Maandag 25/01/2021

Niemand vond bewijzen, maar gelukkig

Ontevreden over het werk van de Amerikaanse inlichtingendiensten, die er maar niet in slaagden een verband te vinden tussen de aanslagen van 11 september en het Iraakse regime, besloot minister Rumsfeld om zijn eigen mensen aan het werk te zetten. De gevolgen zijn blijkbaar niet te overzien

was er nog het ministerie van vuile trucs

Waarom vonden hoge Amerikaanse regeringsfunctionarissen het nodig om de naam van een van hun eigen CIA-undercoveragenten te grabbel te gooien? Hoe is het mogelijk dat informatie waarvan de Amerikaanse inlichtingendiensten wisten dat ze pertinent onjuist was door president Bush gebruikt werd in zijn State of the Union? En wie vervalste de documenten over de vermeende aankoop van uranium in Niger door het regime van Saddam Hoessein? Veel vragen, en langzaam maar zeker komen er ook antwoorden.

Georges Timmerman

In Niamey, de hoofdstad van Niger, bestaan geen geheimen. Toen er eind 2001 het gerucht circuleerde dat Irak de regering van Niger had benaderd met de vraag om 500 ton uraniumoxide of yellowcake te kopen, duurde het niet lang of de Amerikaanse ambassade en de lokale CIA-antenne waren op de hoogte. Vijf ton van dat goedje volstaat om een atoombom te maken. De geciteerde hoeveelheid is dus reusachtig groot en het internationaal consortium Cogema, dat in Niger uranium ontgint, wordt zorgvuldig in de gaten gehouden door het Internationaal Atoomagentschap, dat erop toekijkt dat geen gevaarlijk materiaal in verkeerde handen valt.

De Amerikaanse ambassade in Niamey stuurde een telex naar Washington om het gerucht te signaleren en meteen ook te ontzenuwen: er klopt niks van. "Misschien valt hier toch iets mee aan te vangen", leek vice-president Dick Cheney echter te denken, want hij schakelde de CIA in om het gerucht toch nader te onderzoeken. De inlichtingendienst deed op zijn beurt een beroep op de gepensioneerde diplomaat Joseph C. Wilson IV, die in februari 2002 op kosten van de Amerikaanse regering voor acht dagen naar Niger werd gestuurd. Ook hij kwam tot de conclusie dat het loos alarm was.

Begin maart bracht Wilson mondeling verslag uit over zijn bevindingen. Daarover werden ten minste drie rapporten opgesteld: een door de VS-ambassadeur in Niger, een door de politieke afdeling van de ambassade en een door de CIA. Vice-president Cheney moet die rapporten gezien hebben en de essentie ervan werd via het Joint Intelligence Committee doorgespeeld aan de Britse regering. Daarmee leek de kous af.

Een half jaar later, in oktober 2002, kreeg de Italiaanse journaliste Elisabetta Burba van een tot nog toe onbekende bron een pakket documenten die alsnog moesten bewijzen dat het regime van Saddam Hoessein in de loop van 1999 geprobeerd had om 500 ton yellowcake te kopen in Niger. Het ging om vertrouwelijke briefwisseling, in het Frans, tussen de regeringen van Niger en Irak en een ontwerpcontract, een protocol d'accord, getekend in Niamey op 5 en 6 juli 2000, tussen beide regeringen.

Ook Burba reisde naar Naimey om de zaak te onderzoeken. Ze kwam tot de conclusie dat het om vervalste stukken ging en bezorgde de documenten aan de Amerikaanse ambassade in Rome. Via dat kanaal kwamen ze terecht bij het Office for Special Plans (OSP), een parallel ad-hocinlichtingencircuit en een nieuw department of dirty tricks, in het leven geroepen door minister van Defensie Donald Rumsfeld en vice-minister van Defensie Paul Wolfowitz.

Ontevreden over het werk van de klassieke Amerikaanse inlichtingendiensten, die er maar niet in slaagden om een verband te vinden tussen de Al-Qaeda-aanslagen van 11 september 2001 en het Iraakse regime en evenmin een begin van bewijs konden leveren van het bestaan van massavernietigingswapens in Irak, besloot Rumsfeld zijn eigen mensen aan het werk te zetten, met als enige en dwingende opdracht: bezwarend materiaal verzamelen tegen het regime van Saddam Hoessein, zodat een preventieve oorlog tegen Irak gerechtvaardigd kon worden.

Het OSP fungeerde als een alternatief spionagecircuit, los van de CIA en de andere bestaande geheime diensten, werd gefinancierd door rechtse neoconservatieve kringen en ontsnapte aan elke controle door het Amerikaanse parlement. Dit ideologisch geïnspireerde netwerk leverde het Witte Huis bewijsmateriaal dat "zeer voorbarig en vaak ongegrond" bleek. De door het OSP verzamelde informatie werd niet gedeeld met de gevestigde inlichtingendiensten en ging vaak rechtstreeks naar de Nationale Veiligheidsraad en de president.

De dienst werd geleid door neoconservatief Abram Shulsky en bemand door een kleine, harde kern van acht of negen man, onder wie vice-minister van Defensie William Luti, Lewis 'Scooter' Libby, de stafchef van Cheney, en Newt Gingrich, de vroegere Republikeinse partijleider. Die cel werd aangevuld met tijdelijke consultants, op een bepaald moment meer dan honderd, afkomstig uit de vele rechtse denktanks die Washington rijk is. De activiteiten van het OSP ondermijnden ernstig de geloofwaardigheid van de klassieke inlichtingendiensten.

"Dit is geen inlichtingenwerk, maar politieke propaganda", stelde een voormalig directeur van het Defense Intelligence Agency (DIA), de militaire tegenhanger van de CIA. Bovendien werd het OSP ook gevoed met informatie afkomstig van een soortgelijke en even schimmige organisatie in Israël, ondergebracht bij de diensten van de Israëlische eerste minister Ariel Sharon. Deze dienst produceerde eveneens inlichtingenrapporten over Irak, en wel in het Engels, niet in het Hebreeuws, en stuurde ze door naar het OSP. Een aantal niet-geïdentificeerde Israëli's liep de OSP-kantoren in het Pentagon ongehinderd in en uit. Die Israëlische dienst, die volledig onafhankelijk van de Mossad werkte, was volgens een organisatie van gepensioneerde Amerikaanse geheim agenten mogelijk de bron van de vervalste Niger-documenten. In dat verband wordt gewezen op de inbraak in het appartement van een lid van de ambassade van Niger in Rome op 2 januari 2001. Er volgde nog een tweede inbraak, deze keer in de ambassade zelf, op 31 januari, waarbij telkens blanco briefpapier en documenten werden gestolen.

Hoe dan ook, in september 2002 pakte de Britse regering uit met een witboek waarin de 'bewijzen' tegen het Iraakse regime openbaar werden gemaakt. In dat witboek stelde de regering van Tony Blair dat "Irak geprobeerd heeft om belangrijke hoeveelheden uranium te kopen van een niet nader genoemd Afrikaans land". Premier Blair preciseerde dat het bewijsmateriaal grotendeels gebaseerd was op het werk van het Joint Intelligence Committee. Dat alles stelde president George W. Bush in staat om tijdens zijn State of the Union-toespraak van 28 januari 2003 de inmiddels beruchte zestien woorden op te nemen: "The British government has learned that Saddam Hussein recently sought significant quantities of uranium from Africa." (De Britse regering heeft vernomen dat Saddam Hoessein recentelijk geprobeerd heeft om belangrijke hoeveelheden uranium te kopen in Afrika).

Het doembeeld van de Iraakse dictator die op het punt staat de VS te treffen met atoomwapens miste zijn effect niet. Eind vorig jaar geloofde 90 procent van de Amerikanen dat Saddam op het punt stond om massavernietigingswapens in te zetten.

"We kunnen niet wachten op het finale bewijs, de smoking gun in de vorm van een paddestoelwolk", verklaarde president Bush. Vrijwel alle topministers van de regering-Bush namen het uraniumverhaal over, met uitzondering van minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die het "bullshit" noemde. Toch kreeg het wapeninspectieteam van de Verenigde Naties onder leiding van Hans Blix onder druk van de Amerikaanse regering geen tijd meer om zijn werk te doen en werd het teruggetrokken.

Op 20 maart begon het Amerikaanse leger zijn offensief tegen Badgad. Vervolgens werd het Office of Special Plans in stilte opgedoekt. Terwijl het krijgsgewoel alle aandacht van de media opeiste, kwam het Internationaal Atoomagentschap - dat na lang aandringen de Niger-documenten van de Amerikaanse regering had gekregen - tot de vaststelling dat het om vervalsingen ging. IAP-directeur Mohammed El Baradei verklaarde in maart jl. aan de VN-Veiligheidsraad dat de documenten "niet authentiek" waren. Amateuristisch knip- en plakwerk, zo beschrijven kenners de vervalsingen. Een paar eenvoudige zoekopdrachten via het internet maken dat in een handomdraai duidelijk. Iemand die wordt opgevoerd als minister van Defensie van de regering van Niger was dat al veertien jaar niet meer. Op een van de brieven prijkt een manifest vervalste handtekening van de president van Niger. Een ander document staat op briefpapier van de militaire regering van Niger van de jaren tachtig, maar is gedateerd op oktober 2000.

Sinds maart is het FBI bezig met een onderzoek naar de vervalsingen, inclusief de mogelijkheid dat een buitenlandse regering een desinformatiecampagne heeft gevoerd om een militaire actie tegen Irak uit te lokken.

Gewezen ambassadeur Joseph Wilson kon niet langer zwijgen. Hij publiceerde op 6 juli een opiniestuk in The New York Times waarin hij uitlegde hoe hij al in februari 2001, na zijn reis naar Niamey, het yellowcake-verhaal naar het rijk der fabelen had verwezen. Een dag later moest het Witte Huis toegeven dat president Bush een foutje had gemaakt.

Paradoxaal genoeg werd de schuld voor de misser in de schoenen geschoven van de CIA, die nota bene de Niger-documenten pas na de toespraak van Bush in handen kreeg. CIA-directeur George Tenet speelde het tactisch en aanvaardde de rol van zondebok, maar was wel zo slim om tegelijk de CIA een intern onderzoek te laten voeren naar de affaire.

Precies een week na het opiniestuk van Wilson sloeg het department of dirty tricks terug. Via een bevriend journalist werd de echtgenote van diplomaat Wilson ontmaskerd als undercover-CIA-agente. "Wilson heeft nooit voor de CIA gewerkt", schreef Bob Novak in The Washington Post, "maar zijn echtgenote, Valery Plame, is als geheim agent werkzaam op het gebied van massavernietigingswapens. Twee hoge regeringsambtenaren hebben mij verteld dat de suggestie om Wilson naar Niger te sturen afkomstig was van zijn echtgenote."

Wat de relevantie is van die onthulling is onduidelijk, tenzij ze bedoeld is als wraak voor de interventie van Wilson en als afschrikking aan het adres van andere Amerikaanse regeringsambtenaren die het in hun hoofd zouden halen om soortgelijke standpunten in te nemen. De carrière van mevrouw Wilson is alvast gebroken, mogelijk is zelfs haar leven en dat van haar informanten in gevaar gebracht.

Onder druk van vooraanstaande politici van de Democratische partij is het Amerikaanse gerecht afgelopen week begonnen met een onderzoek naar wie verantwoordelijk is voor het lek. Het bekendmaken van de identiteit van een operationele agent van de inlichtingendiensten is volgens de Amerikaanse wet immers een strafbaar feit. Wilson zelf wees met een beschuldigende vinger in de richting van Karl Rove, de belangrijkste adviseur en mentor van president Bush himself en een oude vriend van Bob Novak. Volgens kenners volstaat het om de telefoonlistings van het Witte Huis op te vragen en te controleren wie met wie belde. Hooguit een dozijn senior officials (hoge regeringsambtenaren) was op het hoogte van het werk van Valery Plame.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234