Woensdag 25/11/2020

Niemand bekommert zich om 'tante' Rover

Rover had ooit de Britse BMW kunnen zijn. Maar na 101 jaar lijkt definitief het doek te vallen over het laatste beroemde Britse automerk.

Peter de Waard

Ook het laatste icoon van de Britse auto-industrie is omgevallen. Wat er precies van MG Rover overblijft, is onduidelijk. Maar dat het niet veel is, is wel duidelijk. De Rover-fabriek in Longbridge (Birmingham), de enig overgebleven Britse massaproducent van auto's, zal waarschijnlijk worden ontmanteld. Misschien is er voor de MGF-sportwagens nog een toekomst en zal dat merk de weg gaan van andere beroemde Britse merken (Land Rover, Jaguar, Mini) en in buitenlandse handen terechtkomen.

Het nieuwe industriële debacle heeft het land, dat zich in huwelijksstemming en verkiezingstijd koestert, opgeschrikt als een koude douche. Vijf jaar geleden juichten de regering, de vakbonden en het personeel nog de vier Britse investeerders toe die de door BMW achtergelaten failliete boedel durfden voort te zetten. Nu is de 'bende van vier' de gebeten hond en wordt ze ervan beschuldigd de onderneming te hebben leeggeplunderd. Zwartepieten is het enige wat overblijft. Het betekent het einde voor de Rover 25, de 45 (onder British Aerospace ontwikkeld) en de 75 (onder eigendom van BMW).

Tweewielers

De oorsprong van Rover ligt al in 1877. Twee ondernemers in Coventry John Kemp Starley en William Sutton richtten een nieuwe werkplaats op waar ze hoge fietsen gaan bouwen. In 1884 brengen ze een tricycle op de markt onder de merknaam Rover. Ze ontdekken al gauw dat er geen toekomst is voor de logge tricycles en ontwikkelen een tweewielerfiets met even groot voor- en achterwiel die met een ketting wordt aangedreven, versnellingen heeft en op luchtbanden rijdt. Die zogenaamde Rover Safety Machine wordt het model voor de hedendaagse fiets.

De Rover Cycle Company is een fenomenaal succes. In 1902 wordt ook een motorfiets op de markt gebracht. Twee jaar later volgt de eerste auto. In 1912 kent Rover een uitgebreid assortiment van fietsen, motorfietsen en auto's. De Rover 14/45 pk-auto uit 1924 geldt op dat moment als de beste auto ter wereld.

De oorlogsinspanningen (tanks, vliegtuigen) leiden ertoe dat Rover in 1946 een van de innovatiefste autobouwers wordt. De onderneming produceert zelfs auto's met gasturbinemotoren waarmee onder meer grote successen worden behaald in Le Mans. Op de motorkap van een draaiende P3 kan een vol glas water worden neergezet zonder dat er een druppel over de rand vliegt. De P4, bijgenaamd Auntie Rover (tante Rover), geldt als de auto waarmee de nieuwe generatie Britten droomt ooit met de golfclubs in de achterbak door de countryside te toeren.

Luxe-Honda

In de jaren zestig is Rover nog groter, financieel gezonder, exclusiever en beter dan hetzelfde BMW. Het is de auto van de upper class. In 1966 wordt Rover overgenomen door Leyland Motors, dat behalve trucks ook personenauto's en sportwagens (TR) bouwt. Het is een fatale beslissing.

Twee jaar later dwingt de Labour-regering van Harold Wilson Leyland Rover samen te gaan met British Motor Holding, eigenaar van Austin, Morris, Mini en Jaguar. De nieuwe moloch wil op de massamarkt concurreren met Volkswagen, Renault en Fiat. In plaats van zich te concentreren op de exclusieve merken (Rover, Jaguar en Triumph) gaat alle aandacht naar de Austin en Morris. Maar de vakbonden verlammen het land. De productiviteit van British Leyland is te laag en de kwaliteit te armzalig om tegen grote Europese massafabrikanten en Japanse exporteurs op te kunnen.

Austin en Morris gaan uiteindelijk ten onder. Pas in het midden van de jaren tachtig, als de fabriek in handen komt van British Aerospace, wordt besloten zich te richten op de exclusievere merken. Er komt één nieuwe merknaam Rover. De toenmalige minister van Handel en Industrie Lord Young noemt de deal profetisch 'te goed om waar te kunnen zijn'. Maar op dat moment is het al te laat. Rover kan de achterstand op BMW en Mercedes niet meer goedmaken. Er wordt een alliantie met Honda gesloten. Maar ondanks de kwaliteits- en productiviteitsimpuls van de Japanners, is het imago niet meer te herstellen. De nieuwe Rover 800 wordt smalend een luxe-Honda genoemd.

lange lijdensweg

In 1994 neemt BMW het bedrijf over in de hoop wat Britishness aan zijn eigen merk toe te voegen, maar de Duitsers slagen er niet in Rover winstgevend te maken. De verliezen lopen op tot 2 miljoen per dag en Rover wordt in München de 'English Patient' genoemd. In 2000 wordt het bedrijf opgebroken: BMW houdt de Mini, de Land Rover wordt verkocht aan Ford en de Britten mogen zelf de Rover-fabriek, inclusief de MG sportwagen, hebben.

Er begint een lange lijdensweg. Geld voor de ontwikkeling van een nieuw model is er niet. Al in 2001 zeggen de eigenaars plannen te hebben voor een joint venture met een buitenlandse autofabrikant, het Maleisische Proton. Maar elk samenwerkings- of overnameplan lijdt schipbreuk.

Met de ondergang van Rover is de autofabricage in Groot-Brittannië niet beëindigd. Jaarlijks worden er nog 1,7 miljoen auto's geproduceerd, maar de eigenaars zijn allemaal buitenlanders. Zij weten als enige wel rendabel te produceren. De Britten mogen zich beperken tot een klein aantal sportmodellen - Lotus, TVR, Morgan - waarvan de prijs er niet toe doet.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234