

Janssens: “Mensenhandel is big business. De beste manier om die te bestrijden is om de geldstromen te volgen én droog te leggen. Met dat geld kun je ook de slachtoffers vergoeden.”

‘Ik herinner me een huis met Bulgaren: ze verbrandden afval om het warm te krijgen en 's nachts liepen de ratten over hen heen.’


Muizen bij de vleet

Komen jullie vaak in de huizen waar die arbeiders verblijven?

Kris V.: (knikt) “Soms geloven we onze eigen ogen niet. Ik herinner me nog een bezoek aan een huis waar Bulgaarse bouwvakkers verbleven. Het was er ijskoud, want de verwarming werkte niet. Om het warm te krijgen, verbrandden ze afval in de open haard, wat een vreselijke stank en rook verspreidde. De muren en plafonds zagen bruin van de schimmel. Elektriciteitskabels waren doorgeknabbeld door muizen en ratten, in de badkamer stond het water 3 centimeter hoog omdat er een lek was. De bewoners vertelden dat ze de knaagdieren ’s nachts over zich heen voelden lopen, en hadden het probleem op een heel creatieve manier aangepakt: overal in huis lag karton op de vloer met een flinke laag lijm op, waarin dode muizen kleefden.”

Van Herreweghe: “Een tijdje geleden deden we een controle bij een transportfirma. Achter de loods op het terrein troffen we een autokerkhof aan, met afgedankte vrachtwagens die half afgebroken waren. Om de onderdelen als wisselstukken te gebruiken, zo dachten we eerst, maar toen zagen we elektriciteitskabels naar de vrachtwagencabines lopen. Binnenin vonden we geïmproviseerde bedden, pantoffels, een zak aardappelen. Bleek dat de vrachtwagenchauffeurs in die cabines woonden. Vaak waren er ramen en zetels uit gehaald en bleef er alleen nog een ijzeren karkas over waarin de trucker het gezellig moest zien te maken.”

Kris V.: “In handcarwashes, waar vooral Pakistani en Afghanen werken, wonen de arbeiders soms in de carwash zelf. Ze slapen op de zetels voor de bezoekers en wassen zich aan een smerige wasbak. Dat zijn dikwijls goeddraaiende carwashes waar altijd auto’s staan aan te schuiven.”

Het misbruik gebeurt gewoon onder onze neus?

Van Herreweghe: “Eerlijk gezegd snap ik niet dat mensen hun auto daar laten wassen. Als je die prijzen ziet, 9 euro voor een wasbeurt, dan wéét je toch dat dat niet koosjer is? Eigenlijk is de klant dan medeplichtig.”

Waarom komen de slachtoffers zo zelden in opstand?

Janssens: “Ze zijn bang om hun werk te verliezen, want het loon dat ze krijgen, is dikwijls toch nog beter dan wat ze in hun eigen land kunnen verdienen. Ze weten vaak nauwelijks in welk land ze werken en zijn totaal afhankelijk van hun werkgever. Ze worden door hem betaald, slapen in zijn huis, rijden in zijn busje naar het werk en zijn voor hun eten dikwijls aangewezen op wat hij geeft. Wie protesteert, wordt bedreigd. Vorig jaar hadden we een dossier in een Limburgs tuinbedrijf waar fruitplukkers in een loods bewaakt werden door een agressieve hond. Het gaat er in die milieus heel ruw aan toe. Een werknemer in het Brusselse vertelde dat zijn werkgever hem nooit bij de voornaam noemde. Hij noemde hem consequent fils de pute.”

Van Herreweghe: “Die arbeiders worden hier door hun baas gelogeerd in een huis waar ze huur voor betalen, maar de dag dat ze niet meer voor hem willen werken worden ze – soms met een knokploeg – op straat gezet.”

Kris V.: “Loon inhouden is ook een manier om die mensen aan hen te binden. Ik heb vorige week een buitenlandse trucker verhoord die telkens met drie maanden vertraging werd uitbetaald. Als hij wegging, was hij sowieso drie maanden loon kwijt.”

“Het is voor ons niet altijd eenvoudig om die arbeiders te vinden. De bazen brengen hen heel vroeg in de ochtend naar het werk om politiecontroles te vermijden en laten hen achter gesloten deuren werken.”

Toch zijn er af en toe arbeiders die het zo beu zijn dat ze in groep naar de politie of de sociale inspectie stappen.

Janssens: “Meestal is er dan al heel veel gebeurd. Zo is er negen jaar geleden een onderzoek begonnen tegen een pallettenbedrijf in de regio van Antwerpen, dat Polen en Bulgaren liet werken via een buitenlandse postbusfirma. Twee van die arbeiders zijn volgens hun collega’s overleden. Eén van de twee hebben ze nooit teruggevonden.”

“Het onderzoek begon toen vier Bulgaren een klacht kwamen indienen bij de lokale politie. Ze deden hun verhaal in gebrekkig Duits en hadden een handgeschreven briefje bij waarin ze om hulp vroegen. Ze waren in Bulgarije gerekruteerd via een internetadvertentie om hier beschadigde palletten te komen herstellen. Bij de aanwerving ginds kregen ze een promotiefilm te zien van een prachtige werkplaats. Er werd een uurloon van 7 euro voorgespiegeld, en als ze genoeg palletten herstelden kon dat zelfs 8 euro zijn. Maar toen ze in het bedrijf aankwamen, zeiden hun collega’s die er al langer werkten dat ze het quotum nooit zouden halen. Op de promofilm in Bulgarije ging het herstellen heel snel omdat ze nieuw elektrisch gereedschap gebruikten, maar hier moesten ze alles met een hamer doen, wat heel traag ging.”

“Ze kregen 3 euro per uur betaald, en in plaats van acht uur moesten ze tien tot twaalf uur per dag werken, en dat zes dagen per week. In de winter was het extreem koud in de werkplaatsen, want er was geen verwarming. De arbeiders kregen ook geen veiligheidskledij. Als je niet kon werken, werd je onmiddellijk op straat gezet. Om aan het werk te kunnen blijven heeft één van de arbeiders een heftruck bestuurd met een gebroken been. Van de ploegbaas moest hij zijn gips afdoen, anders moest hij opstappen.”

“De lonen werden achtergehouden en maar gedeeltelijk uitbetaald. Een arbeider vertelde dat ze soms maïs van het veld aten omdat ze geen loon kregen.”

“Eén van de Poolse arbeiders leed aan een ernstige vorm van suikerziekte en is gestorven omdat hij door geldgebrek niet kon terugkeren naar Polen, waar hij zich wilde laten verzorgen in het ziekenhuis.”

Behandeld als beesten

De afgelopen vijftien jaar is de internationaal georganiseerde sociale fraude drastisch toegenomen. Hebben jullie bij de sociale inspectie voldoende slagkracht om die te bestrijden?

Van Herreweghe: “We hebben nood aan meer gespecialiseerde mensen, want het is een heel ingewikkelde materie. De fraudeurs organiseren het ook steeds beter, en de constructies die ze opzetten worden alsmaar ingewikkelder. Eind 2016 hebben we meegewerkt aan een onderzoek naar een matroos op een containerschip die aan de sluis van Asper overboord was gevallen en in de Schelde is verdronken. De binnenscheepvaart heeft vaak een lieflijk imago, maar als je verder kijkt, vind je een kunstmatig kluwen van vennootschappen waarin een kat haar jongen niet meer terugvindt. Het schip waar de matroos op voer, was Belgisch en werd uitgebaat door een Antwerpse vennootschap, maar was ingeschreven in Zwitserland. De kapitein was een Nederlandse zelfstandige, en de matroos was een Roemeen die via een Cypriotische vennootschap op de Belgische binnenwateren kwam werken. Die man valt tussen wal en schip, hij wordt dood uit het water gehaald en plots kent niemand hem nog. In het logboek van het schip is nauwelijks iets over hem te vinden en de Nederlandse kapitein weet van niets, die bestuurt naar eigen zeggen alleen het schip. En dus moeten wij eerst het hele kluwen ontrafelen. Wie was die matroos? Voor wie werkte hij? Bij de Cypriotische firma kenden ze hem plots nauwelijks. Het lichaam heeft maanden in het dodenhuisje gelegen voor hij kon worden gerepatrieerd naar zijn familie in Roemenië, omdat niemand zijn verantwoordelijkheid nam.”

Welke sectoren zijn de ergste?

Van Herreweghe: “De bouw, het transport en de vleesindustrie. Die laatste is kampioen in het opzetten van ingewikkelde constructies en kunstgrepen in de boekhouding. Er zijn vleesverwerkende bedrijven in Oost-Vlaanderen die nauwelijks nog eigen personeel in dienst hebben, maar consequent werken met Turkse of Bulgaarse koppelbazen die buitenlandse werkkrachten aanleveren. Het personeel wordt dikwijls heel slecht behandeld. Er is soms veel verontwaardiging over dierenmishandeling in slachterijen, maar vaak zijn de werknemers illegale buitenlandse arbeiders die zélf als beesten worden behandeld. Ze komen uit een veel ruwere cultuur dan de onze en moeten hard werken om te overleven. Ze hebben geen tijd om stil te staan bij het lot van die dieren.”

‘Sanitair dat zo smerig is dat je met je voeten aan de grond blijft kleven: het deed denken aan het toilet uit de film ‘Trainspotting’.’

In De twaalf heeft Joeri de bouwfirma van zijn vader overgenomen. Zijn broer is de brute ploegbaas die de zaakjes altijd schimmig regelt. Komt dat soort misbruiken meer voor in familiebedrijven dan in andere?

Van Herreweghe: “We hebben misschien wel vaker dossiers over familiebedrijven, maar die lopen ook sneller tegen de lamp dan een multinational, die nog veel moeilijker te controleren is.”

“In de Vlaamse Ardennen hebben we zo een onderzoek gedaan naar een afvalverwerkingsbedrijf waar vader en zoon eigenaar waren. Een respectabele firma in de streek, die de koers en allerlei andere evenementen sponsort. Maar toen we daar een controle uitvoerden, zijn we erg geschrokken. Er waren Poolse illegale arbeiders aan de slag in heel ongezonde en onveilige omstandigheden. Ze moesten afval en steengruis verzamelen, sorteren en verpulveren met zware machines waarvan alle beveiligingsmechanismes uitgeschakeld waren om het vooruit te laten gaan. Er dwarrelde zoveel stof tussen de bergen afval dat je nauwelijks naar lucht kon happen, maar toch moesten de arbeiders zonder masker en beveiligingskledij werken. Ik had het gevoel alsof ik naar de 19de eeuw was teruggeflitst. Het sanitair was smerig, je bleef met je voetzolen aan de vloer plakken, de toiletten deden aan de film Trainspotting denken.”

“Er waren permanent acht Polen aan het werk, die telkens een shift van twaalf uur draaiden, één overdag en één ’s nachts. De Polen die overdag werkten, werden ’s avonds naar huis gebracht, waar ze werden afgelost door acht collega’s die met hen van bed wisselden. Zo hielden ze dat afvalverwerkingsbedrijf met z’n zestienen de klok rond draaiende. Ze werkten zes dagen per week, voor 4 euro per uur. Omdat ze zoveel uren klopten, kwamen ze naar Poolse normen nog aan een degelijk loon, en dus hielden ze zich koest.”

“Achteraf hebben we de bazen, die vader en zijn zoon, verhoord. Dat deed me denken aan de film ‘Daens’. De vader was een deftige heer die zonder verpinken liet noteren dat hij het goed vond dat die Polen zo hard moesten werken, ‘want als je ze minder laat werken, drinken ze zich toch maar zat’. Toen ze een pv kregen wegens uitbuiting is de zoon in huilen uitgebarsten. Het kon toch niet dat hij als een mensenhandelaar werd afgeschilderd! (lachje) Ons hart brak.”

Kunnen we die wantoestanden ooit wel efficiënt bestrijden?

Janssens: “Dat kan alleen als de politie- en inspectiediensten over voldoende middelen beschikken. Daar ontbreekt het de jongste jaren echt aan. Onlangs zei federaal magistrate Ann Lukowiak in een interview dat er de voorbije jaren veel politiecapaciteit naar de strijd tegen terreur is gegaan. Niet onbegrijpelijk, maar de strijd tegen mensenhandel is daar het grootste slachtoffer van geworden. De politiemensen die doorgeschoven zijn, werden niet vervangen. Economische uitbuiting is een onzichtbaar fenomeen dat meestal onder de radar blijft en daarom makkelijker te negeren is. Maar het bestaat wel degelijk, en dichter bij elk van ons dan we zouden denken.”


© HUMO

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234