Dinsdag 21/09/2021

Niet alle coniferen zijn lelijk

Wie vandaag een conifeer in de tuin plant, wordt door modebewuste tuiniers niet altijd voor vol aanzien. Coniferen zijn immers ouderwets en getuigen van een weinig ontwikkelde tuinsmaak. Taxus ja, daarvan kunnen er niet genoeg geplant worden, maar de rest is absoluut not done.

Toch hebben coniferen heel wat te bieden.

door Paul Geerts

Het feit dat coniferen niet langer populair zijn, heeft ten dele te maken met excessen uit het verleden. Maar er zit zeker ook een flink stuk snobisme bij en een grote dosis onwetendheid. Dat het hart van vele tuiniers-met-goede-smaak niet sneller gaat kloppen bij het zien van voortuintjes waarin een dozijn miniatuurconiferen wedijveren met wat schriele heideplanten, gele tulpen en misschien een eenzame rododendron, is best te begrijpen. Ook een voortuin die bijna volledig is dichtgegroeid met een reusachtige Levensboom (Thuja occidentalis) of waar je niet zonder kleerscheuren kan voorbijlopen omdat de apenverdrietboom (Araucaria araucana) met zijn vlijmscherpe stekels veel te groot is geworden, kan bezwaarlijk als een visitekaartje voor de coniferen worden beschouwd. Om nog te zwijgen van de vele sombere en vormloze hagen van leyland- of lawsoncipressen die onze slaapdorpen teisteren. Ook de miniplantage in de achtertuin waar elk jaar een kerstboom wordt bijgeplant, vormt niet onmiddellijk de beste coniferenreclame.

Een van de problemen met coniferen is dat er dikwijls soorten worden aangeplant die veel te groot worden voor de ruimte waar ze staan. Een libanonceder (Cedrus libani) of blauwe ceder (C. atlantica 'Glauca') behoren tot de meest schilderachtige parkbomen, maar zijn totaal ongeschikt voor de doorsnee tuin. Toch kom je ze daar nog geregeld tegen. Met als gevolg dat ze na 30 jaar moeten worden gekortwiekt vanwege veel te groot geworden. Dat geldt ook voor de verschillende zilversparren (Abies alba of Abies grandis), de Douglasspar (Pseudotsuga menziesii), de hemlockspar (Tsuga), de meeste levensbomen (Thuja) en zeker voor reuzen als de Sequoia, de Metasequoia of de Sequioadendron. Stuk voor stuk prachtige bomen als ze maar de ruimte krijgen. En als ze oud kunnen worden. Met tuinen die om de 10 of 20 jaar van eigenaar veranderen en dan helemaal 'gerestyled' worden, ziet de toekomst er somber uit voor deze coniferen.

Een ander probleem is dat nog al eens wordt overdreven. Een tuin met hoofdzakelijk coniferen ziet er meestal heel somber en doods uit. Dat een tuin niet alleen bestaat uit bloeiende planten en ook in de winter een beetje groen kan gebruiken, is evident. Maar dat hij er het hele jaar door ongeveer hetzelfde uitziet, kan ook weer niet de bedoeling zijn. Tenzij je van plan bent een coniferencollectie te planten waarbij andere criteria dan esthetiek primeren, lijkt het mij een goede vuistregel te zijn om maximaal 20 tot 30 procent wintergroene planten, waaronder enkele coniferen, in de tuin te zetten.

Er bestaan wel een paar coniferen die in de herfst of de winter mooi verkleuren, die in de winter hun blad verliezen of die in het voorjaar heel mooi uitlopen. De meeste Abies- en Picea-soorten hebben bijvoorbeeld een aantrekkelijke lentekleur. De Japanse lork (Larix kaempferi) en vooral de goudlork (Pseudolarix amabilis) kleuren schitterend geel in het najaar en verliezen in de winter hun naalden. Ook de Ginkgo biloba - eigenlijk geen conifeer maar wel een naaktzadige - heeft prachtige herfstkleuren en is bladverliezend. Veel grove dennen verkleuren in de winter geelachtig. En de bergden Pinus mugo 'Wintergold' is in de winter zelfs knalgeel.

Behalve als je over voldoende ruimte beschikt om een van de grote naaldbomen te planten - een daad waarvan spijtig genoeg vooral je kinderen en kleinkinderen zullen genieten, tenzij je een van de sneller groeiende soorten zoals de moerascipres (Taxodium) of de watercipres (Metasequoia glyptostroboides) kiest - is het meestal mooier om coniferen in groepsverband te planten. Maar maak er dan geen mikmak van door geel- of blauwbladige soorten te mengen. Wanneer je meerdere soorten bij elkaar plant, let dan ook op hun groeivorm (pyramidaal, bolvormig, spreidend) en hun omvang na enkele jaren.

Sommige soorten zijn zo bijzonder dat ze toch wel een opvallend plekje verdienen. Zoals de Japanse krans- of parasolden (Sciadopitys verticillata), een traag groeiende soort, vaak in struikvorm met meerdere stammen gekweekt, waarvan de dubbelnaalden als baleinen van een paraplu aan het eind van de scheuten zijn ingeplant. Of de Japanse ceder (Cryptomeria japonica) met een hele mooie roodbruine schors die in repen afbladdert en met lange, lichtgroene schubbladen. Vooral de cultivar 'Elegans', een jeugdvorm die nauwelijks 3 à 4 meter hoog wordt, is erg aantrekkelijk omdat hij alleen jonge naaldvormige bladeren heeft die ongewoon zacht aanvoelen. Bovendien is de bijna paarse winterkleur zeer bijzonder.

Een aantal coniferen hebben in het najaar prachtige kegels die bijna zo mooi zijn als vele bloemen. De klassieke kegel die iedereen kent is de dennenappel, die bestaat uit houtige schubben die in een spiraal over elkaar liggen. Pas als hij rijp is, wat bij sommige soorten meerdere jaren kan duren, gaat hij open om de zaden vrij te laten. Maar ook bij die dennenappels is er een grote variatie. De inlandse grove den (Pinus silvestris) heeft bijvoorbeeld vrij kleine kegels (nauwelijks 3 tot 6 centimeter), bij de zeeden (Pinus pinaster) en de Monterey-den (Pinus radiata) kunnen ze meer dan 15 centimeter lang worden, die van de Pinus wallichiana zelfs 30 centimeter. De Californische Pinus coulteri heeft puntige dennenappels zo groot als meloenen. Hij wordt ook 'widowmaker' (weduwemaker) genoemd omdat de boswachters en jagers die zo'n vallende kegel op hun hoofd krijgen dikwijls dodelijk verwond worden.

De mooiste kegels vinden we bij de sparren (Picea) en de zilversparren (Abies). Bij de zilverspar staan de kegels meestal recht omhoog op de twijgen. Op het ogenblik dat de zaden rijp zijn, vallen de schubben af en blijft alleen nog een dunne spil over op de takken. Bij de sparren hangen ze naar beneden en vallen ze in hun geheel af zodra ze rijp zijn. Ze zijn langwerpig van vorm, bijna perfecte cilinders, en kunnen soms 15 centimeter lang worden. De fijnspar (Picea abies) de soort die meestal als kerstboom wordt gebruikt, heeft lange slanke kegels van 10 tot 15 centimeter met talrijke dunne, leerachtige schubben in regelmatige, elkaar overlappende rijen. Ze zijn eerst groen, later purper en tenslotte roodbruin.

Heel bijzonder tenslotte zijn de ananasvormige kegels van de verschrikkelijke apenverdrietboom (Araucaria araucana), die tot 20 centimeter groot kunnen worden. Na twee jaar zijn ze rijp (wat in ons klimaat niet altijd gebeurt) en verkleuren ze bruin. De vrij grote zaden zijn eetbaar en smaken naar tamme kastanjes.

Coniferenwandeling

Op zaterdag 15 november om 14 uur vindt in arboretum Trompenburg in Rotterdam een wandelingplaats met speciale aandacht voor coniferen. Info bij Arboretum Trompenburg, Honingerdijk 86, 3062 NX Rotterdam, 0031-10/233.01.66, arboretum@trompenburg.nl, www.trompenburg.nl. Ook in de Nationale Plantentuin van Meise worden in de loop van november en december coniferen- en kegelwandelingen georganiseerd. Info bij de Nationale Plantentuin van België, Domein van Bouchout, 1860 Meise, 02/260.09.70.

Een aantal coniferen hebben in het najaar prachtige kegels die bijna zo mooi zijn als vele bloemen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234