Donderdag 26/11/2020

NIEUW FRANS PROZA IN GALOP

Eliette Abécassis beschrijft in Mijn vader een ziekelijk geval van vaderliefde, in Hoe ik dom geworden ben onthult Martin Page hoe moeilijk je het juk van intellectueel kunt afwerpen en Patrick Modiano voegt met Accident nocturne nieuwe grijstinten toe aan het schemerduister van zijn Parijse universum.

Eliette Abécassis

Mijn vader

Oorspronkelijke titel: Mon père

Vertaald door Joris Vermeulen

Anthos/Manteau, Antwerpen,

110 p., 16,90 euro.

Martin Page

Hoe ik dom geworden ben

Oorspronkelijke titel: Comment je suis

devenu stupide

Vertaald door Edu Borger

Wereldbibliotheek, Amsterdam,

122 p., 16,30 euro.

Patrick Modiano

Accident nocturne

Gallimard, Parijs, 146 p., 15 euro.

De boeken van de joods-Franse schrijfster Eliette Abécassis (°1969) hebben de neiging het lezerspubliek in twee onverzoenlijke partijen te verdelen. De grootste groep (die met elk nieuw boek aan aanhang wint) stapt zonder reserve mee in de geritualiseerde en vaak religieus besloten wereld die de uit Rouen afkomstige filosofe voortovert. Als contrapunt heb je de Abécassis-bestrijders, die haar boeken het liefst eigenhandig door de papierversnipperaar zouden jagen en zich blauw ergeren aan haar plechtstatige toon, die voor serieuze literatuur moet doorgaan. Dankzij haar drie metafysische thrillers Het Qumram-mysterie (waarin de Dode Zee-rollen centraal stonden), De schat van de tempel en Het goud en de as (over de moord op de theoloog en politicus Carl Rudolf Schiller) belandde Abécassis op de piëdestal van de historische roman, waar Umberto Eco's De slinger van Foucault en Charles Pallisers De Quincunx haar zitje warm hielden. Welbeschouwd was dat een erg gevleide promotie voor de jonge Abécassis. De onversneden mystieke saus die ze over haar vertellingen uitlepelde en de breedvoerige, soms ook elliptische stijl moest je er immers duldzaam bijnemen. Na deze turven nam Abécassis wat gas terug en verraste ze vriend en vijand met de meer intimistische en schrijnende novelle De verstotene (2000), waarin de weinig benijdenswaardige positie van een vrouw in een ultra joods-orthodox milieu werd aangekaart. Het prangende verhaal diende als basis voor de film Kadosh van de Israëlische regisseur Amos Gitai en leek een interessante wending in Abécassis' oeuvre aan te kondigen.

Driewerf helaas. Haar vijfde, zopas in het Nederlands vertaalde roman Mijn vader heeft veel weg van een exercitie in kleffe sentimentaliteit en gaat ten onder aan een loden ernst. Mijn vader is helemaal niet 'ontroerend' en 'indringend', zoals de flaptekst ons wil doen geloven. De in de ik-persoon geschreven belijdenis van de eenzame dochter Héléna, die op een dweepzieke manier haar vader idealiseert, is ronduit lijzig. Bovendien is de omlijsting van het verhaal zo dun als een riet. Wanneer haar vader Georges B. komt te overlijden, wentelt de joods-orthodoxe Héléna zich in zelfbeklag en verhevigt haar bewondering voor "zijn eindeloze vaderliefde, zijn eindeloze verantwoordelijkheidsgevoel", want "hij wist alles, en wat hij niet wist raadde hij."

Héléna kan aan niets anders meer dan aan haar vader denken, al ziet ze in dat haar relaties met mannen telkens mislukken door haar obsessieve gehechtheid aan "deze veerman, levensbezieler, dromenbezorger, bewandelaar van de geschiedenis". Van de pakweg 110 pagina's van deze novelle, zijn er meer dan de helft gewijd aan repetitieve, elegische bewoordingen, waarin Héléna ons de intensiteit van haar gevoelens inpepert: "Ik had het gevoel ziek te zijn, maar ik wist niet waarvan. Ik wist niet dat ik ziek was van het hebben van een vader. (...) Op elke hoek van een straat stond mijn vader. In steden, in de bergen. Tegen elke horizon, oneindig ver weg. Ik schreef, het was mijn vader. Ik las, het was mijn vader." Kort na de dood van haar vader krijgt Héléna een brief van ene Paul M., een onbekende uit Italië, die haar dringend wil spreken. De man "met zijn lichte ogen en van zilveren draden doortrokken haar" is het exacte evenbeeld van haar vader. Paul M. is, zo blijkt, haar broer. Welk geheim heeft de onkreukbare vader Héléna onthouden? Samen gaan ze nu noodgedwongen spitten in de familiegeschiedenis en zo ontstaat er tussen hen een bizarre rivaliteit. Uiteindelijk blijkt uit een ontdekte brief dat Héléna zichzelf een rad voor de ogen heeft gedraaid en dat zij helemaal niet de oogappel van haar vader was, maar integendeel "zijn dagelijks verdriet, (...) het bewijs van zijn mislukte leven, (...) zijn grootste tegenslag." Héléna was het "kind door wiens toedoen hij (haar vader, DL) geen geluk had mogen kennen" en Paul M. de zoon die wél ten volle gewenst was.

Abécassis' tragisch bedoelde verhaal neemt spoedig opgeschroefde dimensies aan. Van meet af aan schort er iets aan de verteltoon van Mijn vader. De woordkeus is schamel, de stijl clichématig ("Mijn hart begon oorverdovend te bonken, mijn benen dreigden te bezwijken", het staat er meermaals) en de opgezwollenheid slaat je als een Marly-walm tegemoet. Mijn vader bevat ook geen enkele zin die je even uit je aanrollende lethargie weet te schudden. Héléna's lange, statische lofzangen op haar verwekker doen het boek rond zijn as tollen. Dat Héléna uiteindelijk zo blind kon zijn voor het dubbelzinnige gedrag van deze godfather, mag in hoge mate ongeloofwaardig heten. Eigen schuld, dikke bult, zo klapte ik het boek meesmuilend dicht. Van mijn overmoedige voornemen om vervolgens Abécassis' nieuwste Franse bestseller Clandestine ter hand te nemen, heb ik wijselijk afgezien.

De zachtmoedige weirdo Antoine heeft last van zijn overtollige verstand. Hij is het kotsbeu om voortdurend als bijdehante intellectueel opgevoerd te worden. Op vijfentwintigjarige leeftijd stelt hij vast dat intelligentie "het woord is dat goed doortimmerde en fraai verwoorde stommiteiten aanduidt" en dat je "er dikwijls meer voordeel bij hebt wanneer je dom bent". Vandaar dat Antoine, "in de hoop op een wat aangenamer leven (...) besluit zich in het doodskleed van de stompzinnigheid te hullen." Zijn voornemen giet hij in een hapklaar manifest dat zijn queeste naar breinleegte moet onderbouwen. Het is makkelijker gezegd dan gedaan. Aanvankelijk slaat Antoine een paar keer de bal mis en zoekt hij de stupiditeit in de alcohol. Hij gaat te rade bij beroepsdrinkers en doorploegt vakliteratuur om een theoretische fond te leggen. Tooghanger Léonard verzekert hem: "Niet iedereen kan alcoholist worden, er vindt een selectie plaats (...) het is een langdurig leerproces, bijna een vorm van ascese." Na een half glas bier valt Antoine in een coma, volstrekt ongeschikt voor het metier van heilige drinker.

De debuutroman van de Franse Martin Page (°1975), ondertussen vertaald in 21 talen, zet hilarisch in en balanceert voortdurend op het slappe koord tussen hoogstaand vermaak en flauwe gein. Antoine is een onorthodox woelwater, dat vaak met zichzelf geen blijf weet. Domheid nastreven blijkt ingewikkelder dan gedacht. Wanhopig valt deze moderne scaramouche in de klauwen van een eigenaardig stel zelfmoordmethodologen, ondergaat hij een hersenlobotomie en krijgt hij van een arts Prettozac voorgeschreven, een pretpil die de gebruiker tot een gedachteloze zombie herleidt. Eindelijk kan Antoine de domheid in al zijn vezels voelen. Zich overleveren aan de gruwelen van een McDonald's is nu een koud kunstje. Antoine verliest alle interesse voor de schone kunsten en gaat - nec plus ultra van zijn integratie in de gestandaardiseerde maatschappij - als effectenhandelaar aan de slag. Tot hij aan zijn voordeur een pakje met daarin een boek van zijn vroegere lievelingsauteur Gustave Flaubert ("een papieren bom") vindt: "Dat boek, dat plotseling weer opdook, was alsof hij in een giftige appel had gehapt die zijn gestel en zijn gedachten, waarvan hij dacht dat ze in een veilige zone waren terechtgekomen, verstoorde."

Eens intellectueel, altijd intellectueel? Ontkomen aan het juk van de weetgierigheid is vergeefse moeite. Hoe ik dom geworden ben is een olijk boekje. De satire over de absurde waterscheidingen tussen slim, sloom en stupide treft regelmatig raak, maar is niet over de gehele lijn geslaagd. Page gedraagt zich te veelvuldig als een femelkous en geeft vrij spel aan een paar zouteloze uitweidingen. Ook duiken er een paar louter decoratieve randfiguren op en rammelt de structuur van het boek als een deux chevaux op leeftijd. Toch garandeert Page een uur of drie badinerende lectuur, onder meer vanwege behartenswaardige uitspraken als deze: "Citaten zijn een te makkelijke uitweg, want er zijn zoveel grote schrijvers die zoveel dingen gezegd hebben, dat het niet eens meer nodig zou zijn een eigen mening te formuleren."

'J'avais toujours été très sensible aux mystères de Paris", staat er bijna achteloos in Accident nocturne, de nieuwe roman van de Franse auteur Patrick Modiano (°1945). Alsof we daar nog aan twijfelden. Al decennialang is Modiano een vertrouwde spoorzoeker in het vage schemerduister van Parijs. Sinds zijn debuut La place de l'étoile (1968) stuurt hij zijn romanpersonages op de tast door alle uithoeken van de Franse hoofdstad. Telkens weer graaien ze naar een wankel houvast en zijn ze het slachtoffer van onbestemde angsten, die elk handelen belemmeren. De stoeterij melancholische twijfelaars die door Modiano's vijfentwintig atmosferische romans trekt, is gedoemd tot een fataal schimmenspel dat hun eigen identiteit op de helling zet (zoals in het met de Goncourt-prijs bekroonde Rue des boutiques obscures uit 1978). Vaak dobberen ze maar wat rond op de golven van vervlogen souvenirs, gehavend als ze zijn door getroebleerde jeugdjaren.

Onlangs is door Pierre Assouline terecht gewezen op een zekere verwantschap van Modiano's Parijs met het mistige Parijs van Georges Simenon en hun "gezamenlijke obsessie voor de topografie, namenlijsten, telefoonboeken...". Zeker is dat Modiano ook suspensetechnieken in zijn romans binnensmokkelt. Hem is het evenwel niet om de onthulling van de 'feiten' te doen. "De dingen niet rechtstreeks vertellen, maar ze ietwat enigmatisch houden. Sporen terugvinden, maar de ware toedracht ongewis laten. Suggestief te werk gaan...", zo vatte de lichtschuwe Modiano aarzelend zijn werkwijze samen in een zeldzaam interview met Lire. Accident nocturne beantwoordt volkomen aan deze spelregels. De openingszin - voor Modiano essentieel om de juiste toon te vatten - ontsluit een wereld van plotselinge dreiging, concreet maar toch ook vaag: "Tard dans la nuit, à une date lointaine où j'étais sur le point d'atteindre l'age de la majorité, je traversais la place des Pyramides vers la Concorde quand une voiture a surgi de l'ombre." Een wat haveloze jongeman, gekleed in een Canadese overjas, wordt geschept door een watergroene Fiat, bestuurd door een vrouw in een pelsmantel. Samen worden ze licht gekwetst afgevoerd naar een ziekenhuis, waar de jongen in een halfslaap verzeilt. Nachtmerries van een vergelijkbaar ongeval uit zijn vroege jeugd zeilen voorbij. De jongen wil de ware toedracht van het incident kennen, maar bij het ontwaken blijkt zijn aanrijdster verdwenen. Langzaam raakt hij ervan overtuigd dat hij deze Jacqueline Beausergent koste wat kost moet terugvinden. Vanwaar dat niet te wissen gevoel dat zijn leven door deze nachtelijke aanrijding op een keerpunt is gekomen? De stuurloze eenzaat zonder nabestaanden of beschuttende familie ("Pas d'études. Pas de parents. Pas de milieu social") zoekt soelaas in de straten van Parijs: "La nuit, dans les rues, j'avais l'impression de vivre une seconde vie plus captivante que l'autre, ou, tout simplement de la rêver." Het is geen zoektocht naar de verloren tijd, maar naar een "verloren harmonie".

Nog geraffineerder dan in voorgangers Des inconnues (1999) en La Petite Bijou (2001) zet Modiano de geheimen van de lichtstad naar zijn hand. Opnieuw domineert de schemering in dit teer en uiterst poëtisch geschreven boek, dat ook de balans opmaakt van Modiano's eigen lost generation-gevoel. Die verontrustende ontheemding slaat moeiteloos over op de lezer.

Dirk Leyman

'Mijn vader' bevat geen enkele zin die je even uit je aanrollende lethargie weet te schuddenDe debuutroman van Martin Page balanceert op het slappe koord tussen hoogstaand vermaak en flauwe gein'Accident nocturne' is een teer en uiterst poëtisch geschreven boek, dat ook de balans opmaakt van Modiano's eigen lost generation-gevoel

Sinds zijn debuut stuurt Patrick Modiano zijn romanpersonages op de tast door alle uithoeken van Parijs.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234