Donderdag 20/02/2020

Nieuwe boeken over de Groote Oorlog

Oneerbiedig gezegd verschijnen er jaarlijks voldoende nieuwe boeken over de Eerste Wereldoorlog om een gemiddelde loopgraaf mee te vullen. Bijna negentig jaar na wapenstilstand wordt de Grote Oorlog niet alleen militair-historisch en diplomatiek, maar vooral ook cultureel meer dan ooit tevoren onderzocht, geanalyseerd en becommentarieerd.

Erg welkom zijn die studies, want het onder meer door de Britse War Poets, de romans van Pat Barker en Sebastian Faulks en tv-series als Blackadder Goes Forth verspreide beeld blijft nuancering verdienen: de oorlog was inderdaad een gruwelijke slachtpartij zonder voorgaande, maar absurd lijkt hij vooral voor ons, niet voor wie erbij was.

Opvallend is dat bij de studie van dit conflict - dat op gruwelijke wijze demonstreerde waartoe nationalisme kan leiden - het nationale perspectief nog vaak centraal staat. Het schrijnendst gebeurt dat in de onlangs verschenen Cambridge Companion to the Literature of the First World War. Twaalf essays biedt het boek in deze prestigieuze serie en daarvan gaan er maar liefst zeven exclusief over de Britse literatuur. Amerika, Frankrijk en Duitsland krijgen elk één tekst. Schrijvers en gebeurtenissen uit Rusland, Italië, Turkije, heel Oost-Europa en alle meevechtende kolonies (ook de Britse) worden in dit boek veelal gereduceerd tot bijzinnen. Samensteller Vincent Sherry verklaart dit eenzijdige perspectief met een uitspraak waarmee hij zichzelf nomineert voor de Cirkelredenering van het Jaar Trofee: de Engelstalige oorlogsliteratuur blijft het meest gelezen en dus besteedt ook dit boek er de meeste aandacht aan. Dat de Italiaanse oorlogsdichter Giuseppe Ungaretti daardoor volstrekt ontbreekt, dat de Oostenrijker Georg Trakl en de Duitse August Stramm nergens worden vermeld, dat het uiteraard ook zoeken blijft naar Bezette stad van Paul van Ostaijen - in de ogen van Sherry zijn het vast zure oprispingen van een eurocraat.

Conform onze plaats in de geschiedenis is België in dit Cambridge-boek enkel van belang om het terrein te verschaffen waarop de grote jongens slag leveren. Wat overigens niet betekent dat er internationaal in de recente oorlogsstudie geen aandacht zou zijn voor België. Vorig jaar verscheen de potentieel controversiële maar relatief onopgemerkt gebleven studie De verkrachting van België van de Amerikaan Larry Zuckerman. Het standaardwerk over de oorlogsmisdaden van de Duitsers in België - German Atrocities, 1914 (2001) van John Horne en Alan Kramer - wacht nog altijd op vertaling. Deze beide Ierse onderzoekers leverden intussen ook een bijdrage aan het bepaald indrukwekkende Une guerre totale?. In deze drietalige (F/E/N) congresbundel komen nagenoeg alle mogelijke aspecten van de Belgische oorlogservaring aan bod: de anti-Duitse rellen aan het begin van de oorlog, de rol van het Rode Kruis, de positie van vrouwen (binnen de veiligheidsdienst en het verzet), demografische evoluties, het lot van de oorlogsvluchtelingen, de Belgische krijgsgevangenen en opgeëisten in Duitsland, de militaire, wetenschappelijke en artistieke bezigheden van de bezetter, het gebruik van 'België' in de buitenlandse propaganda en beeldvorming, de voor die tijd ongekende multiculturele (Afrikaanse, Indische, Chinese...) instroom in de Westhoek, de bestraffing van activistische en andere collaboratie, de plaats van de oorlog in het collectieve geheugen (onder meer ook in de Oostkantons), de culturele erfenis... Dit alles behandeld door een schare internationale wetenschappers en thematisch ingeleid door specialisten als de genoemde Horne en Kramer, Sophie de Schaepdrijver, Chantal Kesteloot, José Gotovitch en Lode Wils.

Voor wie op zoek is naar een ooggetuigenverslag van de bezetting blijven de Oorlogsdagboeken van Virginie Loveling onmisbare lectuur. Enkele jaren geleden verscheen daarvan een wetenschappelijke uitgave in beperkte oplage. Een ingekorte maar nog altijd behoorlijk volumineuze handelseditie ligt sinds kort in de boekhandel. De annotaties en uitleiding zijn - zeker voor Nederlandse lezers - erg karig, maar de tekst zelf geeft als geen andere in ons taalgebied een inkijk in hoe de Eerste Wereldoorlog alle aspecten van het dagelijkse leven ontwrichtte. Zo beschrijft de Gentse Loveling (1836-1923) hoe er voor het eerst sinds 1861 mensen terecht worden gesteld in haar streek en hoe dat haar steeds minder ontregelt, wat ze als een ontnuchterend bewijs van menselijke degeneratie beschouwt. Niet het minst spectaculaire aspect van dit geschrift is hoe de grand old lady van de Vlaamse letteren - ze was achtenzeventig toen de oorlog uitbrak - zich in deze omstandigheden ontpopt als onvermoeibare en nieuwsgierige verslaggever. Op gevaar van eigen leven (haar dagboekactiviteiten waren volstrekt illegaal) bezoekt ze de ruïnes van Lier en Leuven en doet ze als een ware onderzoeksjournalist verslag van haar zoektocht naar overblijfselen van neergehaalde zeppelins en vliegtuigen. Een blijvende indruk laten vooral die passages waaruit blijkt dat ook tijdens de Eerste Wereldoorlog de Duitsers een schrikbewind voerden in ons land. Een onthutsende combinatie van ordeningsdrift, paranoia en willekeur zorgde voor een constante sfeer van dreiging, ook voor wie zich niet aan de IJzer bevond. Een andere belangrijke nuance betreft het vandaag overheersende beeld van het aan hysterie grenzende enthousiasme waarmee de Duitsers in 1914 ten strijde zouden zijn getrokken. In grote lijnen wordt dat verhaal ook door recent onderzoek bevestigd, maar Loveling vermeldt niettemin de bepaald onheroïsche paniek van meer dan één Duits soldaat wanneer hij vanuit Gent de frontlinie in wordt gestuurd, ook al in 1914.

Frontervaringen had Loveling zelf natuurlijk niet. Opvallend veel grote namen uit de Europese literatuurgeschiedenis hadden die wel. Recentelijk verschenen boeken over het leven en de literaire carrière van Franse en Duitse soldaten. In het door de inleider uitdrukkelijk als een daad van piëteit omschreven Ecrivains combattants de la Grande Guerre vinden we oppervlakkige, soms wat plichtmatige portretten van zo verschillende Franstalige auteurs als Alain-Fournier en de socialistische patriot Charles Péguy (beiden sneuvelden in 1914), de modernisten Guillaume Apollinaire en Blaise Cendrars (de eerste overleed in 1918 aan de Spaanse griep, de andere verloor een arm) en de controversiële prozaïst Louis-Ferdinand Céline. Controverse zoekt dit door het Franse ministerie van Landsverdediging uitgegeven boek niet: het wil vooral hulde brengen aan nationale helden. De nadruk ligt niet op de beweerde zinloosheid van de Grote Oorlog, maar op de concrete levens en offers. Conform de interesses van de uitgever gaat er meer aandacht naar wapenrustingen en concrete troepenbewegingen dan naar de literaire verwerking ervan. De geschriften van de auteurs dienen voornamelijk om hun belevenissen en opinies te illustreren. Dat is soms jammer want onder meer deze naoorlogse uitspraak van de katholieke patriot Georges Bernanos ("De Overwinning houdt niet van ons. Een mooie vrouw die je naam draagt, maar die weigert met je te slapen") verdient een heel exposé over hoe de wapenstilstand werd bereikt en hoe het Verdrag van Versailles ook geallieerde oud-strijders ontgoochelde.

Een soortgelijk maar geslaagder boek is de verzameling opvallend goed gedocumenteerde opstellen over Duitse schrijvers-soldaten die Evelyn de Roodt zopas bundelde in Onsterfelijke fronten. Niet alleen grote namen (Georg Trakl, Ernst Jünger, Erich Maria Remarque, auteur van het meermaals verfilmde Van het westelijk front geen nieuws), maar ook vergeten, zij het in eigen tijd soms razend populaire heimatschrijvers als Hermann Löns en Walter Flex worden biografisch, psychologisch en literair geduid. De Roodt schenkt, terecht, veel aandacht aan de manier waarop deze teksten en auteurs later in de Duitse geschiedenis zijn verdwenen, verguisd of opgehemeld. Hoewel het boek geen afsluitend hoofdstuk heeft waarin de concrete verhalen worden vergeleken of op een hoger plan gebracht, maken alleen al die passages over hun nawerking duidelijk hoezeer de literaire getuigen het collectieve geheugen over de Grote Oorlog hebben bepaald en waartoe zowel heiligverklaringen als vrijwillige amnesie op dat vlak kunnen leiden.

Een auteur die ontbreekt maar waaraan De Roodt vast ook een boeiend hoofdstuk had kunnen wijden is Edlef Köppen (1893-1939). In ons taalgebied is hij nauwelijks bekend (Tom Lanoye bewerkte vorig jaar enkele van zijn oorlogsgedichten in Overkant) en ook in Duitsland zelf staat hij nog altijd in de schaduw van Remarque of Jünger. Het opnieuw uitgegeven en onlangs vertaalde Heeresbericht zou daar verandering in kunnen brengen. Inhoudelijk past Frontberichten in het vrij klassieke stramien van de oorlogsroman (initieel enthousiaste student verliest onschuld, ervaart de grootste gruwel en keert zich af van de oorlog), maar de vorm maakt dit boek erg bijzonder. Door deels autobiografisch geïnspireerde ervaringen af te wisselen met officiële berichten, citaten van de Keizer en krantenstukken wordt de propagandamachine waarmee de slachtpartij wordt verkocht en vergoelijkt in al haar leugenachtigheid gedemonstreerd. Geen wonder dat deze docuroman uit 1930 tijdens het naziregime werd verboden.

Vooral in Britse historiografische kringen wordt de laatste jaren benadrukt dat literaire getuigenissen - zoals van Wilfred Owen en Siegfried Sassoon - onbetrouwbaar want bepaald niet representatief zijn voor de manier waarop het gros der soldaten de Eerste Wereldoorlog heeft ervaren. Als die kritiek al terecht is, dan zegt hij vooral iets over de eenzijdigheid waarmee is omgesprongen met literaire bronnen. Door ook aandacht te hebben voor vandaag vergeten auteurs, voor traditionalisten en avant-gardisten en, vooral, voor niet in het Engels schrijvende auteurs krijgen we een veel genuanceerder beeld van de oorlog en (in de woorden van Loveling) "het menschdom in zijn beklagenswaardige ellende".

Geert Buelens

Voor wie op zoek is naar een ooggetuigenverslag van de bezetting blijven de Oorlogsdagboeken van Virginie Loveling onmisbare lectuur

Vincent Sherry (red.)

The Cambridge Companion to the Literature of the First World War

Cambridge University Press, 322 p., 32,45 euro.Serge Jaumain, e.a. (red.)

Une guerre totale? La Belgique dans la Première Guerre mondiale. Nouvelles tendances de la recherche historique

Algemeen Rijksarchief, Brussel, 663 p., 25 euro.

Virginie Loveling

Oorlogsdagboeken 1914-1918, (bezorgd door Sylvia Van Peteghem & Ludo Stynen)

Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 431 p., 24,95 euro.

Bernard Giovanangeli (red.)

Ecrivains combattants de la Grande Guerre

Bernard Giovanangeli/Ministère de la Défense, Parijs, 254 p., 20 euro.

Evelyn de Roodt

Onsterfelijke fronten. Duitse schrijvers in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog

Aspekt, Soesterberg, 425 p., 24,95 euro.

Edlef Köppen

Frontberichten

Vertaald door Evelien van Leeuwen & Gerda Meijerink, Ambo, Amsterdam, 384 p., 22,95 euro.

l Vrijdag 11 november: Themadag 175 jaar België.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234