Zaterdag 28/01/2023

'Niets ligt voor de hand'

Betty Mellaerts praat met Damien Wigny

Foto Stephan Vanfleteren

'Een jaar of vijf jaar geleden heeft mijn vrouw me laten inzien dat je maar beter zo snel mogelijk aan een tweede leven begint. Hoeveel mensen zeggen niet: 'Als ik gepensioneerd ben, dan ga ik reizen of dan begin ik te lezen'. Volgens mij is het dan erg laat om nog ergens mee te beginnen. Op die leeftijd neem je de bochten in je leven niet meer met dezelfde souplesse als voorheen.

"Ik ben nu zestig. Ik was acht en een half jaar voorzitter van de KB Lux in de moeilijkst denkbare omstandigheden. De affaire is begonnen vijf weken nadat ik voorzitter was geworden. Dat is zwaar en lang. Ik denk dat ik trots mag zijn op wat mijn collega's en ik hebben verwezenlijkt, maar op een bepaald moment herhaal je jezelf. Dan is het beter dat anderen, met een frisse kijk op de zaak, het van je overnemen. Mijn opvolger bij de bank is negen maanden voor mijn vertrek aangeduid en die overgangsperiode is uitzonderlijk prettig verlopen. Men heeft me vriendelijke voorstellen gedaan om in de financiële sector nog wat te blijven werken, maar ik wil me aan mijn passies wijden. Toen we dertig jaar geleden Toscane ontdekten, beseften mijn vrouw en ik dat we daar ooit veel tijd zouden doorbrengen. Dat hebben we sindsdien goed voorbereid. We kochten een boerderij en lieten ze restaureren om er vrienden en familie te kunnen ontvangen. Nu gaan we daarin leven van mei tot oktober. Misschien ook even in december, maar de winter is hard in Toscane. Het is er koud en het regent veel, en cultureel valt er niet veel te beleven: zelfs in Firenze zijn er weinig bioscopen. Die donkere maanden komen we weer naar België.

"Ondertussen hebben we in Toscane veel Italiaanse vrienden gemaakt. Die kring willen we uitbreiden, want ook daarvoor geldt: hoe langer je ermee wacht, hoe minder open je geest wordt. Je leven versmalt helaas met het toenemen van de jaren. "Mijn passie voor Italië is begonnen toen we mijn zus en haar man gingen bezoeken die daar verbleven. Er zijn weinig streken zo compleet als Toscane. Op 50 kilometer van bij ons liggen Firenze, Siena, Lucca, Pisa, Arezzo, Pienza, Montepulciano, steden met een fabelachtige cultuur. Daarnaast is er het platteland, een van de mooiste ter wereld. Je eet er lekker, de wijn is heerlijk en de mensen zijn buitengewoon vriendelijk. Die volledigheid vind je nergens anders. Omdat ik zoveel van de streek hield, las ik er veel boeken over, ook oude reisverslagen, maar ik vergat steevast waar ik de zinnen had gelezen die me bijgebleven waren. Daarom begon ik steekkaarten te maken waarop ik citaten schreef met hun bronvermelding, en na een bezoek aan een kunstwerk noteerde ik wat ik er zelf van vond. Als vrienden ook eens naar die plekken trokken, gaf ik mijn kaarten mee. Het waren er in de loop van de jaren honderden geworden. Op een dag zei een goede vriend me: 'Je kunt niet blijven rondlopen met je steekkaarten, je moet ze publiceren'. Hij nam contact op met uitgeefster Diane de Selliers, en dat zij mijn schrijfsels wou publiceren was voor mij bijna een mirakel. Ondertussen zijn er van de twee delen 27.000 exemplaren verkocht. Dat heeft me veel plezier gedaan. Ik wil er nog drie delen aan toevoegen, maar na overnames en reorganisaties ben ik uiteindelijk terechtgekomen bij een uitgever die in zijn fonds de reisgidsen heeft geschrapt! Maar goed, ik vind wel een andere, hoop ik."

'Ik ben geen specialist en daar ben ik blij om, want dat geeft me de grote vrijheid om een eigen mening te kunnen geven. Geen enkele kunstcriticus durft tegenwoordig nog te zeggen waarom hij iets mooi vindt. Kijk maar eens naar de catalogi van grote tentoonstellingen. Je koopt een halve ton papier met heel geleerde teksten waar persoonlijke overtuigingen vakkundig uit geweerd zijn en die de liefhebber niet interesseren. In mijn gidsen schrijf ik dat 'le président de Brosse' in de achttiende eeuw het Campo in Siena een oud en oninteressant paleis vindt en de schilderijen die er hangen nog lelijker dan hij zelf is. Daarnaast plaats ik de mening van Rilke en Montaigne, die zeggen dat het een van de mooiste plekken ter wereld is. Die tegenstrijdigheden laten de lezer beter kijken omdat hij zelf wil uitmaken wat ervan aan is. Zo krijgt de bezoeker, via de blik van mensen die nog het talent hadden om goed te kijken, een persoonlijke relatie met het kunstvoorwerp. Het is mijn manier om te laten zien dat kunst begrijpen niet moeilijk is. Je moet ze gewoon beleven.

"Elke dag die ik in Toscane doorbreng, ga ik wel iets bezoeken en het lukt me nog ieder jaar om iets nieuws te ontdekken. Zo had ik in een tekst van een Engelsman uit de negentiende eeuw gelezen dat er in Asciano fresco's waren van de dertiende-eeuwse schilder Lorenzetti. Vijf jaar na elkaar ging ik vruchteloos op zoek. Ten slotte heb ik ze ontdekt in een bouwvallig huis. In een andere kamer, achter een koelkast in de keuken, heb ik er nog meer gevonden. Het huis werd onteigend door de staat, ze hebben er nu een klein museum van gemaakt en het hele dorp is er trots op. Daar heb ik een beetje toe bijgedragen, maar ik moet zeggen dat de Italianen goed omgaan met hun patrimonium. Ze kunnen ook goed verdragen dat een Luxemburgse bankier over hun erfgoed schrijft. Ze weten immers dat een bekeerling toegewijder is dan een geboren gelovige."

"Cultuur is geen troost en nog minder een vlucht, wat men mij wel eens heeft toegedicht. Cultuur geeft een toegevoegde waarde aan het leven, het is belangrijk voor het evenwicht en de kennis van de mens. Zolang ik in Luxemburg bij de bank werkte, en zelfs op reis, gaf ik mezelf iedere avond voor ik ging slapen de tijd cadeau om een 'wandeling' te maken in Toscane. Daar schreef ik iets over op of ik verbeterde de teksten die ik had opgesteld. Veel mensen zeggen me: 'Nadat je al een dag hard hebt gewerkt, dat is slavenarbeid!'. Maar ik had er plezier in. Ik vind een tenniswedstrijd of achttien holes slaan op het golfterrein dan weer uitputtend. Schrijven is een passie, dat kun je niet werken noemen. Dat had ik gezien bij mijn vader, die voor zijn hobby 's avonds en in het weekend boeken schreef over rechtsgeleerdheid. Velen dachten dat hij een universiteitsprofessor was, maar dat is hij slechts heel even geweest, op het einde van zijn leven.

"Ik was nooit erg goed in cijfers, ik ben toevallig bankier geworden. Voor mij is geld altijd een middel geweest, nooit een doel op zich. Die mening delen veel mensen, heb ik gemerkt. Mijn ervaring is dat hoe je met geld omgaat vaak te maken heeft met hoe je bent opgevoed. Sommigen hebben nooit geleerd wat geld betekent en vergooien hun leven, maar geld hoeft niet noodzakelijk een vernietigend effect te hebben. Het laat je toe gul te zijn, je vrienden te ontvangen of te helpen, mecenas te zijn. Geen geld hebben heeft ook een invloed op de mensen. Een monnik kan weliswaar perfect gelukkig zijn door afstand te doen van zijn bezit, maar dat is zijn vrije keuze. Ongewenst arm zijn kan je leven zwaar belasten.

"Mijn ouders beschikten niet over grote middelen, maar toch was het thuis alle dagen feest. Al aten we eenvoudige dingen, we dronken iedere dag een goede wijn. Mijn moeder vertelde er dan bij waarom we een lekker glas gingen drinken. Omdat er goed nieuws was over mijn vader of omdat wij een goed rapport hadden of omdat ze blij was met een kleine attentie, alles kon een aanleiding zijn. Ze sacraliseerde de wijn als het ware. Dat gevoel vind ik terug in Toscane. Uiteraard hebben de mensen ook daar hun problemen, maar het lijkt me dat ze er meer dan elders de schoonheid en het geluk cultiveren. Zelfs in het kleinste dorp weten ze nog wat echte levenskwaliteit is. Kunnen genieten is een 'causa mentale', zou Da Vinci zeggen, daar heb je geen fortuinen voor nodig. Het is een gave die we hier helaas kwijt zijn geraakt maar die ik zeker wil doorgeven aan mijn kinderen."

'Waar je wieg staat, is een van de grote onrechtvaardigheden van het leven. Ik heb geluk gehad. Mijn vader was minister, mijn moeder de eerste vrouwelijke doctor in de wijsbegeerte en letteren van de universiteit van Luik. Maar volgens mij hield mijn moeder nog meer van politiek dan mijn vader. Hij hield van het intellectuele debat, de langetermijnvisie. Zij was ook gek op de vlammende politieke ruzies en discussies. Ze ontvingen thuis veel politici, uiteraard, maar ook kunstenaars, muzikanten, kerkleiders, filosofen. Er werd veel gediscussieerd op een hoog niveau. Ik leef nu niet meer in dat politieke milieu en ik geloof dat we nog wel grote politici hebben, maar met name door toedoen van de media moeten politici in hun discours vaak terugvallen op ongenuanceerde oneliners. Er wordt naar mijn gevoel veel minder over ideeën gedebatteerd dan vroeger en er is geen kruisbestuiving meer tussen al die disciplines. Na mei '68 stond het in bepaalde kringen niet meer zo goed om bij de bourgeois te gaan eten.

"Als kind zag ik mijn ouders tijdens de week bijna nooit, ze gingen ook veel uit. Maar mijn broer, mijn zus en ik wisten dat wij alles voor hen betekenden, en de zondagen waren heilig. Van bij het ontbijt tot het avondeten werd er gepraat en wij mochten aan die gesprekken deelnemen. Zo leerden we dat we niet zomaar mochten zeggen dat we een boek of een film of een artikel niet goed vonden, maar dat we onze mening met argumenten moesten staven. Als we zomaar klaagden of zeurden, konden mijn ouders ons brutaal de mond snoeren, daar hielden ze niet van."

'Hoewel ik van jongs af geconfronteerd werd met al die boeiende mensen thuis, wist ik hoegenaamd niet wat ik later zou worden. De politiek trok me in ieder geval niet aan. Mijn vader werkte de hele week en daarnaast was hij iedere zaterdag uren onderweg om te luisteren naar de mensen in de dorpen en steden of om toespraken te houden. In 1948, ik was zes, mocht ik voor het eerst mee naar zo'n meeting. Mijn vader ging praten in een achterzaaltje van een café voor een man of twintig. Want dat was het, je moet niet denken dat een minister zich alleen maar verplaatste voor een gezelschap van vijfhonderd toehoorders. Mijn vader gaf een gloedvolle toespraak over het belang van een verenigd Europa. Toen hij daarmee klaar was, stond een man recht en zei: 'Mijnheer de minister, dat is allemaal heel mooi, maar wat denkt u van de prijs van de varkens?' In de auto vroeg mijn vader wat ik ervan vond. Ik zei: 'Jij was goed, maar die vraag van die meneer was toch wel stom.' 'Neen', antwoordde mijn vader. 'Die was heel terecht. Ik moet over Europa spreken, maar ik moet ook de varkensprijs kennen, want daar leeft die man van.' En hij had gelijk. Nu kennen veel politici hun basis alleen nog van er eens langs te lopen voor de verkiezingen, ze weten niet meer hoe de mensen leven. Dat is de voedingsbodem voor extreem-rechts."

"Wat me het meest tegenstond aan de job van politicus was dat je beslissingen zo weinig tastbaar zijn. In de privé-sector, ook bij een bank, behoud je toch veel meer het plezier van de ambachtsman. Je bakt bij wijze van spreken een pot en als hij klaar is, plaats je hem op het rek en bied je hem te koop aan. Je weet precies waar je naartoe gaat en je bent onmiddellijk verantwoordelijk voor wat je doet: er moet iedere dag werk zijn voor je werknemers en je moet verantwoording afleggen tegenover je aandeelhouders. In de openbare sector ziet zelfs een groot politicus vaak pas jaren nadat hij al uit zijn functie is verdwenen, de resultaten van de besluiten die hij heeft genomen. Dat moet uitermate frustrerend zijn en dat was niets voor mij.

"Mijn ouders waren diepgelovig, maar het was het geloof van filosofen, heel ruimdenkend. Ik werd naar de lagere school gestuurd van mademoiselle Hamade, die de pedagogische leer volgde van Decroly, in die tijd een absoluut revolutionaire onderwijsmethode, en helemaal niet katholiek. We hadden alleen in de voormiddag les, in de namiddag kregen we praktische oefeningen. We hadden nooit huiswerk en geen examens, maar we werden zo gemotiveerd om dingen te doen dat ik 's avonds uit mezelf allerlei voorbereidingen maakte om deel te kunnen nemen aan de gesprekken. Het is heel vreemd, maar ik heb nog roze dromen over die school, zo heerlijk zijn die herinneringen. Nadien ben ik bij de jezuïeten terechtgekomen en toen ze ontdekten dat ik boeken las waar ze niet van hielden, schreef mijn vader een briefje voor de prefect waarin hij mij de toestemming gaf om ze te lezen. Hij vond dat de kerk zich moest bezighouden met het geloof en niet met de politiek - uitgesproken antiklerikaal.

"Zelf ben ik nog altijd een praktiserende gelovige, maar net als zoveel anderen stel ik me heel wat vragen over de kerk en heb ik veel twijfels. Maar een mens moet twijfelen. Het woord waar ik de grootste hekel aan heb, is 'vanzelfsprekend'. Niets in het leven ligt voor de hand, je moet blijven zoeken. Een mens evolueert ook. Toen ik klein was, zei mijn moeder dat ik bij iedere tentoonstelling die ik bezocht, een catalogus moest kopen en erin moest aanduiden welk schilderij ik mooi vond. Als ik ze nu doorblader, merk ik hoe mijn mening in de loop van de jaren veranderd is. Hoe jonger ik was, hoe meer ik van de zuivere en strakke lijnen van Romaanse kunst hield. Het is maar door ouder te worden dat ik begrepen heb dat de barok het leven is. Gelukkig rest me in afwachting van de eeuwigheid nog wat tijd om antwoorden te vinden, al zit de dood zelf me wel dwars. Ik ben er hoegenaamd niet zeker van dat het aan de overkant even leuk zal zijn als hier, ik ben dus niet gehaast om te gaan kijken."

"Thuis heb ik het meeste geleerd, maar ouders hebben toch graag dat hun kinderen naar de universiteit gaan. Ik was net zeventien en ging eerst in Brussel studeren, daarna in Leuven. Op kot heb ik vrienden gemaakt voor het leven, ook al studeerden we allemaal iets anders. Ik had voor rechten en economische wetenschappen gekozen. Je moet een goede faculteit zoeken die je intellectueel uitdaagt, want aan een universiteit leer je niets behalve denken. De leerstof bestaat uit niet meer dan een handvol kleine recepten die je in de loop van je carrière op het terrein moet bijwerken. Ik ben er trots op dat we in de bank de mensen altijd hebben beoordeeld op wat ze kunnen in plaats van op het diploma dat ze ooit al dan niet hebben gehaald. Niet iedereen krijgt immers dezelfde kansen om te studeren.

"Toen ik klaar was met mijn studies begonnen de golden sixties. Mijn vrouw en ik gingen eerst twee weken op huwelijksreis en verbleven daarna een maand in het appartement van mijn schoonbroer in Parijs zonder ons zorgen te maken over het vinden van werk. Toen ik thuiskwam, lagen er vijf aanbiedingen op mij te wachten. In tegenstelling tot de jongeren van vandaag waren we op dat vlak onbekommerd, maar de algemene politieke situatie bedrukte ons des te meer. Wij waren ervan overtuigd dat het communisme het overal in de wereld zou halen. Het werd voorgesteld als een gul en rechtvaardig systeem, we kenden de verschrikkingen van de goelags nog niet. Het idee van het verdelen van de rijkdom beantwoordde aan onze christelijke cultuur. Mijn zus, die tien jaar ouder is dan ik, raakte daarom bijzonder gefascineerd door het maoïsme. Als Christus terug zou komen, welke kant zou hij dan kiezen, vroegen we ons af. Hij heeft zich er gelukkig niet over uitgesproken, hij had eerder al gezegd: 'Geef Caesar wat Caesar toekomt'.

"Ik was behoudsgezind, ik heb me niet laten verleiden door de communistische doctrines. Ik maakte mij er veeleer zorgen over. Ik interesseerde me voor de derdewereldproblematiek en ik zag hoe die regimes in die landen op een vreselijke manier aan een grote opgang bezig waren. We vreesden dat Cuba aan de rand stond van een nucleaire oorlog en dat is intussen ook bevestigd. Het bezorgde ons een grote, existentiële angst.

"Omdat ik niet erg militaristisch was en interesse had in de derde wereld koos ik voor burgerdienst. In het kader van de ontwikkelingssamenwerking ben ik voor de Verenigde Naties naar El Salvador vertrokken. Ik besef heel goed wat een privilege het was om bij mijn ouders op te groeien, maar zo'n familie kan ook verstikkend zijn. Vertrekken betekende voor een jong gezin als het onze: vrijheid. We konden onze kinderen opvoeden zoals we dat zelf wilden, de weekends doorbrengen zoals wij er zin in hadden, ons leven naar eigen goeddunken organiseren. Je moet ook al je problemen zelf oplossen, je kunt niet snel naar mama of papa bellen om even langs te komen en op je zieke kind te passen. Dat maakt je sneller rijp.

"Professioneel krijg je in het buitenland op jonge leeftijd verantwoordelijkheden die je thuis nooit zou krijgen. Omdat niemand anders er zin in had, hield ik me bezig met de beurzen van Centraal-Amerika. En al was ik dan maar de assistent van de assistent en al was de beursactiviteit er helemaal niet zo ontwikkeld als hier, toch heb ik daar zeer veel geleerd. Ik probeerde zoveel mogelijk initiatieven te nemen, tegemoet te komen aan mijn goede en dus veeleisende bazen, en toen ik er twee jaar later wegging, was ik verantwoordelijk voor alle hulpprogramma's van de Verenigde Naties. Of je werk interessant is, hangt in grote mate van jezelf af.

"Terug in België kwam ik terecht op het kabinet van minister van Ontwikkelingssamenwerking Raymond Scheyven en lag mijn werk in het verlengde van wat ik deed bij de Verenigde Naties. Daarna verhuisde ik naar minister André Vlerick, die financiën onder zijn bevoegdheid had en waar ik me verder heb kunnen ontwikkelen. Op een vrijdagmiddag werd ik bij de directeur-generaal van de administratie geroepen. De man die in opdracht van de regering naar de Aziatische Ontwikkelingsbank in Manilla zou vertrekken, had net afgezegd. Hij zei: 'Kijk, als jij de opdracht wilt overnemen, stel ik je kandidatuur voor aan de minister'. Ik wist op dat moment niet hoeveel ik zou verdienen, noch wat de medische voorzieningen waren of waar we terecht zouden komen, maar ik heb mijn vrouw gebeld en we hebben meteen beslist om te vertrekken. Dit was een ongelooflijke kans, ik was dertig en zou lid worden van de raad van bestuur van de Aziatische Ontwikkelingsbank.

"Terwijl ik er aan mijn tweede termijn was begonnen, vroeg een Oostenrijkse vriend, die de internationale financiële raadsman was van de Groep Kredietbank, of ik geen zin had om daar te komen werken. Ik antwoordde: 'Het zal niet vanzelfsprekend zijn dat ik, met een Waalse vader en moeder, bij de Kredietbank binnen geraak, dit is België!'. Maar uiteindelijk is mij een job voorgesteld in Luxemburg. Daar heb ik mijn carrière uitgebouwd en ik ben in de groep altijd zeer gelukkig geweest. "Een crisis als die over het KBL-dossier, waar nu nog altijd een gerechtelijk onderzoek naar loopt, staat in geen enkele cursus van een managementschool. Je kunt ze ook op geen enkele manier voorzien. Ik had net zo goed ontvoerd kunnen worden op de Filippijnen of in een aardbeving terechtkomen in El Salvador, zo onwezenlijk is het. Toen het me overkwam, besefte ik dat me niets anders overbleef dan het hoofd te buigen en af te wachten wat de toekomst zou brengen. Als het onweert, moet je immers niet als een windbuil door de velden lopen.

"Ik moest allereerst zien te overleven en daarna proberen iets van de situatie te maken. Dat is me gelukt, ik heb de bank in een nieuwe richting kunnen ontwikkelen. De KBL beheert vermogens, dat is private banking. We hebben nu overal in Europa vestigingen, zodat het kapitaal in het land van herkomst blijft maar de mensen toch dezelfde service krijgen als voordien.

"Ik moet wel zeggen dat ik niet weet of ik het had gehaald zonder mijn vrouw. Zij is ongelooflijk geweest. Samen met de kinderen en mijn vrienden heeft ze me er bovenop geholpen. Ik had vernietigd kunnen worden, privé zowel als professioneel. Maar ook de bank is zonder aarzelen pal achter mij gaan staan. Ik vind dus niet dat ik moedig ben geweest. Moedig waren zij die me in de tegenslag zijn blijven steunen. Zij hadden me, zoals zo vaak gebeurt, kunnen opofferen om voor zichzelf de wind uit de zeilen te halen. Dat hebben ze niet gedaan en vandaag is het gemakkelijk om te zeggen: we hadden gelijk. Vijf jaar geleden vroeg dat echter veel kracht.

"U vraagt mij naar de deontologie van de bankier. Ik kan de vraag terugkaatsen en u vragen wat de deontologie was van de journalist bij De Morgen die me op een onrechtvaardige en kwaadaardige manier heeft aangevallen tijdens de KBL-affaire. Wat gebeurd is, heeft me niet gerevolteerd, standpunten kunnen verschillen. Maar ik vind dat ik in die zaak niet fair ben behandeld. Daarom wil ik blijven vechten en me verdedigen. Na acht en een half jaar onderzoek is er nog geen zicht op een datum voor het proces, ik ben intussen met pensioen en nog altijd in staat van beschuldiging. Ik wil er in de krant dan ook niet te veel beschouwingen over geven, ik wil het voor de bank niet nog moeilijker maken dan het al is. Ik kan u wel zeggen dat het erg moeilijk is om je niet te kunnen verdedigen als zoiets gebeurt. En wat deontologie betreft, dat is een begrip dat net als de moraal in de loop van de tijd enorm geëvolueerd is. Feiten die beoordeeld worden volgens de moraal van twintig, veertig of honderd jaar later kunnen kwetsend, brutaal of onverantwoord lijken, maar je moet ze bekijken door de ogen van toen. Alles evolueert. Kijk maar naar zoiets onschuldigs als het beeld van God in de bijbel. In de loop van de eeuwen is hij van een harde, jaloerse, bijna wraaknemende God veranderd in een God van liefde. Hij is natuurlijk niet geëvolueerd, maar wel de mensen die zijn woorden lezen, onder invloed van maatschappelijke veranderingen.

"Ik ben zoals iedereen erg begaan met de huidige ontwikkeling van de internationale misdaad. Ik wil dat men ertegen optreedt en ik wil er best zelf tegen vechten, maar tot welke prijs? We worden meer en meer in kaart gebracht. Onze mobiele telefoon, ons gebruik van het internet, lidkaarten, klantenkaarten, alles wordt geregistreerd door Big Brother, en we zijn er ons vaak zelfs niet meer van bewust hoe ver dat kan gaan. Dat controlesysteem is ongelooflijk gevaarlijk. Niet zozeer in onze landen, omdat we in Europa gelukkig in een democratie leven, maar Hitler werd ook democratisch verkozen. Alleen de communisten hebben pech gehad, die zouden van dit systeem uitermate graag gebruik hebben gemaakt, maar ze zijn vijftig jaar te vroeg gekomen. Als men dat wil, kan men een individu tegenwoordig verpletteren met de kennis die men over hem heeft."

'Wat me ook zorgen baart, is dat men hoe langer hoe meer het beroepsgeheim in twijfel trekt, een van de oudste wetteksten die er bestaan. Vroedvrouwen, artsen, advocaten, priesters, bankiers, we hebben het allemaal. Maar men gaat niet meer te biechten, vroedvrouwen werken in een ziekenhuis, het bankgeheim wordt uitgehold. De Europese burger zal het gevaar pas ten volle beseffen als ook het medische beroepsgeheim wordt opgeheven. Nu al weet men hoeveel geld we individueel aan welke medicijnen besteden, welke behandeling we gehad hebben bij welke arts, hoeveel we de sociale zekerheid hebben gekost. Wacht maar tot een werkgever inzage krijgt in die gegevens en op basis daarvan zijn personeel aanneemt of ontslaat. Privacy is as important as the air you breathe, zegt een Zwitserse bank in haar internationale reclamecampagne. Dat is weliswaar een commerciële boodschap, maar ik denk dat het waar is. Iedereen heeft recht op zijn privé-leven. In een maatschappij die dat niet meer toestaat, wil ik niet leven en zie ik geen toekomst voor mijn kinderen of kleinkinderen. Gelukkig ben ik niet alleen met die overtuiging. Overal lees ik dat men bezorgd is om de vrijwaring van die vrijheid. Daarom blijf ik optimistisch."

Zopas verscheen bij Nijgh & Van Ditmar 'Vaders zijn zonen', een selectie uit de gesprekken die Betty Mellaerts het voorbije jaar in 'Zeno' heeft gepubliceerd (237 pagina's, 17,5 euro).

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234