Donderdag 01/10/2020

Niet doodmaken, alstublieft

Tegen zonsondergang was het strand van goud. De badgasten waren allemaal naar huis gegaan toen de wind aanwakkerde. Net achter de brekers maakten meeuwen hun duikvluchten. Aan de horizon zagen ze vier stompe vissersbootjes op een rij. Toen draaide ze zich langzaam naar rechts en zag ze de twee geparkeerde vrachtwagens en de vissers, bezig een net binnen te halen. "Laten we gaan kijken of ze wat gevangen hebben", zei ze met die razendsnel opkomende, totale verwondering wanneer ze iets nieuws zag.

De vrachtwagens waren gedeukt en verroest en hadden een open laadbak, en bij de wagen die ze het eerst bereikten, lagen zo'n vijfentwintig grote, met zand bespikkelde baarzen en kleine blauwbaarsjes op een hoop onder aan de laadklep. Een man van in de zestig zat op de vrachtwagen en hield een touw vast dat naast hem om een lier werd gewonden. Hij knikte vriendelijk naar hen en trok aan het touw om te zorgen dat het strak om de draaiende lier liep. Aan de waterkant stond een andere man die het net in de gaten hield en opstapelde terwijl het uit het water werd getrokken.

Sam keek vluchtig naar de vissen toen ze bij de vrachtwagen waren aangekomen en wist dat ze ervan zou schrikken. Ze zag ze en haar ogen werden groot, maar ze probeerde de oude man die aan het touw trok zelfs met een feliciterende glimlach aan te kijken en zei: "Hebt u die allemaal gevangen?"

"Ja", zei hij, en zijn ogen warmden zich al aan haar schoonheid.

"Deze zijn allemaal dood, hè?" zei ze.

"O, ja hoor", zei de oude man.

Er blonk een zekere spanning in haar ogen terwijl ze zo te zien elke vis afzonderlijk bekeek om te controleren of hij echt niet meer bewoog. Sam begon met de oude man te praten over de kans op een goede vangst in het net dat nu aan land kwam, en toen zij in het gesprek werd betrokken, zag hij tot zijn opluchting dat haar ogen, blauw als de zee, weer gekalmeerd waren.

Maar nu haalde de oude man een hendel over waardoor de lier sneller ging lopen en hoger begon te gieren, en moest hij zich inspannen om het touw strak te houden. De lier op de andere vrachtwagen draaide ook sneller, en de twee mannen op het strand holden van de wagens naar de waterlijn om het binnenkomende net haastig op te stapelen. Nu zagen ze de gebogen rij kurkdrijvers op slechts enkele meters afstand in het water.

"Waarom trekt u het zo snel naar binnen?" vroeg Sam aan de oude man. "Vechten ze tegen het net?"

"Nee", zei de oude man, "je moet het gewoon strak houden om te zorgen dat ze er niet overheen springen en toch nog wegkomen."

De golven braken nu tegen het net, maar ze zagen nog geen vissen. Ze legde haar twee opgeheven handen tegen haar wangen en zei: "O, nu weten ze dat ze gevangen zijn!" Ze lachte. "Ze vragen zich allemaal af wat hun is overkomen!" Hij was blij dat ze een beetje de draak stak met zichzelf, ook al bleven haar ogen vol angst gefixeerd op het net onder de oppervlakte.

Ze keek even op naar haar man en zei: "O jee, nu zijn ze gevangen." Hij wilde het al uit gaan leggen, maar ze vervolgde snel: "Ik weet dat het in orde is zolang ze maar worden gegeten. Ze gaan ze toch wel opeten, hè?"

"Ze verkopen ze aan de viswinkels", zei hij zacht, zodat de oude man bij de lier het niet zou horen. "Ze worden wel opgegeten."

"Ja", zei ze, als een gerustgesteld kind. "Ik zal kijken. Ik zal blijven kijken", verzekerde ze hem bijna, maar ergens in haar binnenste hield ze haar adem in.

Toen week een golf terug en werd het volle net met één lange haal uit de branding getrokken. Van beide vrachtwagens klonken stemmen; de vangst stelde niet veel voor. Ze zag de wriemelende staarten van kleine blauwbaarsjes die door het net omhoogstaken ("Ze staan op hun kop!"), een grote spartelende baars, poontjes die hun gebogen omberkleurige vleugels probeerden te strekken, en één bot die languit midden in die krioelende massa zeevolk lag. Ze bleef hier en daar naar een vis wijzen die plotseling sidderde of zich omgooide en riep uit: "Die daar! En die daar!" - bedoelend dat die nog niet dood waren en, wist hij, gered moesten worden.

De mannen maakten het net open, haalden de baars en een aantal blauwbaarsjes eruit en gooiden de poontjes op het zand, en vervolgens ook de bot en nog twee kogelvissen, die onmiddellijk begonnen op te zwellen. Ze keerde zich naar de oude man op de vrachtwagen en probeerde te glimlachen terwijl ze hem met enige scherpte in haar stem, bijna schreeuwend vroeg: "Wilt u die niet hebben?"

Hij kreeg het als oude man aangenaam warm van de gloed op haar gezicht en de onrustbarende contouren van haar lichaam onder de gestreepte trui en beige lange broek. "Daar hebben we niks aan, mevrouw", zei hij.

"Nou, gooit u ze dan niet terug?"

De oude man leek te aarzelen alsof hij even schuldbewust aan iets terugdacht. "Ja hoor. We gooien ze wel terug", zei hij, en keek intussen naar zijn collega, die de goede vissen ertussenuit haalde en de gevleugelde vissen links en rechts op het zand gooide.

Er lagen nu zo'n vijftig ponen op het strand, sommige naar lucht happend, andere volkomen bewegingloos. Sam voelde de spanning bij haar toenemen, en hij liep naar de dichtstbijzijnde vis, pakte hem met een rilling van weerzin op, gooide hem in de golven en liep naar haar terug. Het leven van het dier pulste nog in zijn vingers. "Als ik iets had om ze mee vast te houden", begon ze.

"Je kunt al die vissen niet terug gaan gooien", zei hij.

"Maar ze leven nog!", zei ze en deed daarbij wanhopig haar best om te glimlachen en hem aan haar zijde te houden.

"Nee, ze zijn dood. De meeste zijn dood, lief."

"Zijn ze dood?", vroeg ze, zich naar de oude man omdraaiend.

"Nee, ze zijn niet dood. De meeste niet."

"Zouden ze verder leven als ze weer in het water lagen?"

"O ja, dan komen ze wel weer bij", zei hij in een poging haar gerust te stellen, maar zonder van zijn plek te komen. Ze deed een sandaal uit, liep naar een vis die lag te kronkelen en probeerde hem in het water te wippen, maar hij gleed weg. Sam liep ernaartoe, pakte hem op en gooide hem in de zee. Hij lachte nu en zij bleef maar zeggen: "Het spijt me. Maar als ze nog leven...!"

"Geeft niet", zei hij, "maar de meeste zijn nu wel dood. Kijk maar." Hij pakte er een op die zich niet bewoog; hij voelde slap aan. Hij gooide hem in de zee en toen de vis in het water terechtkwam, spande hij zich tot een boog en riep zij uit: "Kijk. Hij zwemt weg!"

Met de grijns van de overwonnene, nu hij zag dat de vissers hem glimlachend gadesloegen, begon hij alle ponen terug in het water te gooien. Hij voelde dat de mannen ondanks hun glimlachende gezichten op een of andere manier in de ban waren van haar vasthoudendheid, en terwijl hij bezig was de slijmerige beesten een voor een terug te gooien, zag hij elke vis als een afzonderlijk individu snakken naar zijn liter zeewater en geneerde hij zich niet langer. En toen waren er nog twee vissen over, twee ponen met een witte buik en stugge omberkleurige vinnen en rudimentaire pootjes die aan weerskanten van hun nek ontsproten. Ze lagen roerloos op hun rug. Omdat zij wel bereid leek ze op te offeren, bukte hij zich niet om ze op te pakken en naar haar teruglopend had hij op een of andere manier de hoop dat ze dit soort verspilling misschien zou gaan aanvaarden als hij die twee vissen op het strand liet sterven. Want hij had thuis ooit een raam moeten openen om een mot naar buiten te laten die hij anders had platgeslagen, en hoewel hij haar in zijn hart adoreerde om haar strijdbare teergevoeligheid voor alles wat leefde, wist hij ook dat ze moest leren begrijpen dat ze niet samen met al die motten, spinnen en jonge vogeltjes en nu met deze vissen zou sterven. Maar het was ook omdat hij de vissers wilde laten zien dat ze niet zo fanatiek was dat die laatste twee zichtbaar dode ponen nog een kans moesten krijgen.

Hij stond weer naast haar en wachtte af. Hij glimlachte en zei: "Je hebt jezelf wel wat werk op de hals gehaald. Er is nog veertig kilometer strand dat we kunnen afstruinen om vissen terug te gooien." Ze trok lachend zijn hoofd omlaag en kuste hem, en terwijl hij haar omhelsde zei ze: "Alleen die twee nog. Vooruit, Sam. Misschien leven ze nog."

Hij lachte weer en pakte een van de vissen op in het besef dat het nog onrechtvaardiger zou zijn als er twee vissen moesten sterven waar er vijftig waren gered, en terwijl hij hem in de golven gooide, verscheen er een hond. Het was een grote bruine retriever met aaneengeklitte haren van het zeewater en hij sprong in de golven, stak zijn kop in het water, hief hem weer op met de poon zachtjes in zijn bek gevlijd en kwam toen vol trots terug om hem voorzichtig aan Sams voeten te leggen.

"God, zag je hoe voorzichtig hij hem terugbracht!" zei Sam.

"O jee!" Ze lachte en boog zich voorover naar de strenge kop van de hond met zijn beige ogen. De hond keek terug met een blik van atletische vastberadenheid. "Dat moet je niet doen!" Ze keek Sam hulpeloos aan en hij pakte de vis op en gooide hem terug. Weer sprong de hond erin en kreeg hij hem te pakken en nu kwam hij enorm enthousiast en trots, bijna dansend terug naar Sam, legde de vis aan zijn voeten en wachtte de volgende worp af, zo gretig dat zijn poten ervan trilden.

"Nou?" zei hij tegen haar. "Zo zie je maar. Er is een hele samenzwering gaande tegen deze twee visjes. Deze jongen is getraind om de mens te helpen; de mens moet eten dus moet er iets dood, poesje..."

Terwijl hij sprak, gleed er een klein zilverachtig visje uit de bek van de poon aan zijn voeten. "Kijk daar eens!", riep hij. "Zie je het nu? Hoe moet het met dát kleine visje?"

"Tja", zei ze, alsof ze daarmee haar ongelijk toegaf.

"Zie je het nu? De slachtoffers maken weer andere slachtoffers."

"Nou, gooi hem toch maar gauw terug."

"Maar dit figuur hier brengt hem steeds weer naar ons toe. Deze vis is ten dode opgeschreven", zei hij en ze lachten allebei, maar zij had een klok in haar hoofd die haar vertelde dat elke seconde telde, en ondanks haar weerzin om hem aan te raken bukte ze zich al naar de vis aan zijn voeten. Hij duwde haar hand weg, pakte de vis op en gooide hem in zee, en toen de hond zich omdraaide en hem in het water achternaging, rende hij een paar meter over het strand naar de andere vis en gooide die ook terug.

"Zo", zei hij enigszins buiten adem toen de hond terugkwam met de eerste vis, "nu is er nog maar één. Deze vis is absoluut ten dode opgeschreven op grond van het principe dat de mens moet eten en deze hond actief bijdraagt aan de voedselvoorziening."

Maar nu kon zelfs hij zijn ogen niet afhouden van de vis, die snel was gaan ademen van de schok om in het water te worden gegooid en door de hond te worden opgehaald en dan alweer door de straffe wind te zoeven. "Deze vis zou graag willen dat je hem in vrede laat sterven!" Hij lachte.

Ze keek bijna radeloos maar nog steeds glimlachend, met hem mee grinnikend om zich heen en zag een stok en rende ernaartoe met de lange sprongen van een danser, en de hond keek even haar kant op en werd een en al aandacht toen ze met de stok zwaaide en naar hem riep. Ze gooide de stok in zee en de hond stoof erachteraan het water in en op dat moment pakte Sam snel de laatste vis op en gooide hem erin, en de vis spande zich tot een springlevende boog om een golf in te glijden.

Het strand was nu schoon, de vissers waren bezig hun netten weg te bergen en de twee liepen terug naar de weg. "Het spijt me, Sam, maar ze leefden nog, en als niemand ze gaat opeten..."

"Tja, poesje, dan waren ze dood met het tij meegesleurd en door andere vissen opgegeten. Ze zouden niet voor niets zijn gestorven."

"Nee", zei ze.

Ze liepen hand in hand en ze zweeg. Hij voelde zich reusachtig blij worden dat ze zijn hand naar de vissen had gedirigeerd die nu in zee zwommen omdat hij ze had opgepakt. Nu keek ze naar hem op als een klein meisje, met die naakte verwondering in haar gezicht, ook al glimlachte ze erbij als een volwassen vrouw. "Maar nu blijven sommige misschien leven tot ze oud zijn", zei ze.

"En dan gaan ze dood", zei hij.

"Maar ze leven tenminste zolang als ze kunnen." En nu lachte ze als de vrouw in haar die wel wist hoe absurd de dingen kunnen zijn.

"Zo is het", zei hij, "ze zullen een eerbiedwaardige hoge leeftijd bereiken en heel rijk worden..."

Ze barstte in lachen uit. "En hun kinderen als volwassenen zien leven!"

Diep gelukkig met haar en haar wens kuste hij haar op haar lippen. "O, wat hou ik veel van je", zei ze met tranen in haar ogen. Daarna liepen ze naar huis.

---

VOLGENDE WEEK: 'INDERDAAD', EEN VERHAAL VAN ANNELIES VERBEKE

Uitgelezen Deluxe krijgt de primeur

Op 22 mei zal Annelies Verbeke een welgekozen deel uit haar korte verhaal voorlezen op Uitgelezen Deluxe, het levende boekenprogramma van Vooruit en De Morgen.

info: om 20 uur in de theaterzaal van kunstencentrum Vooruit in Gent, gratis toegang.

www.vooruit.be/uitgelezen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234