Woensdag 25/05/2022

Niemand is een vreemdeling

Adam HochschildDe geest van koning Leopold II en de plundering van de Kongo

Voor koning Leopold II betekende de Kongo Vrijstaat 23 jaar lang een bron van inkomsten, een rijkdom die hij kwistig besteedde aan monumenten en luxegewaden voor zijn minnaressen. In de Kongo zelf - het land van de afgehakte handen - zou hij nooit een voet zetten. De exploratie ervan ging gepaard met een zwarte holocaust, die het leven heeft gekost aan naar schatting tien miljoen mensen - vermoord, of gestorven door honger, ontbering, uitputting of ziekte. In zijn boek De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo beschrijft de Amerikaanse auteur Adam Hochschild niet alleen het verhaal van de gruweldaden in Leopolds privé-domein maar ook het ontstaan van de eerste grote mensenrechtenbeweging van de eeuw, aangevoerd door de Engelsman Edmund Morel. Aan de hand van de oorspronkelijke getuigenissen van Afrikanen schreef Hochschild een meeslepend verhaal over een drama dat niet vergeten mag worden. Een uittreksel.

Uit de ruwe, ongeredigeerde getuigenissen afgelegd voor de Commissie van Onderzoek komt de heerschappij van koning Leopold II eindelijk onverhuld naar buiten. Er kon geen excuus zijn dat dit informatie was die was verzameld door vijanden van de koning, want de drie leden van de commissie waren er door Leopold zelf naartoe gestuurd. Er kon geen excuus zijn dat mensen verhalen verzonnen, want soms waren er veel getuigen die één en dezelfde wreedheid beschreven. En er kon geen excuus zijn dat de getuigen ontevreden luilakken waren, want velen riskeerden hun leven louter door met de leden van de commissie te spreken.

Toen Raoul van Calcken, een werknemer van de Anglo-Belgian India Rubber Company, twee Afrikanen, Lilongo en Ifomi, tegenkwam die op weg waren naar de commissie, gaf hij bevel hen gevangen te nemen. "Toen zei hij tegen de schildwachten dat ze ons aan twee bomen moesten vastbinden met onze rug tegen de bomen en onze voeten boven de grond," vertelde Lilongo tegen een Britse missionaris. "Onze armen werden uitgestrekt boven ons hoofd. (...) Kijk maar eens naar de littekens over mijn hele lichaam. We bleven op deze manier enkele dagen en nachten hangen. (...) We hadden de hele tijd niets te eten of te drinken, en soms regende het en andere keren scheen de zon. (...) We huilden en huilden totdat er geen tranen meer wilden komen - het was niet minder dan de pijn van de dood. Terwijl we daar hingen, sloegen drie schildwachten en de blanke man met grote harde stokken tegen onze geslachtsdelen, op onze nek en andere delen van ons lichaam totdat we flauwvielen." Ifomi stierf en Van Calcken gaf opdracht zijn lichaam in de rivier te gooien. Lilongo overleefde het, legde getuigenis af voor de commissie en werd door zijn jongere broer naar huis gedragen.

De getuigenis die Lilongo en anderen aflegden voor de commissie is opgenomen op formulieren met in het brievenhoofd de volledige benaming van de commissie ('Commissie van Onderzoek ingesteld bij het decreet van de koning-soeverein gedateerd 23 juli 1904') en de namen en titels van de drie commissieleden, gevolgd door open plekken voor de namen van de secretaris, de getuigen die zwoeren de hele waarheid en niets dan de waarheid te vertellen, en de tolk. Dan komen hun verhalen.

Getuige Ilange Kunda uit M'Bongo: "Ik kende Malu Malu (Snel Snel - de Afrikaanse benaming voor een luitenant van de Force Publique genaamd Charles Massard). Hij was erg wreed; hij dwong ons rubber te brengen. Op een dag zag ik met mijn eigen ogen dat hij een inheemse man genaamd Bongiyangwa doodde, alleen omdat hij vond dat van de vijftig manden rubber die hem waren gebracht er één niet vol genoeg was. Malu Malu beval soldaat Tshumpa om Bongiyangwa te pakken en hem aan een palmboom vast te binden. Er waren drie stel knevels: een op kniehoogte, een tweede ter hoogte van zijn maag en een derde die om zijn armen knelde. Malu Malu had zijn patronenhuls aan zijn riem hangen; hij pakte zijn geweer, schoot van een afstand van ongeveer twintig meter en met één kogel doodde hij Bongiyangwa. (...) Ik zag de wond. De ongelukkige man slaakte één kreet en was dood."

Getuige M'Putila uit Bokote: "Zoals u ziet is mijn rechterhand afgesneden. (...) Toen ik nog heel klein was, kwamen de soldaten om oorlog te voeren in mijn dorp vanwege de rubber. (...) Terwijl ik wegvluchtte, schampte een kogel mijn nek en bezorgde me de wond waarvan u de littekens nog kunt zien. Ik viel en deed alsof ik dood was. Een soldaat gebruikte een mes om mijn rechterhand af te snijden en nam deze mee. Ik zag dat hij andere afgesneden handen bij zich had. (...) Diezelfde dag werden mijn vader en moeder gedood, en ik weet dat hun handen werden afgesneden."

Getuige Ekuku, opperhoofd van Boiéka: "Ik kende Jungi goed. Hij is ongeveer twee maanden geleden gestorven als gevolg van de zweepslagen die hij had gekregen. Ik zag hoe hij werd geslagen en hoe hij stierf. Het was ongeveer drie tot vier meter afstand van de veranda van de blanke man, op de plaats die ik u heb getoond, tussen de twee cactussen. Ze legden hem languit op de grond. De blanke man Ekotolongo (Molle) hield zijn hoofd vast terwijl Nkoi (Ablay), die bij zijn voeten stond, hem met een rotting sloeg. Drie rottingen werden gebroken tijdens de executie. Ten slotte schopte Nkoi Jungi enkele malen en zei tegen hem dat hij moest opstaan. Toen hij zich niet verroerde, zei Ekate tegen de blanke man: 'Deze man is dood. U hebt hem vermoord. (...)' De blanke man antwoordde: 'Dat kan me geen donder schelen. De rechters zijn blank net als ik.' (...) Jungi werd de volgende dag begraven. (...) Jungi was een oude man, maar hij was gezond geweest."

Getuige Mingo uit Mampoko: "Terwijl ik aan het werk was bij het maken van bakstenen in Mampoko, gebeurde het twee keer dat de schildwachten Nkusu Lomboto en Itokwa om me te straffen mijn rok omhoog trokken en klei in mijn vagina stopten, wat me vreselijk pijn deed. De blanke man Likwama (een bedrijfsagent genaamd Henri Spelier) zag me met klei in mijn vagina. Hij zei niet meer dan: 'Als je doodgaat terwijl je voor mij werkt, zullen ze je in de rivier gooien.'"

En zo gaan de verklaringen door, verhaal na verhaal, bij honderden. Hier was eindelijk iets wat de rest van de wereld zelden had gehoord uit de Kongo: de stemmen van de Kongolezen zelf. Bij weinig andere gelegenheden tijdens de hele Europese strijd om Afrika had iemand zo'n navrante verzameling Afrikaanse getuigenissen uit de eerste hand aangelegd. De uitwerking op iemand die deze verhalen las, kon alleen maar overweldigende afschuw zijn. Niemand las ze echter.

Ondanks de kritische conclusies van het rapport werden de verklaringen van de Afrikaanse getuigen nooit rechtstreeks geciteerd. Het rapport van de commissie verwoordde algemeenheden. De verhalen werden niet afzonderlijk gepubliceerd en evenmin mochten ze door derden worden ingezien. Ze kwamen terecht in de gesloten afdeling van het staatsarchief in Brussel. Pas in de jaren tachtig van deze eeuw mochten mensen ze eindelijk vrij lezen en kopiëren.

Op het moment dat hij met zijn listige truc het vrijgeven van het rapport van de Commissie van Onderzoek een andere wending gaf, was Leopold zeventig. Naarmate hij ouder werd, leek hij steeds vaker op reis te zijn. Hij meed Brussel zo veel mogelijk, en zelfs wanneer hij daar was toonde hij zijn minachting voor alles wat Belgisch was door al het vlees voor zijn tafel te laten overkomen uit Parijs. Hij gaf er de voorkeur aan in het buitenland te verblijven. Hij kocht een Frans kasteel voor Caroline en logeerde daar dikwijls bij haar. Hij bezocht graag Parijs, waar hij een keer het hele Franse kabinet mee uit dineren nam. Iedere winter reisde hij naar het zuiden, naar de Rivièra, in zijn privé-spoorwagon, waarvan de groenleren stoelen waren versierd met goud.

Terwijl ingesneeuwde Belgen ziedden van woede en koeriers op en neer reisden naar Brussel en terug, woonde en werkte hij maandenlang aan boord van zijn jacht, de lange, ranke Alberta, dat met stoom of zeilen voortgedreven kon worden. Tijdens deze winters aan de Rivièra installeerde Leopold Caroline in een luxueus huis aan de kust, de Villa des Cèdres. "Iedere avond," schrijft ze, "bracht een stoomsloep de koning (...) naar een steiger die via een ondergrondse passage naar mijn villa liep. Nu ik dit vertel, kan ik niet nalaten op te merken wat een buitengewone voorkeur de koning had voor alles wat (...) geheim en mysterieus van aard was. Iedereen kon hem een huis verkopen zolang het maar was gebouwd op de rand van een verlaten steengroeve of een geheime trap had."

Zelfs wanneer hij zich ertoe kon brengen in zijn frustrerend kleine landje te blijven, reisde Leopold heen en weer tussen het kasteel van Laken, het koninklijk buiten op het strand bij Oostende en twee andere kastelen. Ploegen vaklui waren voortdurend bezig deze gebouwen te renoveren, nieuwe kamers, bijgebouwen en gevels toe te voegen. In Laken installeerden bouwvakkers een lift uitgevoerd in Italiaanse renaissancestijl en een 'Chinees paviljoen' (merkwaardig genoeg voorzien van een Frans restaurant), dat een miljoen frank had gekost en open stond voor het publiek. Het was bedoeld als de eerste in een reeks gebouwen die verschillende delen van de wereld voorstelden. Leopolds nooit aflatende architectonische bemoeizucht strekte zich uit tot zowel de gebouwen die hij kon zien als tot die waarin hij woonde. Hij wilde bijvoorbeeld "het hart van Oostende versieren met aantrekkelijke uniforme gevels". Hij bood een buurman vijfentwintigduizend frank om zijn huis te voorzien van een voorgevel ontworpen door Leopolds lievelingsarchitect, de Fransman Charles Girault. Toen de eigenaar het aanbod afsloeg, werd het huis onteigend.

De koning ging Girault vaak in Parijs opzoeken, waar hij in de studio van de architect plaatsnam aan een tafel en stapels blauwdrukken doornam. Hij bezocht ook graag bouwterreinen. "Vraag de minister van Publieke Werken woensdag om negen uur in Brussel op het paleis te komen," droeg hij zijn particuliere secretaris op een dag in 1908 op. "Ik wil met hem naar het Sint-Gillespark gaan en daar om halftien zijn. Dan naar de jubelboog om elf uur. Dan lunch op het paleis rond halfeen, dan om twee uur naar Laken. Een stop bij de brug over het kanaal tegenover de Groendreef. Om drie uur de Van Praetlaan en de Japanse Toren. Om vier uur de Meiseselaan en de Heizelstraat." Toen hij opdracht gaf tot bouwwerkzaamheden in de buurt van het koninklijk paleis in Brussel, liet Leopold een speciale houten steiger bouwen van waaruit hij kon zien hoe het werk opschoot.

Met zijn bezoekers marchandeerde de koning altijd subtiel om manieren te vinden zijn macht vergroten. Théophile Delclassé, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, merkte op dat Leopolds "enige gebrek is dat hij zijn intelligentie niet kan verhullen; men wordt argwanend en vreest om de tuin geleid te worden". De Zuid-Afrikaanse diamantkoning Cecil Rhodes, de enige andere blanke wiens grenzeloze invloed in Afrika die van Leopold evenaarde, zei eens voor de grap dat hij een uitnodiging om te komen dineren op het paleis had afgeslagen omdat "ieder geaccepteerd diner een provincie kost". In Laken waren dienaren het gewend 's konings grote, bebaarde, kaalhoofdige gestalte met zijn strenge bruine ogen en grote neus, gekleed in het uniform van een luitenant-generaal, urenlang te zien lopen, leunend op zijn eiken wandelstok, tussen de palmbomen en overige tropische planten in de kassen en over de lanen van het uitgestrekte domein van het kasteel.

Hij vertoonde steeds meer zonderlinge gedragingen. Soms fietste hij op een grote driewieler, die hij 'mon animal' noemde, naar ontmoetingen met Caroline. Hij was nog steeds bang voor bacteriën en raakte er ook van overtuigd dat het goed voor zijn gezondheid was om iedere dag grote hoeveelheden heet water te drinken; dienaren hadden altijd een karaf klaarstaan. Het hofprotocol bleef even formeel als altijd, waarvoor Leopold de toon zette, die langzaam en majesteitelijk sprak, "alsof," schreven Joseph Conrad en Ford Madox Ford in het nauw verhulde portret van hem in hun roman The Inheritors, "hij altijd heildronken op zijn gezondheid beantwoordde". Leopold was er ook toe overgegaan over zichzelf te spreken in de derde persoon. "Breng Hem wat heet water!" "Roep zijn dokter voor Hem!" "Breng Hem zijn wandelstok!"

Het bevel dat hij echt wilde geven was: "Neem Hem zijn Kongo niet af!" Want dankzij Morels campagne en het rapport van zijn eigen Commissie van Onderzoek werd van alle kanten de druk op hem opgevoerd om het land dat hij als zijn particuliere eigendom beschouwde op te geven. Slechts één alternatief voor Leopolds heerschappij over de Kongo werd ooit serieus in aanmerking genomen: dat het land een kolonie van België werd. Zelfs Morel, gefrustreerd door het gebrek aan politiek haalbare keuzes, verklaarde zich met tegenzin een voorstander van wat bekend stond als 'de Belgische oplossing'. Als zo'n stap gepaard ging met de juiste hervormingen - en Morel drong daar voortdurend op aan - meende hij dat de rechten van de Kongolezen beter beschermd konden worden in een Belgische kolonie die onder toezicht stond en waar het recht in stand werd gehouden, dan in een heimelijk koninklijk leengoed.

Dat weinig hervormers iets anders in overweging namen dan de 'Belgische oplossing', komt vandaag de dag verbazingwekkend op ons over, maar dan vergeten we dat in het eerste decennium van de eeuw de idee van onafhankelijkheid en zelfbestuur in Afrika bijna door niemand naar voren werd gebracht behalve door een paar in het nauw gebrachte rebellen diep in het regenwoud van de Kongo. In 1890 had George Washington Williams zich uitgesproken voor een bestuur in de Kongo dat "plaatselijk, niet-Europees; internationaal, niet nationaal" zou zijn. Maar er zou meer dan dertig jaar overheen gaan voordat zelfs de vurigste antikolonialistische intellectuelen in Europa, Afrika of Amerika zoiets zouden herhalen.

Voor Leopold was de internationale uitbarsting van negatieve publiciteit waartoe de ramp met Kowalsky de aanzet had gegeven een keerpunt. In plaats van de Kongo grootmoedig aan België na te laten bij zijn overlijden, zoals hij van plan was geweest, begreep hij dat er niets anders op zat dan de overdracht eerder plaats te doen vinden. Met zijn buitengewone vermogen het beste te maken van een ogenschijnlijk moeilijke situatie, begon hij zijn lijnen uit te zetten. Als deze hemelbestormers hem dwongen zijn geliefde kolonie op te geven, besloot hij, zou hij die niet zomaar van de hand doen. Hij ging hem verkopen. En België, de koper, zou er diep voor in de buidel moeten tasten.

Vreemd genoeg had Leopold de Belgische regering in de hoek gedrongen. De beweging ter hervorming van de Kongo had de gemoederen zo opgehitst dat de internationale reputatie van België op het spel stond. En het vermogen tot morele verontwaardiging bij het Britse publiek betekende een macht die onafhankelijk van de regering functioneerde: rond die tijd waren sommige Britse mensenrechtenactivisten bezig een boycot van Portugese producten te organiseren vanwege het feit dat Portugal in Afrika dwangarbeid toepaste. Bovendien, als België niet snel de kolonie overnam, zou een machtig land dat wel kunnen doen: Frankrijk en Duitsland, die allang jaloers waren op de lucratieve rubberwinsten van de koning, hadden hun zinnen gezet op delen van het Kongogebied. President Roosevelt liet doorschemeren dat hij bereid was samen met Groot-Brittannië een internationale conferentie bijeen te roepen om het lot van de Kongo te bespreken.

Driemaal gingen de Britse en Amerikaanse minister in Brussel samen naar de Belgische minister van Buitenlandse Zaken om aan te dringen op annexatie. Maar hoe nauwkeurig beperkt Leopolds macht in België zelf ook was, de bezorgde Belgische regering had geen wettelijk gezag over hem om zijn rol als heerser van de Kongo. Uiteindelijk hield de koning de troefkaarten in handen, en hij wist het.

Hoeveel kon hij de regering hem dan voor zijn kolonie laten betalen? Eind 1906 begonnen de onderhandelingen, maar die liepen al snel vast omdat de regering geen inzicht kreeg in de geheimzinnige financiën van de overheid van de Kongo. Als je een zakelijke onderneming koopt, wil je tenslotte de winst- en verliesrekening zien. Leopold was aan het overwinteren in Cap Ferrat en de regering stuurde de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken, baron Léon van der Elst, erheen om hem te spreken. De koning ontving de baron op zijn jacht, overlaadde hem enkele dagen met gastvrijheid en liet hem de tuinen van zijn groeiende bezittingen aan de kust zien.

Maar toen de baron om financiële gegevens vroeg, antwoordde Leopold dat de Kongostaat "aan niemand verantwoording verschuldigd is behalve aan haar stichter. (...) Niemand heeft het recht om haar boeken te vragen." Een reden voor deze halsstarrigheid, bleek toen accountants eindelijk wat getallen te zien kregen, was dat de vijfentwintig miljoen frank die de Belgische regering hem in 1890 had geleend, plus nog eens bijna zeven miljoen die hij een paar jaar later had geleend, verdwenen waren. Een Antwerpse krant opperde dat het geld naar Caroline was gegaan. De koning monkelde en mopperde en weigerde op nadere vragen in te gaan.

De onderhandelingen sleepten zich voort gedurende heel 1907 en tot begin 1908. Leopold raasde en tierde tegen de ambtenaren die met hem probeerden te praten. Op een gegeven moment smeet hij de deur voor de neus van zijn secretaris dicht en betichtte hem ervan onder één hoedje te spelen met de lieden die hem zijn Kongo wilden afnemen. Maar net als zijn charme waren de woede-uitbarstingen van de koning berekend. Met de tijd die hij ermee won deed hij in het geheim al het mogelijke om zijn verbijsterende web van dankzij de Kongo verworven rijkdommen te verstoppen, onderwijl bij hoog en laag volhoudend dat hij helemaal niet over een dergelijk vermogen beschikte: "Ik ben de heerser van de Kongo, maar de welvaart van het land heeft financieel gezien niet meer invloed op mij dan dat de welvaart van Amerika de middelen van president Roosevelt verhoogt," zei hij tegen een Amerikaanse correspondent. "Ik heb geen cent geïnvesteerd in de industrieën van de Kongo en ik heb geen salaris ontvangen als bestuurder van de Kongo."

Ten slotte liet de koning doorschemeren dat hij bereid was toe te geven. Hij noemde zijn prijs. Hij gaf een beetje mee, maar niet veel, en in maart 1908 was de overeenkomst gesloten. In ruil voor het verkrijgen van de Kongo verklaarde de Belgische regering zich allereerst bereid zijn schuld ten bedrage van honderd en tien miljoen frank over te nemen, die voor het grootste deel bestond in de vorm van obligaties die Leopold in de loop der jaren zo ruim had uitgegeven aan gunstelingen zoals Caroline. Een deel van de schuld die de in de luren gelegde Belgische regering op zich nam was in feite aan zichzelf - de bijna tweeëndertig miljoen frank aan leningen die Leopold nooit had terugbetaald. Als onderdeel van de afspraak ging België er ook mee akkoord 45,5 miljoen frank te betalen voor het voltooien van sommige van de geliefde bouwprojecten van de koning.

Niet minder dan een derde van het bedrag was bestemd voor de uitgebreide renovaties die werden uitgevoerd in Laken, dat al een van de meest luxueuze koninklijke woonstedes in Europa was, waar tijdens het hoogtepunt van de bouwactiviteiten zevenhonderd steenhouwers, honderdvijftig paarden en zeven stoomkranen aan het werk waren geweest om volgens een grandioze Leopoldiaanse blauwdruk een centrum voor wereldconferenties te bouwen. Ten slotte, boven op dit alles, zou Leopold in termijnen nog een vijftig miljoen frank ontvangen "ten teken van de erkentelijkheid voor de grote offers die hij zich heeft getroost voor de Kongo". Het was niet de bedoeling dat die geldbedragen door de Belgische belastingbetaler werden opgebracht. Ze zouden uit de Kongo zelf worden gehaald.

In november 1908, terwijl een plechtige ceremonie in Boma de formele eigendomsoverdracht van de Kongo markeerde, ontvouwde zich een ongebruikelijk drama in het binnenland. Louter het feit dat het was begonnen onder Leopold en zonder onderbreking werd vervolgd in de nieuwe Belgische kolonie, geeft aan dat het verschil tussen de twee regimes niet was wat de hervormers hadden gehoopt. In het middelpunt ervan stond de zwarte Amerikaanse missionaris William Sheppard. Sheppards artikel van een decennium eerder, over zijn ontdekking van eenentachtig afgehakte handen die werden gerookt boven een vuur, was een van de vaakst geciteerde getuigenissen over de Kongo. "Zijn ooggetuigeverslag," schrijft een onderzoeker, "werd aangehaald door bijna iedere Amerikaanse hervormer, zwart of blank."

Sinds enkele jaren had Sheppard een sterke bondgenoot gehad in zijn baas, William Morrison, een blanke dominee die sinds 1897 aan het hoofd stond van de Kongo-missie van de zuidelijke presbyterianen. Morisson was een onverschrokken tegenstander van het regime, een vriend van Morel en een voortrekker bij het inspireren van zijn medemissionarissen - Amerikanen, Britten en Scandinaviërs - om misstanden aan de kaak te stellen. Hij had functionarissen in Boma gebombardeerd met protestbrieven, een open brief aan Leopold gepubliceerd en een invloedrijke toespraak gehouden op doorreis door Londen. In de Verenigde Staten had hij aan het hoofd gestaan van een groep presbyterianen die president Theodore Roosevelt was gaan spreken over de Kongo. Het regime, op zijn beurt, haatte Morrison even erg als Sheppard.

Sheppard en Morrison waren het meest uitgesproken van de Amerikaanse Kongo-missionarissen, wier protesten Leopold tegen de haren in hadden gestreken. Hij had opdracht gegeven missietijdschriften door te kijken naar vijandige artikelen van hun hand; sommige exemplaren daarvan bestaan nog, met overal aantekeningen in blauw potlood door paleismedewerkers. Leopold kon zijn echte doelwit, Morel, die veilig in Engeland was, niet aanpakken, maar hij had hardnekkig geprobeerd Morels bronnen te intimideren: in 1906 had hij een decreet uitgevaardigd op grond waarvan dwingend een boete of een gevangenisstraf werd opgelegd voor het belasteren van een overheidsfunctionaris van de Kongo. Een Britse baptistenmissionaris die Morel van informatie had voorzien, werd algauw voor de rechter gedaagd. Hij werd veroordeeld tot een boete van duizend frank plus de kosten van de rechtszaak en omdat hij minder kruisvaarder was dan Sheppard of Morrison, verliet hij het land. De kleine ploeg Amerikaanse presbyterianen zag dat het nu riskanter was openlijk het regime in de Kongo te hekelen; de autoriteiten hielden hen nauwlettend in de gaten, zowel in Afrika als in het buitenland.

Zonder dat een van hen het wist, had Moncheur, de Belgische minister in Washington, in Virginia een van de vele toespraken bijgewoond die de voorpagina's van de kranten haalden en waarin de wreedheden in de Kongo aan de kaak werden geteld; deze toespraak was gehouden door Sheppard, die omdat hij vermaard was voor zijn meeslepende welbespraaktheid veel kerken en zalen vol kreeg tijdens zijn verlofperiodes in eigen land.

Terwijl Leopolds heerschappij ten einde liep, probeerde de Compagnie du Kasai, een concessiemaatschappij van een nieuwe generatie die de facto-regering was van het gebied waar de presbyterianen werkten, zoveel mogelijk rubber binnen te halen zolang de vraag het grootst was. Het stroombekken van de Kasai, waar de ontginning een beetje later was begonnen dan elders, was de lucratiefste vindplaats van rubber in de hele Kongo geworden. En wie verscheen plotseling weer ten tonele, enkele maanden op bezoek in het gebied als inspecteur-generaal van de Compagnie du Kasai, iemand die de maatschappelijke ladder had beklommen sinds we hem voor het laatst tegenkwamen? Léon Rom, de voormalige verzamelaar van afgehakte hoofden. Zijn transformatie tot een beambte van een Kongo-bedrijf was niet ongebruikelijk voor gepensioneerde Force Publique-officieren.

In het Kasaigebied was het normaal gesproken vredelievende Kuba-volk in opstand gekomen tegen de rubberterreur, aangezwengeld - zoals ook was gebeurd bij soortgelijke tot mislukken gedoemde opstanden elders in zuidelijk Afrika - door stamoudsten met een fetisj waarvan werd gezegd dat hij de kogels van de blanken in water kon veranderen. De rebellen staken handelsposten en een missiepost in brand; toen de kogels niet in water veranderden, werden er ongeveer honderd tachtig mensen gedood. In de jaarlijkse nieuwsbrief die de Amerikaanse presbyterianen uitgaven voor hun aanhangers thuis, de Kasai Herald, beschreef William Sheppard hoe de Kuba aan hun einde waren gekomen. Opmerkelijk genoeg roemde hij eerst de geschiedenis van de Kuba en hij schreef anders dan een blanke missionaris ooit zou hebben gedaan:

"Deze geweldige onverzettelijke mannen en vrouwen zijn sinds onheuglijke tijden vrij geweest. Ze verbouwden uitgestrekte landerijen met Indiaanse maïs, erwten, tabak en aardappelen, legden valstrikken voor olifanten omwille van hun ivoren slagtanden en voor luipaarden omwille van hun pelzen; ze hadden altijd hun eigen koning en een regering die haar taak naar behoren vervulde, wetsdienaars gevestigd in iedere stad van het koninkrijk, deze schitterende mensen, wellicht vierhonderdduizend in aantal, zijn een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis is van hun stam ingegaan. Slechts enkele jaren geleden bemerkten reizigers door dit land dat ze in grote huizen woonden, waar ze één tot vier kamers tot hun beschikking hadden, liefdevol en gelukkig levend met hun vrouwen en kinderen, een van de welvarendste en intelligentste van alle Afrikaanse stammen. (...)

Maar hoe zijn ze veranderd in de afgelopen drie jaar! Hun landerijen zijn overwoekerd door onkruid en oerwoud, hun koning is vrijwel een slaaf, hun huizen zijn nu meestentijds half gebouwde enkele kamers en zijn ernstig verwaarloosd. De straten van hun steden zijn niet schoon en goed geveegd zoals voorheen. Zelfs hun kinderen huilen om brood. Vanwaar deze verandering? U hebt het in een paar woorden. Er zijn gewapende wachters van erkende handelsfirma's die de mannen en vrouwen dwingen het grootste deel van hun dagen en nachten in het woud door te brengen om rubber te maken, en de prijs die ze ontvangen is zo karig dat ze er niet van kunnen leven. In de meeste dorpen hebben deze mensen geen tijd om naar het verhaal van het evangelie te luisteren of zich te bekommeren om de redding van hun ziel."

Sheppards verhaal verscheen in januari 1908, de maand waarin Léon Rom terugkeerde naar België na een zakenreis van zes maanden naar de Kasai. Kort daarna begonnen Roms collega's bij de Compagnie du Kasai te dreigen, te razen en rectificatie te eisen, wat Morrison en Sheppard weigerden te doen. Morrison stuurde functionarissen van het bedrijf scherpe brieven waarin hij meer specifieke aanklachten opsomde, hetgeen nog meer tegen het zere been was. De twee missionarissen waren wettelijk gezien kwetsbaar, aangezien ze het artikel technisch gezien in de Kongo zelf hadden gepubliceerd. In Engeland nam Morel het artikel van Sheppard over, samen met een foto die de missionarissen hem hadden gestuurd van dwangarbeiders, aan elkaar vastgebonden met touwen om hun nek.

Terwijl het bedrijf nog klaagde over het beledigende artikel, bracht de Britse vice-consul in de Kongo, Wilfred Thesiger, een bezoek van drie maanden aan het Kasaibekken, ter voorbereiding van een rapport over de omstandigheden daar. Nerveuze ambtenaren hielden zijn reisdoel nauwlettend in de gaten, want ze herinnerden zich maar al te goed welke internationale opschudding het rapport van Roger Casement vier jaar eerder had veroorzaakt.

Tot ontzetting van de autoriteiten logeerde Thesiger op de missiepost van de Amerikaanse presbyterianen en reisde hij met gebruikmaking van hun stoomboot, de Lapsley. Als iemand die de plaatselijke talen verstond en het district goed kende trad Sheppard op als Thesigers gids en nam hij hem mee naar eenendertig Kuba-dorpen. Na hun vertrek voelde een argwanend basishoofd de dorpelingen met wie de twee mannen hadden gesproken aan de tand en rapporteerde bezorgd aan zijn superieuren dat "Sheppard wees op de consul en zei: 'Zien jullie deze blanke man, wanneer hij terugkeert in Europa zal hij de staatsambtenaren alles vertellen wat jullie hem vertellen, want hij is erg machtig.' In de Bakuba-dorpen (...) stelde Thesiger alle vragen die Sheppard hem aan de hand deed."

Algauw diende Thesiger bij het Britse parlement een vernietigend rapport in over hongersnood en wangedragingen in de Kasai. Eén passage, waarin hij beschreef dat de huizen van de Kuba tot ruïnes vervielen terwijl de mensen aan het werk werden gezet als rubberslaven, was een duidelijke afspiegeling van Sheppards artikel. Functionarissen van het bedrijf en van de Kongostaat waren woedend en gaven Sheppard de schuld. Het bedrijf kon de presbyterianen niet wettelijk vervolgen voor hun hulp aan Thesiger, maar wel vanwege het publiceren van Sheppards artikel uit 1908.

In februari 1909 diende het bedrijf een aanklacht wegens smaad in tegen Sheppard, als auteur van het artikel, en tegen Morrison, als uitgever ervan, en eiste een bedrag van tachtigduizend frank schadeloosstelling. De twee mannen, onwankelbaar in hun overtuiging, besloten dat als de rechter een uitspraak ten nadele van hen zou doen, ze, zoals Morrison naar huis schreef, "liever de gevangenis zouden ingaan dan boete betalen". Hun medestanders in het buitenland schaarden zich achter hen. "Morrison in het beklaagdenbankje," schreef sir Arthur Conan Doyle (waarbij hij de zwarte beklaagde, Sheppard, negeerde), "levert een fraaier Vrijheidsbeeld op dan dat van Bartholdi in de haven van New York." In Washington werd de zaak besproken tijdens een kabinetsvergadering. Het Amerikaanse gezantschap in Brussel liet doorschemeren dat erkenning door de Verenigde Staten van de nieuwe Belgische aanspraak op de Kongo door de uitkomst in het geding zou kunnen komen.

De rechtszaak vond plaats in Leopoldstad, zo'n duizend kilometer de rivieren de Kasai en de Kongo stroomafwaarts van de presbyteriaanse missie. (...) De datum voor de opening werd vastgesteld - opzettelijk, meenden de missionarissen - tijdens het droge seizoen aan de Kasai-rivier. Toen de stoomboot met de twee beklaagden en hun Kuba-getuigen in laag water terechtkwam, weigerde de kapitein de reis te vervolgen. Er werd een nieuwe datum vastgesteld. Morel telegrafeerde zijn vriend en bondgenoot Emile Vandervelde, leider van de Belgische socialisten, en vroeg hem een "eerlijke jonge Belgische advocaat" aan te bevelen voor de twee missionarissen. Vandervelde, een vooraanstaand figuur van de Europese sociaal-democratie, was ook jurist. Tot ieders verbazing verklaarde hij dat hijzelf zich met de zaak zou belasten, pro Deo. De rechtszaak werd opnieuw verdaagd om Vandervelde de gelegenheid te geven naar de Kongo te reizen. Terwijl hij voorbereidingen trof om België te verlaten, bekritiseerde iemand hem dat hij helemaal naar Afrika reisde om een stel 'vreemdelingen' te verdedigen. Onuitgesproken was wellicht het feit dat een van de vreemdelingen zwart was.

Vandervelde antwoordde: "Niemand is een vreemdeling in een gerechtshof." Kort na zijn aankomst in de Kongo moest de antiklerikaal Vandervelde, voorzitter van de Tweede Internationale en vriend of kennis van alle grote linkse persoonlijkheden van die tijd, logeren op een missiepost en over het Stanleybassin toeren aan boord van de missieboot, die onder Amerikaanse vlag voer. Hij keek zeer geamuseerd toe terwijl missionarissen dooprituelen uitvoerden door middel van volledige onderdompeling en baden voor een gunstig vonnis.

Eindelijk begon de rechtszaak in een uit hout en baksteen opgetrokken rechtbank in Leopoldstad, de ramen open om een bries binnen te laten. Vanwege een vormfout had de rechtbank de aanklacht tegen Morrison laten vallen, zodat Sheppard als enige beklaagde over was gebleven. In deze pioniersvoorpost, bezaaid met mango-, palm- en baobabbomen en met zijn ploegen dwangarbeiders, kazernes en een schietbaan waar Europeanen op zondag schietoefeningen deden, was de rechtszaak zonder twijfel hét evenement van de stad. Meer dan dertig buitenlandse protestantse missionarissen vonden een plaatsje in de rechtszaal om blijk te geven van hun steun. Zij en andere geestverwanten van Sheppard zaten aan één kant van de rechtszaal, overheidsambtenaren van de Kongo en andere medestanders van de Compagnie du Kasai aan de andere kant. Belangstellenden voor wie geen plaats meer was keken toe door de open deur en ramen. De werknemers van de Compagnie du Kasai droegen witte pakken en witte zonnehelmen. Sheppard zag er chic uit in een donker jasje met een pochet in zijn borstzak.

Nadat de rechter een belletje had geluid om de behandeling van de aanklacht te openen en de advocaat voor de Compagnie du Kasai het woord had genomen, stond Vandervelde op om maximaal te profiteren van zijn ongebruikelijke gehoor. Sheppard, vertelde hij de rechter, behoorde "niet langer tot Engeland of Amerika, maar tot de Kasai (...) zijn enige beweegreden om de levensomstandigheden van de inheemse bevolking te midden van wie hij leeft te onthullen is humanitair van aard". Vandervelde "voerde een schitterende verdediging", berichtte Morrison. "Zijn redevoering was een wonder van welsprekendheid, onweerlegbare logica, bijtend sarcasme en een roerend beroep dat er recht zou worden gedaan, niet alleen voor ons missionarissen maar vooral voor de inheemse mensen. De toehoorders in de rechtszaal hingen twee uur lang aan zijn lippen."

Sheppard, de beklaagde, was ook geroerd. "De rechtszaak is hét gesprek in het hele land," schreef hij, "en de toeschouwers waren zo aangedaan, dat hun zakdoeken ruimschoots werden gebruikt." Volgens Sheppard waren zelfs de priesters - normaal gesproken loyale bondgenoten van de staat - in tranen, en kwam een van hen na afloop van zijn redevoering naar Vandervelde toe om hem te feliciteren. "Er wordt gezegd dat er nooit zo'n redevoering is geweest zoals deze redevoering die in de Kongo werd gehouden." De rechtszaak leverde Sheppard de nodige aandacht in zijn thuisland op. Onder de koppen 'Amerikaanse neger held van Kongo' en 'Eerste man die de wereld informeerde over misstanden in Kongo' schreef de Boston Herald: "Dr. Sheppard heeft niet alleen voor koningen gestaan, maar hij heeft ook tegenover hen gestaan. Tijdens zijn missie om zijn ras in diens geboorteland te dienen, heeft deze zoon van een slaaf (...) het aangedurfd heel de macht van Leopold te trotseren."

Na de slotpleidooien liet de rechter weten dat hij over twee weken uitspraak zou doen. Uiteindelijk was het de politiek, niet de welbespraaktheid van Vandervelde of de gebeden van de missionarissen, die de uitkomst bepaalde. De aanwezigheid van de Amerikaanse consul-generaal en vice-consul in de rechtszaal was een vingerwijzing voor de problemen die België zou kunnen verwachten als Sheppard in het ongelijk werk gesteld. Evenzeer wist de rechter dat hij geen veelbelovende loopbaan in de Kongo voor de boeg had als hij tot de conclusie kwam dat Sheppards aantijgingen tegen het bedrijf op waarheid berustten. Hij koos zorgvuldig de weg van de minste weerstand en maakte handig gebruik van het feit dat Sheppard in zijn artikel de Compagnie du Kasai niet met zoveel woorden had genoemd maar alleen (zelfs al waren er geen andere dergelijke bedrijven in het gebied) "gewapende wachters van erkende handelsmaatschappijen" had aangevallen. Dus verklaarde de rechter, uiterst onwaarschijnlijk, dat "de beklaagde Sheppard niet voornemens was geweest het voorgenoemde bedrijf aan te vallen. (...) Het artikel refereerde niet en kon niet refereren aan de Compagnie du Kasai. "In feite werd Sheppard onschuldig bevonden, zonder dat de Compagnie du Kasai schuldig werd bevonden. Het bedrijf draaide echter wel voor de kosten van de rechtszaak op.

Ver stroomopwaarts langs de rivier de Kasai wisten de vrouwen van de missionarissen dat hun echtgenoten hadden gezworen liever de gevangenis in te gaan dan de schadeloosstelling te betalen als de uitspraak ongunstig voor hen zou zijn. Het teken dat dit was gebeurd zou zijn als de mannen niet aan boord waren van de presbyteriaanse stoomboot wanneer deze terugkeerde uit Leopoldstad. Terwijl mensen in spanning wachtten bij de missionarispost, schijnt er een warmte en kameraadschap te zijn geweest tussen deze zwarte en blanke Amerikanen die thuis ondenkbaar was geweest. "Mevrouw Morrison en ik wachtten bijna ademloos op de terugkeer van onze geliefden," schreef Lucy Sheppard-Gantt. "Toen de Lapsley aan kwam stomen, begonnen honderden christenen hymnen te zingen en met hun handen te zwaaien en te schreeuwen van vreugde. Het was een prachtig moment - een moment voor dankbaarheid."

In Europa was er geen dankbaarheid voor Leopold. In december 1909, minder dan twee maanden na de rechtszaak tegen Sheppard, werd de vierenzeventigjarige koning ernstig ziek, een 'darmobstructie', mogelijk een eufemisme voor kanker. De koning, die door zijn eindeloze renovaties was verdreven uit het kasteel van Laken, woonde nu, als altijd omringd door bundels architectonische tekeningen, in een bijgebouw, het palmpaviljoen, tussen de grote kassen. Caroline en hun twee zoons kwamen haastig naar zijn ziekbed en Leopolds privé-kapelaan zegende snel het huwelijk in. Nu alles in orde was met de kerk kon de koning de laatste sacramenten ontvangen. Niettemin moest Caroline, die niet van zijn zijde week, iedere keer dat er een bezoeker kwam, zich terugtrekken.

Leopolds verstoten dochters Louise en Stéphanie kwamen naar Brussel in de hoop op een verzoening en op veranderingen ten gunste van hen in de koninklijke wilsbeschikking. Halsstarrig tot het einde toe weigerde hun vader hen te ontvangen. De hofarts, dr. Jules Thiriar, die ook als stroman-aandeelhouder was voor de koning was opgetreden in verscheidene Kongo-ondernemingen, gaf opdracht tot een operatie, maar die was niet succesvol. Het parlement had net een wet aangenomen die Leopold erg aan het hart ging, op grond waarvan de dienstplicht werd ingevoerd. Toen hij na de operatieve ingreep uit de narcose ontwaakte, tekende de koning met trillende hand de wet. De volgende dag leek hij op te leven; hij vroeg om kranten en gaf opdracht voorbereidingen te treffen voor vertrek naar de Rivièra. Enkele uren later was hij dood. Iemand van de meute rondsluipende functionarissen voerde een snikkende Caroline weg van zijn bed.

Als we Carolines versie van de gebeurtenissen mogen geloven, had Leopold zich vlak na de geheime huwelijksvoltrekking gewend tot baron Auguste Goffiner, de helft van de gezette, bebaarde, enigszins loensende tweeling die meer dan dertig jaar lang tot zijn meest naaste medewerkers had behoord, en verklaard: "Ik stel je mijn weduwe voor. Ik plaats haar onder jouw hoede gedurende de weinige dagen die ze na mijn dood in België zal doorbrengen." Het is niet onwaarschijnlijk dat de koning iets dergelijks heeft gezegd, want hij wist dat zijn drie dochters en het Belgische publiek Caroline haatten - en dat die gevoelens alleen maar erger zouden worden wanneer ze erachter kwamen dat hij in zijn laatste dagen een fortuin aan Kongo-obligaties aan haar had overgedaan, boven op de ongeveer zes miljoen frank die hij haar reeds had gegeven.

De advocaten van prinses Louise gingen achter de obligaties aan, dus toen Caroline naar haar Brusselse villa ging, trof ze deze afgesloten en bewaakt aan, met dichtgespijkerde ramen. Het was hetzelfde verhaal op het Franse kasteel dat Leopold haar had geschonken.

Maar met hulp van loyalisten van de koning, die waren gezien bij het verwijderen van stukken uit zijn bureau tijdens zijn laatste uren, slaagde Caroline erin zichzelf en een groot deel van haar geld veilig te stellen in Parijs.

Minder dan een jaar later hertrouwde ze - haar nieuwe echtgenoot was niemand minder dan de vroegere Franse officier Durrieux, haar oorspronkelijke vriend en pooier. Als ze een deel van haar fortuin met hem deelde, was dit zonder meer een van de succesvolste souteneurschappen in de geschiedenis. Van de twee zoons van Caroline en Leopold overleed er één een jaar na zijn vader. De ander genoot een lang, rustig leven met het inkomen van het kapitaal dat ooit was ontwoekerd aan de arbeid van Kongolese rubberslaven; hij overleed in 1984. Wellicht de interessantste van Leopolds afstammelingen was zijn kleindochter Elizabeth, het enige kind van Stéphanie en kroonprins Rudolf van Oostenrijk-Hongarije. Ze trouwde met een socialistische politicus en zou bekend staan als de Rode Aartshertogin.

Leopolds volk rouwde nauwelijks om zijn dood. De Belgen gaven de voorkeur aan zijn neef en troonopvolger Albert I, die bescheiden, sympathiek en - zeer uitzonderlijk voor een Europese vorst - zichtbaar verliefd op zijn vrouw was. Wat de wereld buiten België betreft: door toedoen van Morel en zijn bondgenoten wordt Leopold nu niet herinnerd dankzij de monumenten en gebouwen waar hij zo trots op was, maar dankzij de afgehakte handen.

Uit: Adam Hochschild, De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo, Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven, 360p., 898 frank. Volgende week in de boekhandel.

Adam Hochschild geeft op 28 september om 20 uur een lezing in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg: 'Confronting Evil: Lessons from Leopold's Congo, Stalin's Russia and elsewhere' (Lakensestraat 146, Brussel).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234