Dinsdag 12/11/2019

'Niet schrijven,

Gesprek met Leonard Nolens, een dichter van bijna zestig

dat is pas moeilijk'

'Niet uit een man, niet uit een vrouw geboren, niet geboren/ Maar geschapen, uit mijn werk moet ik voortaan ter wereld komen.' Een gesprek met dichter Leonard Nolens. Over morgen, Gedichtendag in Vlaanderen en Nederland. Over Een fractie van een kus, de bundel die hij ter gelegenheid van dit poëtische feest schreef. Maar vooral: over zijn, proberen te zijn en niet (kunnen) zijn.

Door Margot Vanderstraeten

In zijn De Vrek van Missenburg, dagboek 1990-1993, staat het er, op 30 maart 1991, zo: "Elk interview is een uiting van onzekerheid, alsof de geschreven woorden niet zouden volstaan; alsof het boek niet zonder mijn verschijning, zonder mijn ijdele mond zijn weg zou vinden." Ruim anderhalf jaar later, op 11 oktober 1992 en nadat hij 'ja' geantwoord heeft op de vraag om uit eigen werk voor te lezen, grijpen dezelfde twijfels de dichter en dagboekschrijver naar de keel: "Kunt u nu begrijpen waarom ik vanavond met een lichte weerzin in de auto ben gestapt om hierheen te komen? (...) Maar, zult u zeggen, waarom accepteert u dan dit soort invitaties? Omdat ik toch ook weer houd van dubbelzinnige situaties, omdat elke schrijver er een verdacht plezier in schept om als een afwezige aan het leven te participeren. (...) Het boek is hier de stem van de afwezige, en die afwezige klinkt krachtiger dan mijn vluchtigheid hier aan tafel."

Ook vandaag voelt Leonard Nolens een lichte weerzin jegens elke vorm van uitleg over zijn werk, over zichzelf of over anderen. En als hij dan toch spreekt, is er altijd die twijfel die verwijtend over zijn schouder meeluistert."

"Ik heb er altijd van gedroomd om in de samenleving te blijven en toch dat schrijven te behouden. Na mijn vierenveertigste werd het makkelijker; ik kreeg prijzen en werkbeurzen. Een dichter kan, financieel, nooit of nooit van zijn gedichten leven. Maar een dichter kan pas leven als hij gedichten schrijft. Dat is een eeuwig gevecht. Ik wil doen wat ik ben. En om dat te doen, moet ik het leven, het leven zoals de meeste mensen dat leiden en kunnen leiden, links laten liggen.

"Maar ook prijzen en erkenning hebben een duistere kant. Dat het nu makkelijker gaat, is relatief. Prijzen zijn vergif. Ik heb me altijd beschouwd als een poète maudit. Ik sta buiten de maatschappij en heb niet het talent om de wereld in te stappen. Dat was vroeger zo, en dat is nog altijd zo. Ondanks de erkenning die je te beurt valt. Ondanks de verwachtingen die de buitenwereld voor je koestert. Daarom bijvoorbeeld dat ik nooit het stadsdichterschap van Antwerpen zal kunnen aanvaarden: ik zou de maatschappelijke verplichtingen van zo'n officiële functie niet aankunnen en ik zou het niet kunnen verdragen om mijn gedichten zo snel uit handen te moeten geven. Een dichter koestert zijn gedichten, bewaart ze minstens een jaar lang in een map. Hij laat zijn gedichten, zoals Paul van Ostaijen dat zo prachtig uitdrukte 'kelder hebben'. Met deze bundel ter gelegenheid van Gedichtendag kon dat. Ik kreeg een jaar de tijd, en er werd me geen enkel thema opgelegd. Daarom heb ik ja gezegd, omdat ik het wilde proberen. Maar om trouw aan mezelf te blijven, heb ik beter geen succes. Of anders gezegd: om trouw te blijven aan mezelf, wil ik me niet door succes laten beïnvloeden. Dat is moeilijk, en het is ook allesbehalve verstandig, maar alleen door me af te zonderen van de zogenaamde echte wereld, verloochen ik me niet. Met masochisme heeft dit niets te maken. Ik streef naar volledige concentratie. Ik ben een absolutist. Ik heb een zee van tijd en leegte nodig. Word ondraaglijk als ik me moet laten afleiden door dingen die er niet toe doen."

"Ik praat niet graag in het openbaar. Praten in het openbaar is meestal een verraad aan het gesprek dat je voert met jezelf en de anderen in de intimiteit van je werkkamer. En ik vind het al zeker niet fatsoenlijk om over anderen te praten. Laat dit interview dus maar vooral over mezelf gaan. Ik vind dat mensen elkaar te vaak kwetsen. We leven in de samenleving van het leedvermaak. De Romeinse keizer Marcus Aurelius had gelijk: 'De nobelste vorm van vergelding is niet te worden zoals je vijand.' En toch. Toch is het onmogelijk om uitsluitend over mezelf te praten. Of ik het nu wil of niet, ik ben genoodzaakt om, als ik over mijn werk spreek, ook over mensen te spreken. Mijn werk, mijn poëzie is verknoopt met mijn leven. En mijn leven is verweven met het leven van de mensen die me na staan. Ik, mijn volledige mens, ben het onderwerp van mijn poëzie en mijn dagboeken. 'Je est un autre', aldus Arthur Rimbaud. Dat klopt, al heb ik de neiging te zeggen 'je est une autre!', een vrouw zit in mij. Als ik over mijn vrouw spreek, heb ik het over mijn tweede vrouw. Van mijn eerste vrouw, die ik heel jong heb leren kennen, toen ik achttien of negentien was, heb ik twee zoons gekregen, van wie zij de opvoeding bijna volledig alleen in handen heeft genomen. Van mijn tweede vrouw heb ik mijn gedichten gekregen. Ik ben wat dat betreft dus een bevoorrecht en verwend mens. Ik ken mijn vrouw langer dan ik haar niet heb gekend. Ik ben haar op mijn drieëntwintigste tegengekomen en loop haar, nu ik naar mijn zestigste ga, nog steeds dagelijks hard of zacht tegen het lijf. Ken je de Franse uitdrukking 'avoir quelqu'un dans la peau?' Iemand is bij mij op soms pijnlijke wijze naar binnen geslagen. Of die situatie gezond is, doet er hier niet toe. Ik besef dat de wijze waarop een vrouw deel van mij is gaan uitmaken, grenst aan de pathologie, soms zelfs aan de waanzin. De vereenzelviging wordt op sommige momenten te groot, dan lijd je aan ik-verlies en weet je soms niet meer wie aan het schrijven is. Ieder van ons is altijd in gedachten in gesprek. En wie, zoals ik, zijn dagen al veertig jaar alleen doorbrengt en nooit een echt sociaal leven heeft geleid, is wellicht nog vaker en intenser constant in gedachten in gesprek dan anderen. Door met iemand in jezelf te spreken verschaf je je toegang tot de wereld. In deze context moet ik denken aan de meisjes die in Belgische kelders werden opgesloten. Waarom hebben die meisjes, in hun onmenselijke isolement, een dagboek gehouden? Omdat schrijven een manier van praten is. Met zichzelf, met ouders, met vrienden en vriendinnen. Ze hebben geen enkele lezer. En toch schrijven ze. Waarom doen ze dat? Ik weet het niet, maar ik denk dat het is omdat je je, als je schrijft, opgenomen voelt in een gemeenschap. Bij je geboorte krijg je een naam, krijg je voedsel en kleren. Je krijgt ook woorden, en daarmee, met die traditie, moet je het stellen om op je eigen manier te overleven."

"Als ik erin slaag om dat innerlijke gesprek, om die aanspreekvorm die het gedicht voor mij is, goed neer te schrijven, dan betrek ik lezers in mijn leven. Ik vind het niet erg dat het in de poëzie steevast om een klein aantal lezers gaat. Waar het om draait, is vat te krijgen op het leven, op mijn leven. Het is ook precies omdat deze greep op de werkelijkheid voldoening schept, dat er zoveel slechte dichters blijven schrijven. Een slecht gedicht is een gedicht dat geen weerstand oproept. Lezen is, net als schrijven, een fysieke, uitputtende en zelfs erotische bezigheid. Hoe groter de spanning is, hoe groter de wrijving tussen mijn en jouw taal, hoe meer elektriciteit er vrijkomt. Een tekst die van de lezer geen enkele inspanning vergt, die geen enkele hartstochtelijke poging tot inleven en begrijpen afdwingt, is het gewoon niet waard om geschreven of gelezen te worden. Ik zal, ter verduidelijking, dan toch met enkele namen uitpakken. Ken je het beroemde en alom geciteerde gedicht 'Insomnia' van de Nederlander J.C. Bloem? 'Denkend aan de dood kan ik niet slapen,/ En niet slapend denk ik aan de dood./ En het leven vliedt gelijk het vlood,/ En elk zijn is tot niet zijn geschapen.' Als ik dat lees, dan denk ik, Bloem, laat maar zitten, dat soort platitudes wil ik niet lezen, want zo kan ik er met het grootste gemak ook een paar verzinnen. Maar als ik dan het laatste gedicht van Jos de Haes lees, 'Een kus in Ter Kameren', dan ben ik geïntrigeerd, gespannen, opgenomen in een aangrijpend ritme en in een tekst die ik moet blijven herlezen om hem te doorgronden. Ik kan niet uitleggen wanneer een gedicht goed is. Ja, academici lijden aan de neiging om poëzie tot technische begrippen als metrum, ritme, prosodie, rijm te herleiden. Dat zijn bijzonder interessante facetten van de poëzie die ook mij bezighouden, maar ze bevatten niet de essentie van een gedicht. Wie zich over een gedicht buigt, of het nu de lezer of de dichter is, buigt zich niet over woorden, maar over mensen. Woorden zijn van mensen gemaakt."

"De aanloop naar een gedicht gaat altijd met een cadeau gepaard. Want een gedicht ontstaat altijd uit enkele woorden, een zinflard, een regel, enkele regels die je geschonken worden, een moment van genade. Zoals een componist maar drie beginnoten nodig heeft waaruit de rest van zijn stuk zich ontspint, zo ga ik met die enkele woorden, met die verrassende eerste regel aan de slag. Zodra dat begin er staat, is er slechts één bekommernis: hoe blijf ik de rest van het gedicht op hetzelfde niveau. Academici zijn ervan overtuigd dat een kunstwerk voor tien procent uit inspiratie en voor negentig procent uit transpiratie bestaat. Maar als inspiratie zo weinig ter zake doet, dan zou elke dichter die over enige intelligentie, vindingrijkheid en discipline beschikt, elke dag minstens één gedicht kunnen schrijven. Zo werkt het niet. Schrijven is niet moeilijk. Niet schrijven, dat is pas moeilijk."

"Als ik gedichten schrijf, dan komen talrijke zaken allemaal tegelijk bij me op. Gedachten, beelden, woorden, ritme, muziek. Waar dat allemaal vandaan komt? Ik weet het niet. Maar met gratuite taalspelletjes heeft poëzie niets te maken. Ik vind dat er in de experimentele poëzie een dedain bestaat ten opzichte van de gewone taal. Wie minachting opbrengt voor de omgangstaal, minacht de anderen. Mij interesseren al die modernistische of postmoderne foefjes nauwelijks. Woorden en gedachten zijn het meubilair van de linguïstische ruimte. Degenen die deze meubels overhoop gooien, kunnen me met hun opzichtig vertoon amper boeien. Je kunt pas waardevolle dingen scheppen als je binnen de traditie lichte verschuivingen aanbrengt. De ongewoonheid van gewone teksten, daarin zit de kunst. Dat heb ik na een tijd beseft, want ook ik heb gezocht, en ook ik heb onder de verstikkende invloed van andere dichters geleefd. Ik ontdekte de joodse Roemeense dichter Paul Celan op mijn zesentwintigste, en zijn werk, de gebalde vorm van zijn gedichten, maakte mij sprakeloos. Hij heeft me gedwongen te zwijgen. Totdat ik besefte dat ik me van hem moest bevrijden. Ik heb tegen zijn invloed gevochten, mij ingespannen om die strenge vormen, om die gebalde rietstengelgedichten van me af te werpen, en weer een gewone zin te schrijven. Met een gewone zin bedoel ik letterlijk: onderwerp, werkwoord, lijdend voorwerp of gezegde. Voor mij is dat nog altijd de vuurproef voor een dichter: is hij in staat om een gewone zin te schrijven die als omgangstaal klinkt, maar die toch intrigeert. Dat is ook de reden waarom mijn eerste twee gedichtenbundels niet in mijn verzameld werk (Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten, Querido, MV) zijn opgenomen, en ik mijn derde bundel Twee vormen van zwijgen als mijn debuut beschouw. Voor die tijd had ik nog geen eigen stem. Het is een cliché, maar groei, pure groei, heeft alles te maken met luisteren naar jezelf. Maar wat is dat zelf?"

"Of je het nu wilt of niet, in het leven hangt alles aan elkaar vast. Ik ben in Bree, Limburg, opgegroeid, op het Vrijthof, dat is het centrale plein aan de kerk, waar ook het college ligt waar ik school heb gelopen. Mijn vader had een prachtige stem en was voorzanger in de kerk. Hij was verzekeringsmakelaar net zoals zijn vader en grootvader en mijn broer dat zijn geweest. Als prille twintiger heb ik er ook nog een jaar gewerkt. 's Ochtends schreef ik mijn eerste roman en 's middags bezocht ik enkele klanten. Die roman bezit ik niet meer, en misschien is dat maar goed ook. Ik kan me zelfs de titel niet herinneren. Mijn vader was muziek. Thuis stond een vleugel, ook ik heb piano en viool gespeeld, mijn oudste zus is pianiste geworden.

"Bree verstikte me, maar Bree gaf me tegelijk een identiteit: het is bevestigend om herkend en gegroet te worden. En het is benauwend. Als ik droom, droom ik in het dialect van Bree. Het Brees is mijn moedertaal. Op de lagere school moesten we al snel gedichten uit het hoofd leren. Dat vond ik prettig. Maar nog prettiger vond ik het om, tegenover dat gedicht dat me aangereikt werd, iets van mezelf te plaatsen. Hetzelfde geldt voor muziek: ik hield ervan om piano en viool te spelen, maar het liefst van alles maakte ik, op mijn eigen kinderlijke manier, mijn eigen composities. Ik vond het moeilijk om de creaties van anderen slaafs te ondergaan. Ik wilde mijn eigen antwoord geven. Dat is mijn hele leven zo gebleven. Als ik goede boeken lees, heb ik al na twintig pagina's de neiging om zelf aan de slag te gaan. Schrijven is mijn manier van leven. Om 'ter wereld te komen'. Want dat verlangen heeft me altijd gestuurd: ik wil geboren worden. Alsof ik mezelf wil maken, alsof ik in wie ik ben niet afhankelijk zou willen zijn van wie mij heeft gemaakt. Dat is pure pretentie, dat weet ik. Ik ben altijd ambitieus geweest, al rust er een vloek op dat woord. Als mensen aan ambitie denken, duiken vooral termen als geld, succes en roem op. Als ik naar deze vorm van ambitie op zoek was geweest, had ik beter mijn vader opgevolgd. Mijn enige ambitie ligt in het maken. Ik geloof dat deze drang met een uitgesproken gevoel voor autonomie te maken heeft. Alleen het maken van iets, interesseert me. Die interesse houdt ook in dat ik nooit volledig receptief in de wereld kan staan. Altijd heerst dat verlangen om 'te maken'. Me op een zen-achtige manier op de golven van het bestaan laten drijven, kan ik niet."

"Ik weet niet of die drang om constant geboren te willen worden, te maken heeft met angst voor de dood. Ik denk niet dat ik bang ben voor de dood. Maar ik ben wel elke dag met de dood bezig. De aanwezigheid van de dood zit al van kindsbeen in me.

"Als kind ben ik misdienaar geweest, en heel geregeld werd ik 's nachts opgeroepen om de priester en koster te begeleiden bij het toedienen van de laatste sacramenten. Ik heb al jong veel stervende mensen gezien. Misschien dat al die doden een rol spelen in mijn hoofd. Ik weet het niet, en ik weet ook niet in welke mate. In elk geval behoorde ik op mijn zestiende al tot die neurotici die denken dat ze geen dertig worden. En in april word ik zestig."

"Ouder worden heeft een voordeel. Ik heb pas heel recent het gevoel dat ik soms kan genieten van dingen die ik vroeger heb gemaakt. Sterker: ik vind het soms prettig dat er dingen zijn die ik vijfendertig jaar geleden heb gemaakt en die vandaag nog bestaan. Ik heb mijn eigen, kleine, petieterige eeuwigheid geschapen. Die zwarte materie van de letters heeft mijn bestaan bemoeilijkt, maar ook verhelderd en bewaard. Die zwarte materie heeft me gemaakt."

> Orpheushanden

(poëzie, 1969)

> De muzeale minnaar

(poëzie, 1973)

> Twee vormen van zwijgen

(poëzie, 1975)

> Incantatie

(poëzie, 1977)

> Alle tijd van de wereld. Een poëtica (poëzie, 1979)

> Hommage

(poëzie, 1981)

> Vertigo

(poëzie, 1983)

> De gedroomde figuur

(poëzie, 1986)

> Geboortebewijs

(poëzie, 1988)

> Stukken van mensen

(dagboek, 1989)

> Liefdes verklaringen

(poëzie, 1990)

> Hart tegen hart

(poëzie, 1991)

> Tweedracht

(poëzie, 1992)

> Blijvend vertrek

(dagboek, 1993)

> Honing en as

(poëzie, 1994)

> De vrek van Missenburg

(dagboek, 1995)

> En verdwijn met mate

(poëzie, 1996)

> De liefdesgedichten van Leonard Nolens

(poëzie, 1997)

> Een lastig portret

(dagboek, 1998)

> Voorbijganger

(poëzie, 1999)

> Manieren van leven

(poëzie, 2001)

> Derwisj

(poëzie, 2003)

> Bres" met etsen van Dan Van Severen

(poëzie, 2004)

> Laat alle deuren op een kier (verzamelde gedichten, 2004)

> Een dichter in Antwerpen en andere gedichten (poëzie, 2005)

> Een fractie van een kus

(poëzie, 2007)

Leonard Nolens wordt op Gedichtendag in de bloemetjes gezet. Niet alleen is zijn nieuwe bundel Een fractie van een kus (Querido) voor slechts 2 euro overal verkrijgbaar, maar ook wordt hij door twaalf gewaardeerde Vlaamse en Nederlandse collegae op handen gedragen. Met name door Rutger Kopland, Charles Ducal, Dirk van Bastelaere, H.C. ten Berge, Geert Buelens, Bart Deckers, Anna Enquist, Stefan Hertmans, Gerrit Kouwenaar, Frans Kuipers, Bart Meuleman, Alfred Schaffer, Miriam Van hee, Rogi Wieg en Menno Wigman. Vandaag lezen een aantal van deze dichters in Amsterdam nieuw geschreven werk ter ere van Leonard Nolens voor. Morgen staat het podium van de Arenbergschouwburg in het teken van de dichter.

> www.gedichtendag.org

> www.querido.nl

> www.begeerte.be

Ik besef dat de wijze waarop een vrouw deel van mij is gaan uitmaken, grenst aan de pathologie, soms zelfs aan de waanzin. De vereenzelviging wordt op sommige momenten te groot

dsqfds

fds

fds

'Een tekst die van de lezer geen enkele inspanning vergt, die geen enkele hartstochtelijke poging tot inleven en begrijpen afdwingt, is het gewoon niet waard om geschreven of gelezen te worden'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234